Ankerzegen

De ankerzegen is een oude vismethode uit Denemarken en wordt door de Denen ook wel snurrevåd genoemd. Waarschijnlijk werd de bootzegen voor het eerst rond 1850 door de Deense visser Jens Laursen Vaever uit Limfjord toegepast. In die tijd werd de strandzegen langs de westkust van Jutland nog veel voor de vangst van schol gebruikt. Normaal werd er met deze methode vanaf het strand gevist, maar deze visser kwam met het idee om vanaf een voor anker liggend zeilschip met de strandzegen te vissen.

De strandzegen was een voorloper van de ankerzegen.Seafish
De lange touwen en het net werden met een roeiboot in een boog uitgezet. Vervolgens werd het net aan de lange touwen naar het schip getrokken. Deze methode bleek zo succesvol dat in korte tijd veel schepen in volle zee op elke daarvoor geschikte positie met de zegen gingen vissen. Later werd het door de invoering van mechanische voortstuwing mogelijk dat het schip de touwen en het net zelf vanaf een ankerplaats ging uitzetten, waardoor de roeiboot kwam te vervallen. Deze visserijmethode wordt niet meer beoefend door Nederlandse schepen.

De ankerzegenmethode toegelicht aan de hand van 5 stappen.

De ankerzegenmethode toegelicht aan de hand van 5 stappen. Australian Fisheries Management Authority

Deze methode verloopt nog steeds volgens hetzelfde principe. Wel is er verder gemechaniseerd.  Na de invoering van de mechanische voortstuwing werd een door de hoofdmotor aangedreven horizontale kaapstand met twee koppen toegepast, de Snurrevaadlier. Hierdoor kon de lengte van de zegentouwen aanzienlijk toenemen. De zegentouwen moesten met de hand op het dek opgeschoten worden (opschieten is het opbergen van het touw op een dusdanige manier dat er geen knopen in komen).

In de praktijk bleek dat maximaal een lengte van ongeveer 120 vadem (220 meter – vadem is een oude lengtemaat die vooral werd gebruikt voor het bepalen van de waterdiepte, waarbij 1 vadem ongeveer 1,8 meter is) met de hand opgeschoten en over het dek verplaatst kon worden. Daardoor zijn de zegentouwen tot nu toe uit aan elkaar gekoppelde of gesplitste trossen met een lengte van 120 vadem samengesteld. De lengte van de zegentouwen wordt daardoor aangegeven door het aantal trossen waaruit elk zegentouw bestaat. Omstreeks 1920 werd de Snurrevaadlier van een inrichting voorzien die de zegentouwen automatisch op het dek opschoot. Het is vooral door deze mechanisering dat ook vissers van andere landen zoals Engeland, Schotland, Zweden, Ierland en Nederland deze vismethode gingen toepassen.

Schematische weergave van de ankerzegenmethode,. Ecomare/Oscar Bos

In Nederland waren het de vissers van Urk die de Snurrevaadvisserij in het midden van de twintiger jaren van de vorige eeuw naar ons land brachten. Het aantal schepen dat deze vismethode beoefende breidde zich tot 1940 uit tot ongeveer 40 schepen. Na 1945 nam de betekenis van de Snurrevaadvisserij geleidelijk af. Er werd hoofdzakelijk op schol gevist. Rond 1950 is de Snurrevaadvisserij uit de Nederlandse visserij verdwenen.

De laatste jaren is de Snurrevaadvisserij verder gemechaniseerd door het gebruik van grote haspels waarop de totale lengte van een zegentouw opgeslagen wordt. De hydraulische aandrijving van deze touwhaspels zorgt ervoor dat het zogenaamde losse part van de zegentouwen (d.w.z. het part dat van de Snurrevaadlier afkomt) constant op een zodanige spanning gehouden wordt, dat het enkele keren om de lierkop geslagen zegentouw bij het naar binnenhalen van het zegentouw niet slipt. Inmiddels was ook de Snurrevaadlier van een in snelheid regelbare hydraulische aandrijving voorzien. Door de toepassing van de touwhaspels is het met grote snelheid uitvieren van de zegentouwen aanzienlijk veiliger geworden, terwijl het inhalen van de zegentouwen volledig gemechaniseerd is. Een verdere verlichting van de arbeidsinspanning werd bereikt door het gebruik van een powerblok bij het aan boord brengen van het net en de vangst.

Oude foto aan boord van een schip vissend met de ankerzegenmethode. The Fisheries and Maritime Museum Esbjerg

Door de gestegen brandstofkosten is belangstelling voor deze energiearme en selectieve vismethode, die een vangst van uitstekende kwaliteit oplevert, niet vreemd. Hoewel de ankerzegenvisserij oorspronkelijk uitsluitend voor de vangst van platvis werd gebruikt, bleek dat de methode ook in aangepaste vorm voor de vangst van andere demersale vissoorten als rondvissen en grote garnalen toegepast kon worden.

Het materiaal van de zegentouwen was vroeger meestal manilla. Sinds 1960 worden de zegentouwen van polyethyleen gemaakt (PE; dichtheid 0,96 kg/dm3), waarbij in de kern stukjes lood zijn aangebracht om het voor een goed bodemcontact vereiste gewicht per lengte-eenheid te krijgen. De diameter van de toegepaste zegentouwen varieert. Algemeen geldt dat de diameter groter moet zijn als de bodemgesteldheid zachter (slapper) is. Hierdoor wordt de kans op het door de bodem trekken van de zegentouwen kleiner.

Het verschil tussen de ankerzegen- en flyshootvisserij  bestaat erin dat bij de ankerzegen (ook wel ‘Deense zegen’ of ‘snurrevåd’ genoemd) het schip voor anker ligt bij het binnenhalen, terwijl bij de ‘flyshootmethode’ (ook wel ‘Schotse’ of ‘Scottish sein’ genoemd) het vaartuig aan een lage snelheid vooruit vaart.

1Beschrijving

De ankerzegenvisserij is met name een geschikte vismethode voor kleine kotters (lage bouwkosten) met een klein voortstuwingsvermogen (laag energieverbruik). Door gebruik te maken van speciale dekwerktuigen, zoals touwhaspels en een powerblok, kan deze vismethode door een kleine bemanning op een efficiënte en veilige wijze worden beoefend. Ondanks de kortere lengte van deze kotters, kan er door de lange zegentouwen toch een groot oppervlak van de zeebodem worden omringt. Hierdoor is het per tijdseenheid beviste oppervlak best groot. Ook kan een relatief groot net worden gebruikt met deze vismethode in verhouding tot het kleine voortstuwingsvermogen dat gebruikt wordt.

Qua selectiviteit scoort de ankerzegenmethode ook goed ten opzichte van de boomkor. Zo worden er overwegend maatse platvissen gevangen, omdat kleine platvissen snel uitgeput raken in hun pogingen om de naderende zegentouwen te ontwijken. Hierdoor geven ze hun vluchtpogingen als snel op en laten ze de zegentouwen passeren. Doordat het net zich relatief langzaam over de zeebodem en door het water beweegt, heeft de vis vaak een uitstekende kwaliteit. Dit komt ook doordat de vangst maar korte tijd in het net verblijft, waardoor de gevangen vissen overwegend onbeschadigd en levend aan boord komen.

De ankerzegenvisserij werkt wel het beste in vlakke, zanderige gebieden met een goede bodemgesteldheid. Door de lage vissnelheid is de slijtage en schade gering, waardoor de materiaalkosten ook laag uitvallen. Onder normale omstandigheden ligt de levensduur van de zegentouwen ongeveer rond de twee seizoenen. Alleen moet er wel goed gelet worden op obstakels zoals stenen en wrakken, want daar kan het zegentouw achter blijven haken. Ook moet de stroming niet al te groot zijn voor het optimaal laten werken van deze vismethode.

Natuurlijk zijn er ook wel wat beperkingen voor het gebruik van deze methode. Zo is het vangstprincipe gebaseerd op het vluchtgedrag van (plat)vis voor de naderende zegentouwen. Hierdoor is het belangrijk dat de (plat)vis de zegentouwen kan zien aankomen. Daarom zijn de volgende omstandigheden belangrijk voor een goede werking van het ankerzegen:

  • Het aantal uren daglicht; hoe groter het aantal uren daglicht, des te groter is het aantal visuren.
  • De positie van de zon; als de zon hoog aan de hemel staat, dan dringt het zonlicht dieper door in het water).
  • Helderheid van het water; langere perioden met goed weer en een lage planktonproductie zorgen voor een goede helderheid van het water.

Aangezien de omstandigheden in de winter niet echt gunstig zijn voor de ankerzegenmethode, wordt er met name in de periode van mei tot oktober met deze methode gevist. Het is een vismethode die wel veel ervaring vereist. Ook moet de bemanning uiterst geconcentreerd zijn bij het uitzetten en inhalen van de zegentouwen. Als één van de zegentouwen namelijk achter een obstakel blijft haken, dan kunnen veel visuren verloren gaan. Dit komt doordat dan een deel, soms zelfs de hele lengte van de zegentouwen, ingehaald moeten worden.

2Werkwijze

In dit hoofdstuk bespreken we de wijze waarop het ankerzegen normaal gesproken wordt gebruikt. De hier beschreven werkwijze kan afwijken van de praktijk. Het belangrijkste is dat een visser ten allen tijden rekening houdt met de veiligheid.

Uitzetten net

Als het schip de vangplaats nadert worden de volgende handelingen verricht:

  • De borging, waarmee het anker in kluisrol zeevast gezet is, wordt losgemaakt.
  • De grote blaas wordt klaargelegd. De grote blaas moet op het ankerdraad bevestigd worden en zorgt ervoor dat de rukken van het schip aan het anker worden verminderd.
  • Ook moeten de markeringsjoon, van het eind van de ankerlijn, en de tweede, kleinere blaas voor de bevestiging van het zegentouw worden klaargelegd.
  • Op het achterschip wordt het net op een zodanige manier klaargelegd, dat achtereenvolgens een vlerk, het voornet en de andere vlerk overboord kunnen gaan.

Het uitzetten van het ankerzegen.

Het uitzetten van het ankerzegen.

In dit voorbeeld zal worden uitgegaan van een zuidelijke stroming en op elke haspel bevinden zich 12 trossen zegentouw met een totale lengte van 2640 meter (12 x 220m). Bij het uitzetten van het visnet volgt meestal deze procedure aan boord van een schip met een ankerzegen:

  • Op de vangplaats gaat het schip in de stroom voor anker.
  • Na het uitvieren van de ankerketting, het anker en een gedeelte van het ankerdraad, wordt even gestopt om de grote blaas op het ankerdraad te bevestigen.
  • Het ankerdraad wordt verder uitgevierd totdat er voldoende lengte in zee staat. Hierbij moet rekening worden gehouden met de plaatselijke diepte.
  • Vervolgens wordt de markeringsjoon met een strop aan het ankerdraad bevestigd, terwijl de kleine blaas met een lijn aan de markeringsjoon vastgemaakt wordt.
  • Aan de kleine blaas wordt het stuurboord zegentouw bevestigd dat het eerst uitgevierd zal worden.
  • Daarna manoeuvreert het schip op een dusdanige manier dat het ankerdraad slap komt te hangen en van de ankertrommel losgemaakt kan worden. Vervolgens worden de markeringsjoon (met de daaraan vastgemaakte ankerdraad) en de kleine blaas (waaraan het stuurboord zegentouw is bevestigd) overboord gezet.
  • Hierna draait het schip richting zuidoostelijke koers, zodat de zeestroming schuin van achteren inkomt. Daarna zal het zegentouw met een flinke snelheid aan de stuurboordzijde worden uitgevierd. Tijdens dit uitvieren wordt het einde van het bakboord zegentouw naar het achterschip gebracht en aan de bakboord triangel of knuppel van het net bevestigd.
  • Nadat ongeveer 9 trossen zegentouw uitgevierd zijn, wordt de koers naar zuidwestelijke richting verlegd.
  • Zodra ongeveer 11,5 trossen uitgevierd zijn, wordt de vaart uit het schip gehaald. Het schip wordt in een dusdanige positie gemanoeuvreerd dat er geen spanning meer op het zegentouw staat. Het einde van het stuurboord zegentouw wordt nu op een achterbolder bevestigd.
  • Vervolgens wordt de laatste halve tros van de haspel gevierd. Ook wordt de verbinding tussen het zegentouw en de thuishaler, waarmee het zegentouw met de haspel verbonden is, losgemaakt.
  • Het einde van het stuurboord zegentouw wordt naar het achterschip gebracht en aan de stuurboord triangelplaat (knuppel) van het net bevestigd.
  • Vervolgens zal de vaart richting zuidwestelijke koers meerderen. Als het stuurboord zegentouw strak komt te staan, dan worden achtereenvolgens de triangelplaat (knuppel), de stroppen en de vlerk vanaf stuurboord kant van het net overboord getrokken. Daarna kan het achternet met de kuil overboord gegooid worden.
  • Het uitvieren van het bakboord zegentouw begint zodra de vlerk, stroppen en triangelplaat (knuppel) van bakboord kant van het net ook overboord getrokken zijn. Het is hierbij wel van belang dat de bovenpees strak staat en het net goed in zee staat. Pas als dit het geval is kan de koers naar westzuidwestelijke richting worden verlegd en begint het uitvieren van het bakboord zegentouw.
  • Nadat van het bakboord zegentouw vier trossen uitgevierd zijn, wordt de koers naar noordwestelijke richting verlegd en worden de resterende trossen uitgevierd.
  • Zodra van het bakboord zegentouw nog maar een halve tros uitgevierd moet worden, vermindert het schip vaart en wordt het zo gemanoeuvreerd dat het einde van dit zegentouw op een achterbolder bevestigd kan worden.

Binnenhalen net

Bij het binnenhalen van het visnet volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met het ankerzegen:

  • Zodra het einde van het bakboord zegentouw op een achterbolder is bevestigd, dan wordt de vaart vermeerderd en zet men koers naar de markeringsjoon. Tijdens het naar de markeringsjoon slepen, beweegt het bakboord zegentouw over de zeebodem. Daarbij worden de vissen vooruit gedreven.
  • Tijdens het slepen worden de thuishalers van de haspels via de geleiderollen (welke op het dek bevestigd zijn) naar de haalkoppen van de speciale ankerzegenlier gebracht. De thuishalers worden met enige slagen om de haalkoppen gelegd en vervolgens worden de uiteinden naar de geleiderollen gebracht die op de stuurboord verschansing zijn bevestigd.
  • Het uiteinde van het bakboord zegentouw wordt naar de geleiderollen gebracht (welke op de verschansing zijn bevestigd) en in de thuishaler van een touwhaspel ingepikt.
  • Zodra het schip bij de markeringsjoon is aangekomen, wordt deze samen met de kleine blaas en het daaraan bevestigde stuurboord zegentouw opgepikt en aan boord gebracht. Het uiteinde van dit zegentouw wordt naar de op de verschansing bevestigde geleide rollen gebracht en in de andere thuishaler van de tweede touwhaspel ingepikt.
  • De markeringsjoon wordt van de ankerlijn losgemaakt. De ankerlijn wordt aan de thuishaler van de ankertrommel bevestigd en vervolgens stijf gezet. De schroef kan nu stil gezet worden.
  • Vervolgens kunnen de touwhaspels en het ankerzegenlier worden ingeschakeld. Het inhalen van de eerste trossen gebeurt met een langzame snelheid, zodat de vissen langzaam en gelijkmatig door de over de zeebodem bewegende zegentouwen opgejaagd worden. Door met de hand op de zegentouwen te drukken tijdens het inhalen kan worden gevoeld of deze onder dezelfde spanning staan.
  • Tijdens het verdere inhalen van de zegentouwen wordt de snelheid voortdurend opgevoerd. Zodra de zegentouwen bijna evenwijdig naar het schip lopen, wordt de ankerzegenlier op volle snelheid gezet. Op die manier worden vissen die tot voor de netopening opgejaagd zijn in het net gedreven.
  • Bij het naderen van het einde van de zegentouwen wordt de snelheid van de lier verminderd. De lier wordt vervolgens gestopt als de triangelplaten of knuppels de geleiderol op de verschansing bereiken.

1. De kotter ligt voor anker en het zegentouw ligt klaar om aan het ankerdraad bevestigd te worden. Vervolgens loopt het zegentouw uit terwijl de kotter in Zuidoostelijke richting vaart.

2. Het eerste zegentouw is uitgevierd en de kuil kan overboord (langzaam varend schip, grote drift).

3. Het net wordt opengetrokken en het tweede zegentouw wordt uitgevierd.

4. De kotter sleept het tweede zegentouw naar de anker-joon en de thuishalers liggen klaar.

5. Het halen van het zegentouw.

6. De triangels/knuppels hebben de geleiderollen bereikt (A) en het powerblok is onder de stroppen aangebracht (B).

7. Over het powerblok worden de stroppen naar achteren gebracht (A). Het halen van de stroppen en het net (B). Het net en de stroppen worden zo neergelegd dat ze direct weer overboord gezet kunnen worden.

8. Het kuiltouw is gepakt (A), de jumper is ingepikt en het powerblok wordt weggehaald (B). De kuil opzij van de vislast (C) en de kuil boven de vislast (D).

Het aan boord brengen van de vangst

Bij het aan boord brengen van de vangst volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met het ankerzegen:

  • Allereerst worden de triangelplaten of knuppels door twee bemanningsleden naar het achterschip gebracht.
  • Het bemanningslid dat het powerblok bedient, laat dit dwarsscheeps zwenken en onder de stroppen zakken die de triangelplaten (knuppels) met de nokken van het net verbinden.
  • Zodra de stroppen op de schijf van het powerblok liggen, wordt deze ingeschakeld en kunnen de zegentouwen worden losgemaakt. De twee bemanningsleden die de triangelplaten (knuppels) hebben vastgehouden, kunnen nu de stroppen en het daaraan bevestigde net aan boord trekken.
  • Tijdens het inhalen van de stroppen wordt het powerblok weer in langsscheepse richting gebracht, zodat stroppen en het net recht over het achterschip aan boord komen.
  • Het is belangrijk om tijdens het inhalen van de vlerken ervoor te zorgen dat deze op een dusdanige manier worden opgeschoten op het achterdek, dat de vlerk die bij het uitzitten als eerst overboord gaat bovenop komt te liggen.
  • Het inhalen stopt zodra het achternet het powerblok heeft bereikt. Het powerblok wordt vervolgens dwarsscheeps gezwenkt. Hierdoor komt het achternet weer aan de zijkant van het schip.
  • Vervolgens wordt het powerblok weer ingeschakeld. Het achternet wordt zover aan boord gebracht dat de kuilstrop binnen bereik van de bemanningsleden komt.
  • De jomperhaak wordt in de kuilstrop gepikt, waarna de kuil met de daarin aanwezige vangst aan boord gehesen wordt. Tot slot wordt de kuil in de vislast aan dek geleegd.
  • Nadat de kuil met de pooklijn afgesloten is, wordt de kuil met het achternet naar het achterschip gebracht. Na een goede vangst kan het vistuig opnieuw uitgezet worden. De stroom is inmiddels gedraaid, zodat in een andere richting uitgezet moet worden om het net tegen de stroom in te kunnen halen. Daarbij wordt een ander deel van de zeebodem bevist.
  • Tijdens het opnieuw uitvieren van het eerste zegentouw wordt het net op het achternet zodanig klaargelegd dat het zonder problemen en in de juiste volgorde weer overboord kan.

Vanaf een vast ankerpunt in 8 trekken een gebied afvissen (eenmaal eb en eenmaal vloed).

Vanaf een vast ankerpunt in 8 trekken een gebied afvissen (eenmaal eb en eenmaal vloed).

Beëindigen van het vissen

Bij het beëindigen van het vissen volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met het ankerzegen:

  • Nadat de vangst en het net aan boord zijn gebracht, wordt de schroef weer in werking gezet. Langzaam vooruit varend wordt het anker opgehaald.
  • Als het anker in de kluisrol ligt, dan wordt het zeevast gezet.
  • Het net wordt schoongemaakt en zeevast opgeborgen.
  • De zegentouwen worden geheel op de touwhaspels gedraaid, waarna de haspels zo geborgd worden dat ze niet meer kunnen draaien.
  • De markeringsjoon en de grote en de kleine blaas worden opgeborgen en zeevast gezet.

3Doelsoorten en bijvangst

De voornaamste doelsoorten van deze methode zijn demersale vissoorten. Maar er worden ook vissen gevangen die dicht bij de zeebodem leven. Hierbij kan worden gedacht aan poon, mul, inktvis, wijting, makreel, schar, schol en kabeljauw.

Er kan ook inktvis gevangen worden met de ankerzegenmethode.

4Gedrag van de vis ten opzichte van het tuig

Het gedrag van vissen ten opzichte van het ankerzegen is vergelijkbaar met dat van de flyshoot. Alleen richt deze vismethode zich minder op rondvis en heeft daardoor een minder grote verticale netopening dan een flyshootnet. Meer informatie hierover is te vinden in het hoofdstuk waarin het gedrag van vissen ten opzichte van de flyshoot al uitgebreid staat beschreven.

5Verwerking

Het verwerken van de vis aan boord van een kotter die vist met de ankerzegenmethode is ook vergelijkbaar met de flyshootmethode. Daarom verwijzen we naar het hoofdstuk waarin het verwerken van de vis aan boord van een flyshooter al uitgebreid staat beschreven.

6Duurzaamheid

Qua duurzaamheid is het ankerzegen vergelijkbaar aan de flyshootmethode. Het brandstofverbruik ten opzichte van andere vistechnieken is relatief laag, de kwaliteit van de vis is hoog en de impact op de zeebodem en het leven op de zeebodem is relatief laag in vergelijking met andere vistechnieken. Voor uitgebreidere informatie verwijzen we naar het hoofdstuk over flyshoot.