Bestandschatting schelpdieren

Voor schelpdieren zoals mosselen, kokkels, strandschelpen en mesheften wordt ook de bestandsgrootte geschat. Nu is dat iets makkelijker dan bij vissen, want schelpdieren zitten vast op banken op de zeebodem of op het wad. Maar die banken kunnen natuurlijk wel aangroeien, verdwijnen en ergens anders weer verschijnen. Ook de dichtheden van schelpdieren op die banken kunnen verschillen,  wat ook wordt onderzocht in de bestandschatting.

Onderzoek op mosselbanken.

Onderzoek op mosselbanken.Norbert Dankers

Bij mosselen wordt de biomassa van mosselzaad, middelgrote en grote mosselen berekend om te kunnen afspreken welk percentage van het gevallen zaad door vissers opgevist mag worden. Zij krijgen daar een vergunning voor. Voor kokkels bestaat ook een maximale vangsthoeveelheid. Kokkelvissers in de Waddenzee hebben alleen nog handvergunningen, waarin een aantal kilo’s per persoon wordt toegekend. Dit zijn tegenwoordig nog maar relatief kleine hoeveelheden. Hieronder wordt kort uitgelegd hoe de bestandschatting van mosselen ongeveer werkt.

1Bestandschatting mosselen

Mosselbanken kunnen onderverdeeld worden in ‘litorale banken’ in de getijdezone die van tijd tot tijd droogvallen en ‘sublitorale banken’ die nooit droogvallen. De scheidslijn tussen die twee soorten banken is de gemiddelde laagwaterlijn (GWL = het gemiddelde van alle laagwaterstanden per jaar). Voor beide soorten banken wordt de bestandsgrootte geschat. Heel grofweg schatten onderzoekers de totale biomassa door de oppervlakte aan mosselbanken te vermenigvuldigen met de gemiddelde biomassa aan mosselen op die banken.

De ligging en de oppervlakte van litorale mosselbanken in de Nederlandse kustzone wordt sinds 1994 in kaart gebracht. In de getijdezones van de Oosterschelde en Westerschelde komen al jaren nauwelijks mosselbanken voor. Daarom vindt het huidige onderzoek voornamelijk plaats in de Waddenzee.

De bestandschatting gebeurt in het voor- en najaar. In het najaar wordt een kaart gemaakt van de ligging van de mosselbanken uit voorgaande onderzoeken. Ook vliegen onderzoekers over het wad om te kijken of er mosselbanken zijn ontstaan of verdwenen, en worden gegevens van vissers gebruikt om te bepalen waar de banken liggen. Vervolgens worden de droogvallende mosselbanken te voet bezocht en worden de omtrek en het oppervlak gemeten. Daarna worden per bank de volgende kwalitatieve gegevens genoteerd:

  • het formaat mosselen (zaad, middelgroot (halfwas), groot (consumptierijp));
  • of de mosselbanken bedekt zijn met mosselen (dik, redelijk, matig, dun);
  • de hoogte van de mosselbanken en bedekkingspercentage van deze banken voor mosselen; en
  • de ondergrond (slib, schelpen, zand, schelpkokerwormen, etc.)

Dat veldwerk gebeurd jaarlijks door onderzoekers van Wageningen Marine Research (voorheen IMARES). Ze meten de dichtheid van mossels op een aantal vaste ‘strata’. Dit zijn reeksen van monsterpunten met een verschillende kans op het voorkomen van schelpdieren. Op elk monsterpunt wordt een stukje van de mosselbank weggehaald. Uit dit deelmonster worden alle schelpdieren gezeefd, waarna ze worden gesorteerd op leeftijd en grootte (zaad, middelgroot, volwassen).

De monsterpunten van een mosselbank bij Ameland.

De monsterpunten van een mosselbank bij Ameland. IMARES

In strata waar veel schelpdieren verwacht worden, worden meer locaties bemonsterd dan in gebieden waar maar lage dichtheden verwacht worden. Strata waar geen schelpdieren verwacht worden, worden het minst intensief bemonsterd. De strata worden jaarlijks opnieuw bepaald, want de verspreiding van mosselen kan jaarlijks veranderen. Sommige banken nemen in oppervlakte en bedekking af, andere juist toe. Op sommige mosselbanken vindt een mossel- of oesterbroedval plaats, op andere niet, etc.. Deze verschillen kunnen ontstaan door locatie (en dus blootstellingen aan storm of predatie) of door karakteristieken van de mosselbank (de mate waarin deze bestand is tegen stormen en predatie).

Oppervlakte (areaal) aan litorale mosselen in de getijdezone van de Waddenzee in de voorjaren van 1994 tot 2014. Voor de recente jaren kunnen kleine bijstellingen worden verwacht vanwege nieuwe beschikbare gegevens in de komende jaren.

Oppervlakte (areaal) aan litorale mosselen in de getijdezone van de Waddenzee in de voorjaren van 1994 tot 2014. Voor de recente jaren kunnen kleine bijstellingen worden verwacht vanwege nieuwe beschikbare gegevens in de komende jaren. IMARES

Sublitorale mosselen

Sublitorale banken kunnen alleen bemonsterd worden per schip, bijvoorbeeld een kokkelvaartuig of een zuigkor. Dat gebeurt op dezelfde manier als voor de litorale banken: met behulp van strata. Voor sublitorale banken is het onmogelijk om precies de ligging en de oppervlakte te bepalen, zoals bij litorale banken gebeurt. Maar onderzoekers kunnen dit wel schatten. Zo komen ze toch op een totale biomassa terecht.

Tijdens de mosselzaadvisserij wordt met de opgeviste mosselen ook ander materiaal opgevist zoals lege schelpen, krabben, aangroei en materiaal dat zich bevindt tussen de byssusdraden van de mosselen. Dit noemt men ook wel tarra en het is belangrijk om dit niet mee te rekenen met het bepalen van het mosselgewicht. Vandaar dat de vangstquota in onderstaande afbeelding daarom zijn gebaseerd op bruto vangsthoeveelheden.

Het mosselbestand en de samenstelling daarvan in het sublitoraal van de westelijke Waddenzee in het voorjaar sinds 1992. Het betreft hier bruto hoeveelheden, dus inclusief tarra.

Het mosselbestand en de samenstelling daarvan in het sublitoraal van de westelijke Waddenzee in het voorjaar sinds 1992. Het betreft hier bruto hoeveelheden, dus inclusief tarra. Mosselcultuur Yrseke