Bestandschatting pelagische vis

De bestandschatting voor pelagische soorten zoals haring en makreel lijkt op die van tong en schol. Net zoals bij tong en schol vormen de vangsten (lengte en gewicht per leeftijd) van de visserij de belangrijkste informatie die nodig is voor de bestandschatting. Er wordt ook gebruik gemaakt van gegevens van onderzoeksschepen of surveys, om iets te kunnen zeggen over de ontwikkelingen in de paaistand en de visserijdruk gedurende de meest recente jaren.

De bestandsschatting van makreel is anders dan die van demersale vissoorten.

De bestandsschatting van makreel is anders dan die van demersale vissoorten.Wageningen Marine Research

Maar tijdens de pelagische surveys worden andere gegevens verzameld dan tijdens de demersale surveys. Welke gegevens dat precies zijn wordt verderop uitgelegd voor haring. Verder wordt bij pelagische soorten het vangstsucces van de vloot nooit gebruikt om de recente ontwikkelingen in de paaistand te ijken. Dat komt doordat het vangstsucces van de commerciële pelagische schepen geen betrouwbare maat is voor de visstand.

Naast verschillen in de surveys zijn er nog meer verschillen in de bestandschattingen tussen pelagische en demersale vissoorten. Zo weten we van de pelagische vis veel nauwkeuriger hoeveel vis er door de visserij uit zee wordt gehaald dan bij demersale soorten. Want de pelagische visserij heeft veel minder bijvangst. Dit komt voornamelijk door het gedrag van de vissen. Pelagische vissen komen namelijk vaak voor in scholen van maar één soort. Weinig bijvangst maakt de bestandschatting betrouwbaarder, want dan hoef je geen (onzekere) schattingen te doen over de omvang van die bijvangst.

Een ander verschil is dat pelagische vissoorten over veel grotere afstanden migreren dan demersale vissoorten. Dit bemoeilijkt de bestandschatting. Want waar bevinden zich nou de ‘grenzen’ van een pelagisch bestand? Pelagische vissen kunnen afstanden van duizenden kilometers afleggen. Sommige soorten migreren zelfs tussen het Continentaal Plat en de diepere, internationale wateren buiten de Exclusieve Economische Zone, waar de EU geen wetgevende macht heeft. Pelagische vissen kunnen in elk levensstadium in verschillende gebieden voorkomen (zie bijvoorbeeld haring in onderstaand figuur). Daar komt nog eens bij dat deze gebieden, bijvoorbeeld de paaigronden, door de tijd heen kunnen verschuiven. Een belangrijke taak van de jaarlijkse wetenschappelijke surveys is dan ook om in kaart te brengen hoe het visbestand over de zeegebieden verdeeld is en van welke gebieden de vissen gebruik maken.

Ruimtelijke verdeling van haring tijdens verschillende levensstadia in de Noordzee.

Ruimtelijke verdeling van haring tijdens verschillende levensstadia in de Noordzee. ProSea

1Noordzeeharing - surveys

Het haringbestand in de Noordzee is onder te verdelen in drie aparte onderdelen. Deze ‘deelbestanden’ groeien wel op in dezelfde kinderkamer, maar hebben elk eigen paaigronden en migratieroutes. We hebben het in dit stuk over de visserij op Noordzeeharing die in de herfst en winter paait.

Jaarlijks worden er vier wetenschappelijke surveys uitgevoerd voor Noordzeeharing. Daarmee is de haring één van de pelagische vissoorten die het meest intensief onderzocht wordt. Alle gegevens uit deze surveys worden gebruikt in de bestandschatting, om recente ontwikkelingen in de paaistand en de visserijsterfte te achterhalen.

Tijdens deze surveys verzamelen onderzoekers informatie over:

  • Het aantal pasgeboren haringlarven van 10 tot 20 dagen oud. Haringlarven horen bij het plankton. Ze drijven dus los in zee nadat ze uit het ei zijn gekomen. Deze haringlarven zijn slechts 10 mm lang en worden opgevist met een plankton torpedo. Dit net heeft hele fijne mazen die minuscuul plankton uit het water zeeft. ICES gebruikt informatie over de aantallen haringlarven om te kunnen berekenen hoeveel volwassen, paairijpe haring er in zee zit. Want als je het aantal larven weet, kan je terugrekenen hoeveel eieren er geproduceerd moeten zijn geweest. Zo kom je uiteindelijk uit bij het aantal moederdieren dat zoveel eieren kan leggen en momenteel in zee aanwezig is.

Planktontorpedo waarmee haringlarven van 10-20 dagen oud worden bemonsterd.

Planktontorpedo waarmee haringlarven van 10-20 dagen oud worden bemonsterd.M. Dickey-Collas, IMARES
  • Het aantal wat oudere haringlarven van 3 tot 4 maanden oud. Dit zijn al echte, maar nog heel kleine haringen, die de eerste paar larvale stadia hebben overleefd. Ze worden gevangen met een zogenaamd ‘MIK-net’ – een soort grote sok met een opening van 2m in doorsnede. Gegevens over het aantal 3 tot 4 maanden oude haringlarven zeggen iets over de jaarklassterkte, en hoeveel haringen er de komende jaren aan de maat zullen komen.
  • Het aantal jonge haringen van 1 tot 2 jaar oud. De jonge haring zit veel in de ondiepe wateren van de zuidelijke en oostelijke Noordzee; hun kraamkamergebieden. Hier worden ze bemonsterd met een bodemtrawl met een wijde opening aan de voorkant van het net. Deze gegevens (aantallen vissen per trek) lijken nog het meest op de survey-gegevens die verzameld worden voor schol en tong.

De paaistand van haring in de Noordzee volgens de bestandschatting van ICES in 2016.

De paaistand van haring in de Noordzee volgens de bestandschatting van ICES in 2016.

De visserijdruk van haring in de Noordzee volgens de bestandschatting van ICES in 2016.

De visserijdruk van haring in de Noordzee volgens de bestandschatting van ICES in 2016.

– De leeftijdsopbouw van de haringpopulatie in zee. Deze wordt bekeken met behulp van een jaarlijkse akoestische survey in de zomer, wanneer de haring druk aan het eten is ter voorbereiding op het paaien. Hierbij kruisen de onderzoeksschepen de hele Noordzee en gebruiken sonar om de aantallen haringen te schatten. Sonar zendt geluid uit en de scholen haring kaatsen signalen terug. Die ‘echo’ geeft informatie over de dichtheid van de scholen. Sommige van deze scholen worden bevist met een pelagische trawl. Van de gevangen vis wordt de leeftijd, het gewicht, en het aantal mannetjes en vrouwtjes bepaald. Dit wordt dan doorberekend naar de totale haringpopulatie.

2Bestandsschatting makreel en horsmakreel

Makreel en horsmakreel zijn zo weids verspreid door de zee dat het onmogelijk is om deze soorten net zo intensief te bemonsteren als haring. Het makreelbestand strekt zich uit van Groenland en Spitsbergen tot aan Zuid-Spanje. Daarbij kunnen makrelen niet geteld worden met behulp van de akoestische methoden, omdat makrelen geen zwemblaas hebben. En juist die zwemblaas is nodig om het akoestische signaal terug te kaatsen. Er wordt onderzocht of er toch mogelijkheden zijn om akoestische methoden te gebruiken voor de bestandsschatting van makreel.

Tijdens de bestandsschattingen worden er soms ook vreemde snuiters meegevangen.

Tijdens de bestandsschattingen worden er soms ook vreemde snuiters meegevangen.Wageningen Marine Research

Makreel en horsmakreel kennen wel de ei-survey, waarbij het aantal eieren wordt geteld. Dat gebeurt met een ‘plankton torpedo’, die de eieren die in het water drijven opvangt. Het aantal eieren wordt gebruikt om het aantal moederdieren te schatten, net zoals bij de haringlarven. In aanvulling op de makreel ei-survey, die al in het verleden werd gebruikt, worden nieuwe survey-data gebruikt voor het bepalen van de hoeveelheid jonge vis (bottom trawl survey op de westelijke continentale platen) en voor de hoeveelheid van volwassen vis (pelagische trawl survey in de Noorse Zee). Het assessment van makreel maakt nu ook gebruikt van terugmeldingen uit Noorwegen van vissen met ‘tags’. Die blijken bruikbaar om te compenseren voor de slechte kwaliteit van informatie over commerciële vangsten in de jaren voor het jaar 2000.

Omdat bij makreel en horsmakreel maar eens in de drie jaar een survey plaatsvindt, wordt voor deze soorten ook maar eens in de drie jaar een TAC vastgesteld. Natuurlijk geeft die ene survey in de drie jaar lang niet zoveel informatie als de vier jaarlijkse surveys die voor de haring worden uitgevoerd. Daarom is de bestandschatting van de makreel veel onzekerder dan die voor haring. Daarbij waren tot een paar jaar geleden de aanlandingscijfers van makreel niet nauwkeurig. Want makreel is een dure vis, waardoor vissers geneigd waren om meer te vangen dan was toegestaan. Dit speelde voornamelijk in Engeland en Ierland. Vanaf de jaren ’90 waren de vangsten van makreel ongeveer twee keer zo hoog als de officiële aanlandingscijfers. Sinds 2007 is het toezicht op de vangsten van makreel verbeterd. Nu wordt naast de aanvoersector, ook de handel en verwerking gecontroleerd op hoeveel makreel er precies aan land gebracht is. Daarom zijn de onzekerheden in de bestandschatting van makreel de laatste jaren ook minder groot.