Bestandschatting

Een onderzoeker zei ooit dat het tellen van vissen hetzelfde is als het tellen van bomen, met het verschil dat vissen bewegen en onzichtbaar zijn (want ze zitten onder water). Het is dus geen gemakkelijke klus om te bekijken hoeveel vis er in zee zwemt. In tropisch, helder water kun je vissen onder water wel zien en kun je ze letterlijk tellen. Als je dit op voldoende plaatsen doet, kun je ongeveer schatten hoeveel vis er in zee zit. Maar in de Noordzee, die erg troebel is, werkt deze methode niet. Daar moet je de omvang van het bestand op een andere manier schatten.

Deze bestandschatting, of toestandbeoordeling, wordt voor de Noordzee uitgevoerd door ICES, the International Council for the Exploration of the Sea, oftewel de Internationale Raad voor Zeeonderzoek. Zij schatten niet alleen de grootte van de visstand, maar ook de visserijdruk, of visserijsterfte (F), die de mens op het bestand uitoefent. Bij ICES werken onderzoekers uit 20 verschillende landen. Het Nederlandse instituut waarvan onderzoekers bij ICES werken is Wageningen Marine Research.

ICES gebruikt data van vangsten, het milieu en surveygegevens om advies voor quota te geven aan de EU.

ICES gebruikt data van vangsten, het milieu en surveygegevens om advies voor quota te geven aan de EU.ICES

1Waarom een bestandsschatting

Voor soorten die beheerd worden door middel van TAC’s (totale toegestane vangst) of quota, is het nodig om te weten hoeveel vis er in zee zwemt en hoe hoog de visserijdruk is. Immers, om als beheerder te kunnen bepalen hoeveel vis in een bepaald jaar probleemloos uit de Noordzee kan worden opgevist zonder dat het visbestand op de lange termijn in gevaar komt, is het van belang om te weten hoeveel vis er in totaal in zee rondzwemt. Daarom schatten onderzoekers van ICES de visstand op verzoek van de Europese Unie (EU). Voor de meeste soorten doen ze dat elk jaar opnieuw, omdat de EU voor die soorten elk jaar een TAC voor het volgende jaar wil kiezen. Sommige soorten zijn daarin uitzonderlijk. Een voorbeeld is horsmakreel, waarvan de TAC eens in de drie jaar wordt vastgesteld, dus waarvoor de bestandschatting ook maar eens in de drie jaar plaatsvindt.

Daarnaast is een bestandschatting nodig om te zien of het beheer door de tijd heen effectief is geweest. Als je schattingen van ontwikkelingen in de visstand afzet tegen de verschillende beheersinstrumenten en verschillende natuurlijke omstandigheden in diezelfde tijdsperiode, kun je beter zien welke invloed het beheer heeft gehad op de visbestanden.

Tot voor kort heeft het visserijbeheer in de Noordzee zich steeds gericht op het behouden van een minimale hoeveelheid ouderdieren in zee. Daarbij ging de aandacht vooral uit naar schattingen over de bestandsgrootte. Maar omdat het visserijbeheer zich tegenwoordig meer richt op het bereiken van de visserijdruk die de Maximaal Duurzame Oogst (MSY) oplevert, zal het schatten van de hoogte van de visserijsterfte waarschijnlijk meer aandacht gaan krijgen.

2Vangstsucces als maat voor de visstand

Er is uit onderzoek gebleken dat het vangstsucces van demersale vissen, zoals schol en tong, een afspiegeling kan zijn van ontwikkelingen in de visstand. Het vangstsucces kun je dan zien als relatieve maat voor de visstand. Het vertelt je of de visstand toe- of afneemt. Je kunt de visstand daarom beheren door alléén naar het vangstsucces van vissers te kijken. Dat doen ze bijvoorbeeld in veel tropische gebieden. Maar in de Noordzee wordt TAC-beheer uitgevoerd. En dat is alleen mogelijk wanneer bekend is hoeveel vis er in zee zit (de ‘absolute grootte’ van het bestand).

We kunnen de absolute hoeveelheid vis in zee niet meten, zoals je wel het vangstsucces kunt meten. Je kunt de visstand wel berekenen of schatten met behulp van een model. Daarom is nooit tot op de kilo nauwkeurig bekend hoeveel vis er in zee zit. Er zullen altijd onzekerheden zijn. Verderop in dit onderdeel lees je hoe groot die onzekerheden zijn en op welke manier daar in het TAC-beheer rekening mee wordt gehouden.

3Voor welke soorten is er een bestandsschatting

In de Noordzee wordt de bestandsgrootte geschat voor een aantal demersale soorten (bijvoorbeeld tong, schol en kabeljauw), een aantal pelagische soorten (zoals haring, makreel en sprot), voor Noorse kreeftjes en voor schelpdierbestanden zoals mosselen.

Garnalenbestanden zijn lastig in kaart te brengen, vandaar dat daar geen bestandsschattingen voor zijn.

Garnalenbestanden zijn lastig in kaart te brengen, vandaar dat daar geen bestandsschattingen voor zijn. Lamiot

Voor garnalen bestaat geen bestandschatting. Een reden daarvoor is dat het doen van een bestandsschatting voor garnalen moeilijk is, omdat gangbare methodes zoals gebruikt voor bijvoorbeeld platvis niet werken. Garnalen worden niet met TAC’s, maar met andere instrumenten beheerd. Voor zeebaars, harder, mul en poon, wordt nog geen quotum vastgesteld, dus ook geen bestandschatting uitgevoerd. Dit zijn zogenaamde ongequoteerde soorten. Tarbot en griet zijn bijzondere soorten omdat ze gequoteerd zijn, terwijl er geen bestandschatting wordt uitgevoerd.

4Bestandsschatting demersaal (tong en schol)

Voor tong en schol wordt de grootte van de visstand geschat met behulp van een model. Daarbij gaat het de beheerders niet om de biomassa (aantallen × gewicht) van de hele visstand, maar om de biomassa van de paairijpe schol of tong – de paaistand. Bijna alle maatse schol en tong is ook paairijp.

Om de omvang van de paaistand te kunnen berekenen gebruiken onderzoekers twee informatiebronnen:

  • De vangst van tong en schol door de visserij, zowel van jaren geleden als die van de meest recente jaren. Hiervan worden de aantallen en gewichten van tong en schol per leeftijd berekend: totale kilo’s schol van één jaar oud, van twee jaar oud, etc..
  • Het vangstsucces van de visserij en/of van onderzoeksschepen.

Hieruit blijkt wel hoe belangrijk informatie vanuit de visserij voor de bestandschatting is.

Hoe groot was de visstand vroeger

Om te begrijpen waarom informatie over de vangst zo belangrijk is voor de bestandschatting, moet eerst duidelijk zijn wat er met vissen in zee gebeurt nadat ze geboren zijn. Vissen die allemaal in hetzelfde jaar geboren zijn, behoren tot één jaarklasse.

Het volgende voorbeeld gaat over een verzonnen soort X. In het jaar 2000 zijn er van soort X 1000 vissen geboren. Die 1000 vissen behoren tot de ‘jaarklasse 2000’. De aantallen in die jaarklasse zullen door de tijd heen geleidelijk afnemen. Dat komt omdat vissen sterven naarmate ze ouder worden. In dit voorbeeld worden de vissen niet ouder dan 6 jaar. Dus aan het einde van het jaar 2006 zijn er geen vissen meer in zee die in het jaar 2000 geboren werden.

Aantalsverloop van de verzonnen jaarklasse 2000, waarin 1000 vissen geboren werden. De balkjes geven aan hoeveel vissen er aan het einde van elk jaar (x-as) in zee zaten.

Aantalsverloop van de verzonnen jaarklasse 2000, waarin 1000 vissen geboren werden. De balkjes geven aan hoeveel vissen er aan het einde van elk jaar (x-as) in zee zaten.

Alle vissen in zee gaan ooit dood. Dus de optelsom van alle dode vis is gelijk aan hoeveel vis er een paar jaar geleden in zee zat (zie onderstaande afbeelding). Een deel van het visbestand gaat dood door de visserij. Dat deel ligt op de afslagen en kun je precies weten en meten, mits de vis niet gediscard wordt en mits alle vis die aangevoerd wordt via de afslag in de boekhouding terecht komt. De vissen die niet gevangen worden en door natuurlijke oorzaken sterven zien we nooit op de afslag, maar dragen wel bij aan de omvang van de visstand.

Door alle dode vis bij elkaar op te tellen, valt de grootte van de jaarklasse 2000 te achterhalen, of te ‘reconstrueren’.

Door alle dode vis bij elkaar op te tellen, valt de grootte van de jaarklasse 2000 te achterhalen, of te ‘reconstrueren’.

Onderzoekers weten niet zeker hoeveel vissen er een natuurlijke dood sterven, want die vissen zie je nooit aan boord van een schip of op de afslag. Om die vissen toch mee te tellen in de berekening van de visstand schatten de ICES-onderzoekers de natuurlijke sterfte. Deze schatting stamt uit de tijd van rond de tweede wereldoorlog. Toen was er geen visserij, dus geen visserijsterfte. Door voor en na de oorlog de leeftijdsopbouw van de vispopulatie in zee te bepalen, kon de natuurlijke sterfte berekend worden. Onderzoekers nemen aan dat de natuurlijke sterfte sindsdien niet veranderd is.

Je kunt aan de hand van geregistreerde vangsten en een schatting van de natuurlijke sterfte berekenen hoe groot een jaarklasse in het verleden moet zijn geweest. Daarvoor is het noodzakelijk om de leeftijd van de vissen te weten. Onderzoekers achterhalen die leeftijd door in de afslagen een steekproef te nemen van de aangevoerde vissen. Dat heet ‘marktbemonstering’. Onderzoekers noteren van een aantal vissen de lengte en het gewicht per leeftijd. Als ze dit voor dat aantal vissen uit de steekproef hebben gedaan, weten ze ongeveer hoe de leeftijden, gewichten, en lengtes verhoudingsgewijs in de totale aanvoer voorkomen.

De leeftijd van een vis valt te bepalen door de botjes in de gehoorgangen van vissen te onderzoeken, de zogenaamde gehoorsteentjes of otolieten. Deze gehoorsteentjes groeien laagje voor laagje per jaar, en als je ze doorzaagt kun je door het aantal laagjes of jaarringen te tellen zien hoe oud de vis is.

Wanneer de leeftijden van de vissen in de aanvoer bekend zijn kan het verloop van elke jaarklasse door de tijd heen gereconstrueerd worden. Wanneer je die reconstructie voor elke jaarklasse doet, kun je uiteindelijk voor elk jaar de omvang van de verschillende jaarklassen in zee bij elkaar optellen. Hieronder zie je hoe je per jaar een optelsom zou kunnen maken van alle jaarklassen die op dat moment rondzwemmen. Die optelsom geeft ons een schatting van de totale hoeveelheid vis in een bepaald jaar in het verleden. Immers, op elk moment in de tijd bestaat de visstand in zee uit vissen van verschillende lengtes, gewichten en leeftijden.

Door verschillende jaarklassen bij elkaar op te tellen kun je een schatting maken van het aantal vissen in zee in een bepaald jaar.

Door verschillende jaarklassen bij elkaar op te tellen kun je een schatting maken van het aantal vissen in zee in een bepaald jaar.

Tot nu toe gaat het steeds over aantallen vissen. Maar de paaistand wordt berekend in gewicht, in kilo’s. Want onderzoekers rekenen de aantallen vissen om naar gewichten. Ze kunnen dat doen door in de marktbemonstering van zoveel mogelijk vissen van verschillende leeftijden het gewicht te bepalen. Wanneer ze dit vaak genoeg gedaan hebben, dan kun je voor vissen van een bepaalde leeftijd schatten hoe zwaar die geweest moeten zijn.

5Hoe groot is de visstand op dit moment

Voor het reconstrueren van de bestandsgrootte in het verleden worden alle vissen van een bepaalde jaarklasse die in de loop der jaren zijn gevangen bij elkaar opgeteld, met daar bovenop een aangenomen percentage natuurlijke sterfte. Maar het is moeilijker om te schatten hoe groot de omvang van het bestand op dit moment is. Want alle vissen die nu in zee zitten zullen pas in de komende jaren zichtbaar worden in de vangst.

Vissen die bijvoorbeeld in 2016 geboren worden (jaarklasse 2016) zijn één-jarig in 2017 en tweejarig in 2018. Omdat van de jongere jaarklassen zoals die van 2016 nog niet alle vis is gevangen, blijven de bestandschattingen voor de meest recente jaren onzeker. Net zo lang tot al die jaarklassen door de visserij zijn gevangen of door een natuurlijke oorzaak dood zijn gegaan. Dan pas kunnen onderzoekers de totale omvang van een jaarklasse in het verleden reconstrueren met behulp van de vangsten. En voor schol en tong is dat na ongeveer 10 jaar: hun maximale leeftijd.

6Het vangstsucces als ijkserie

Toch kunnen onderzoekers schatten hoe de visstand zich de afgelopen 10 jaar heeft ontwikkeld en hoe hoog de visstand nu ongeveer is. Dat doen ze door gebruik te maken van informatie over het vangstsucces (bijvoorbeeld kilo schol of tong per trek of per dag). Het vangstsucces is de tweede informatiebron die onderzoekers gebruiken wanneer ze de visstand inschatten: ofwel dat van de visserij zelf, ofwel dat van onderzoeksschepen.

Met het vangstsucces worden de onzekere modeluitkomsten voor de meest recente jaren ‘geijkt’. Dat wil zeggen, de ontwikkelingen in de paaistand op grond van het model, worden naast de ontwikkelingen in het vangstsucces van de onderzoeksschepen en de visserij gelegd, om zo de meest waarschijnlijke schatting van de visstand te krijgen. Onderzoekers kunnen zo zien dat wanneer het vangstsucces bijvoorbeeld stijgt, het waarschijnlijk is dat de visstand ook stijgt. In onderstaande afbeelding zie je hoe dat ongeveer gaat.

Het vangstsucces wordt gebruikt om de paaistand in het recente verleden te ijken. De zwarte doorgetrokken lijn is het verloop van de gereconstrueerde paaistand tot 10 jaar geleden, die kon worden teruggerekend door het optellen van de vangsten en aannames over natuurlijke sterfte. De zwarte gestippelde lijnen zijn 3 modeluitkomsten over hoe de paaistand zich mogelijk daarna, in meer recente jaren heeft ontwikkeld. De rode lijn (met bijbehorende de tweede, rode y-as) is het vangstsucces van onderzoeksschepen of van de visserij, die een relatieve maat is voor de visstand. De grijze pijl wijst modeluitkomst 2 aan die het meest overeenkomt met de veranderingen in het vangstsucces: dat is ijken. Deze modeluitkomst is daarom het meest waarschijnlijke verloop in de paaistand van de afgelopen 10 jaar.

Het vangstsucces wordt gebruikt om de paaistand in het recente verleden te ijken. De zwarte doorgetrokken lijn is het verloop van de gereconstrueerde paaistand tot 10 jaar geleden, die kon worden teruggerekend door het optellen van de vangsten en aannames over natuurlijke sterfte. De zwarte gestippelde lijnen zijn 3 modeluitkomsten over hoe de paaistand zich mogelijk daarna, in meer recente jaren heeft ontwikkeld. De rode lijn (met bijbehorende de tweede, rode y-as) is het vangstsucces van onderzoeksschepen of van de visserij, die een relatieve maat is voor de visstand. De grijze pijl wijst modeluitkomst 2 aan die het meest overeenkomt met de veranderingen in het vangstsucces: dat is ijken. Deze modeluitkomst is daarom het meest waarschijnlijke verloop in de paaistand van de afgelopen 10 jaar.

7Welk vangstsucces wordt gebruikt

Het vangstsucces wordt in de bestandschatting gebruikt als relatieve maat voor de visstand. Echter, we hebben gezien dat het vangstsucces veranderingen in de visstand kan weerspiegelen, mits de vloot niet steeds efficiënter gaat vissen. Daarom worden in elk geval de vangstsucces-series van de onderzoeksschepen zoals de Isis en de Tridens gebruikt in de bestandschatting. Want die schepen vissen elk jaar op dezelfde manier: op dezelfde plekken door de hele Noordzee heen, in hetzelfde jaargetijde, met dezelfde vissnelheid, met dezelfde netten, enzovoorts. De onderzoeksschepen vissen dus ‘gestandaardiseerd’. Hun vangst efficiëntie verandert daarom niet. Daarom kun je zeggen dat wanneer de Tridens in een bepaald jaar twee keer zoveel vis vangt voor dezelfde hoeveelheid inspanning (dus een dubbel zo hoog vangstsucces heeft) als in het jaar daarvoor, er waarschijnlijk ook twee keer zo veel vis in zee zit als het jaar daarvoor.

Een voorbeeld van de verspreiding visgebieden van Isis (links) en de Tridens (rechts) tijdens de boomkorsurvey. De Isis vist dichtbij de kust en doet minimaal twee trekken per gebied (cijfers in linker plaatje = aantal trekken), de Tridens vist verder weg van de kust en doet één trek per gebied.

Een voorbeeld van de verspreiding visgebieden van Isis (links) en de Tridens (rechts) tijdens de boomkorsurvey. De Isis vist dichtbij de kust en doet minimaal twee trekken per gebied (cijfers in linker plaatje = aantal trekken), de Tridens vist verder weg van de kust en doet één trek per gebied.

De onderzoeksschepen Isis en Tridens doen jaarlijks onderzoek naar veranderingen in de Noordzee, zowel van de visstand als van bodemdieren. Deze reizen worden vaak ‘surveys’ genoemd. Een ander woord waarmee ze worden aangeduid is ‘bestandsopname’. Dit is een verwarrend woord, want ‘bestandsopname’ doet vermoeden dat je van de visstand een soort foto kunt maken en dat je zo de omvang van de visstand in kan schatten. Maar zo werkt het niet, want de surveys zijn slechts een onderdeel in de gehele bestandschatting.

Veel platvis-vissers hebben kritiek op de vangstmethode en uitrusting van onderzoeksschepen. Volgens vissers is het tuig van de Isis en de Tridens te klein, te licht en verouderd, waardoor het aantal kilo’s vis dat per half uur gevangen wordt, veel minder is dan voor een bedrijfsschip. Dit geeft volgens veel vissers geen betrouwbaar beeld van de visstand.

Het is inderdaad zo dat de Tridens en de Isis in absolute hoeveelheden veel minder vangen dan een commercieel schip. Dat zal geen onderzoeker ontkennen. Maar dat wilt niet zeggen dat onderzoeksschepen daarom geen betrouwbare maat voor de visstand zijn. Want wanneer deze tijdsreeksen van het vangstsucces in de bestandschatting worden gebruikt, gaat het niet om de absolute hoeveelheden. Het gaat om de relatieve verandering: de verschillen tussen de jaren. En als het goed is, laten onderzoeksschepen en bedrijfsschepen dezelfde relatieve veranderingen zien. Zo zie je in de grafieken hieronder dat zowel het vangstsucces van onderzoeksschepen als dat van bedrijfsschepen laat doorschemeren dat de scholstand afnam na 1990 en weer toenam na 2005.

In 2010 bleek dat de onderzoeksschepen en een bedrijfsschip een vangst hadden die vergelijkbaar was met de samenstelling van de grootte, maar dat het bedrijfsschip wel veel meer kilo’s vis per trek ving. Wanneer de resultaten van zo’n bedrijfssurvey gebruikt zouden worden om de paaistand te ijken, betekent dit dus niet dat de schatting van de paaistand hoger zal worden omdat een bedrijfsschip meer kilo’s vis per trek vangt. Het kan wel zo zijn dat de schatting van de paaistand zekerder wordt, omdat met een bedrijfsschip meer vis bemonsterd en geteld wordt en relatieve veranderingen van jaar tot jaar mogelijk beter gevolgd kunnen worden. Meer zekerheid in de hoogte van de paaistand in recente jaren zou ook kunnen leiden tot minder grote bijstellingen in de hoogte van de paaistand achteraf.

Samengevat, de paaistand van tong en schol wordt berekend in een model door het optellen van vangsten in het verleden (reconstructie) + door te vergelijken met het vangstsucces van visserij en/of onderzoeksschepen (surveys) in de meest recente jaren (ijken).

8Onzekerheden en bijstellingen

In de huidige methode van de bestandschatting zijn onzekerheden over de grootte van de visstand tot ongeveer 10 jaar terug in het verleden onvermijdelijk. Het is daarom mogelijk dat de geschatte omvang van de paaistand in recente jaren wordt bijgesteld wanneer onderzoekers van ICES weer een nieuwe bestandschatting uitvoeren.

De afbeelding hieronder laat bijvoorbeeld zien hoe de scholstand tussen 1992 en 2003 destijds is overschat, terwijl de scholstand tussen 2003 en 2008 onderschat werd, althans in vergelijking met de schatting uit 2010 (zwarte lijn). Bij deze vergelijking moeten we wel rekening houden dat in deze schatting de omvang van de paaistand voor begin 2010 het meest onzekere punt is. De onzekerheden kunnen zo groot zijn dat het mogelijk is dat dit punt in de schatting in een nieuwere bestandschatting 40% hoger of lager blijkt te liggen.

Bijstellingen in de bestandschatting van schol. Zwarte lijn = meest recente schatting van ontwikkelingen in de paaistand (ICES 2010). Rode cirkels = meest recente schatting in dat betreffende jaar door ICES.

Bijstellingen in de bestandschatting van schol. Zwarte lijn = meest recente schatting van ontwikkelingen in de paaistand (ICES 2010). Rode cirkels = meest recente schatting in dat betreffende jaar door ICES.

Over de onzekerheden in de meest recente schattingen wordt gecommuniceerd door onderzoekers en beleidsmakers. Beleidsmakers houden ook rekening met de onzekerheden in het vaststellen van de TAC door het voorzorgprincipe toe te passen. Toch roepen de onzekerheden en jaarlijkse bijstellingen in de bestandschatting bij veel vissers frustraties en wantrouwen op.

9Vissers kritisch over de bestandschatting

Veel vissers volgen de bestandschatting met een kritische blik. Sommigen vertrouwen de geschatte paaistand helemaal niet. Zij geloven niet dat de geschatte paaistand overeenkomt met de werkelijke visstand. Dit heeft drie oorzaken.

Ten eerste wordt de paaistand geschat voor de hele Noordzee. Maar een visser is vaak maar in een bepaald deel van de Noordzee actief. Daarom kan de verandering in de visstand op basis van schattingen voor de totale Noordzee er anders uitzien dan de verandering die een individuele visser afleest aan zijn vangstsucces.

Ten tweede wekken de jaarlijkse bijstellingen in de geschatte paaistand wantrouwen op. Wanneer de schatting voor een bepaald jaar, het volgende kalenderjaar weer wordt bijgesteld, wordt vanuit de visserij vaak gezegd: ‘de biologen hadden het weer mis!’. Dat maakt de geschatte paaistand als maat voor de visstand in de ogen van vissers minder geloofwaardig.

Het spandoek reageert op het feit dat de ICES- onderzoekers in 2009 de recente ontwikkelingen in paaistand positiever inschatten dan dat ze in 2008 deden.

Het spandoek reageert op het feit dat de ICES- onderzoekers in 2009 de recente ontwikkelingen in paaistand positiever inschatten dan dat ze in 2008 deden. Visserijnieuws

Ten derde zeggen veel vissers dat de paaistand onderschat wordt omdat de aanvoer laag is door een knellend quotum. Maar het is niet zo dat de aanvoer in een bepaald jaar zo hoog mogelijk moet zijn om te kunnen zien dat er veel vis in zee zit. Dit blijkt wel uit de ontwikkelingen in het vangstsucces van de onderzoeksschepen. Want dit vangstsucces draagt bij aan de schatting van de recente ontwikkelingen in de paaistand. En omdat het vangstsucces van de surveys niet wordt belemmerd door een knellende TAC, kunnen veranderingen in de visstand toch gevolgd worden.