De visstand als kapitaal

In het beheer van Noordzeevisserij wordt naar het vangstsucces gekeken, maar ook de totale hoeveelheid vis in zee wordt berekend. Visserijbiologen doen dit op verzoek van de beheerder. We gaan nu eerst bekijken waardoor de visstand verandert en hoe je daar iets aan kunt sturen.

Je kunt de visstand zien als een kapitaal met winst en verlies. De stand aan maatse vis verandert voortdurend vanwege vier hoofdoorzaken (zie onderstaande afbeelding) . De visstand neemt toe doordat er nieuwe vis geboren wordt, groeit en aan de maat komt. En de stand neemt af omdat vissen dood gaan. Een deel van die vissen wordt opgegeten door roofvissen of sterft vanwege ziekte of ouderdom. Dat is de natuurlijke sterfte. Het andere deel gaat dood omdat het gevangen wordt door de visserij. Rond 1995 ging er ruwweg 5 keer zoveel maatse schol dood door de visserij als door natuurlijke oorzaken. Dus van iedere 100 maatse schollen die dood gingen, belandden er ongeveer 80 op de afslag.

De omvang van de stand aan maatse vis verandert voortdurend door vier factoren: jonge aanwas, groei, natuurlijke sterfte, en vangst door de visserij. Met biomassa = aantallen × gewicht, uitgedrukt in kilo’s.

De omvang van de stand aan maatse vis verandert voortdurend door vier factoren: jonge aanwas, groei, natuurlijke sterfte, en vangst door de visserij. Met biomassa = aantallen × gewicht, uitgedrukt in kilo’s.ProSea

Beheerders zijn met name geïnteresseerd in de stand aan paairijpe vis. Dat is de volwassen vis die zich kan voortplanten. Bij tong en schol is de meeste maatse vis ook paairijp. De paaistand van tong en schol is daarom ongeveer gelijk aan de stand aan maatse vis. Voor sommige andere soorten is dit niet het geval. Bij kabeljauw bijvoorbeeld is vis die je mag aanlanden, en dus maats is, 35 cm. Terwijl kabeljauw pas paairijp wordt bij ongeveer 55 cm. We gaan nu twee van de factoren die de visstand beïnvloeden nader bekijken: de jonge aanwas (natuur) en de visserijsterfte (mens).

1Jonge aanwas

Een van de natuurlijke invloeden die het meest bepalend is voor hoeveel vis er in zee zit, is hoeveel vis er geboren wordt: de jonge aanwas. De hoeveelheid jonge aanwas van vis van leeftijd 1 heet ‘rekrutering’. Als er in een jaar veel jonge vis geboren wordt heet dat een sterke jaarklasse. Als de vissen uit zo’n topjaar eenmaal aan de maat zijn, zorgen ze voor een verhoging van het visbestand en van het vangstsucces.

Tong is typisch een vissoort, waarvan de visstand sterk gestuurd wordt door sterke jaarklassen. In de grafiek hieronder zie je dat de jonge aanwas van tong flink kan pieken. Schol kent niet echt van die piekjaren. Kabeljauw zit daar tussenin.

Het aantal 1-jarige rekruten voor tong (links) en schol (rechts).

Het aantal 1-jarige rekruten voor tong (links) en schol (rechts). ICES, 2010

Heek en horsmakreel zijn typisch soorten met van jaar op jaar grote verschillen in de rekrutering. Jaren achter elkaar is er weinig jonge aanwas en dan ineens is er een jaar waarin er tientallen keren meer jonge heek of horsmakreel rondzwemt. Horsmakreel produceert elke 25-30 jaar een sterke jaarklasse. De patronen van andere pelagische vissoorten zijn meer variabel. Een goed voorbeeld is makreel. Deze vis kent periodes met een heel veranderlijke rekrutering, maar ook periodes met relatief stabiele rekrutering.

Hoe dat komt, plotseling zo’n topjaar met een hoge rekrutering? Onderzoekers vermoeden dat dat sterk afhangt van de natuur. Temperatuur, voedselaanbod en overleving voor de jonge vis kunnen in een bepaald jaar alle drie meezitten. Voor tong lijkt het er op dat een strenge winter kan leiden tot een sterke jaarklasse in de lente daarna. Maar de natuur kan ook tegen zitten en dan is de rekrutering laag. Een voorbeeld is Noordzee haring, die vanaf het begin van deze eeuw acht jaar achtereen weinig jonge aanwas had. Dat kwam doordat het zeemilieu zodanig was veranderd dat de hele jonge haring, die als larve nog onderdeel is van het plankton, slecht overleefde.

Een logische gedachte is dat ook het aantal ouderdieren bepaalt hoeveel jonge aanwas er is. Voor sommige soorten, zoals kabeljauw en haring, was de rekrutering in de geschiedenis inderdaad laag wanneer de paaistand laag was. Maar voor andere soorten, zoals schol en tong, is dat verband minder zichtbaar en lijkt de natuur een meer bepalende rol te spelen in de hoogte van de jonge aanwas.

Schommelingen in de rekrutering horen dus bij het normale natuurlijke systeem. Daar heb je als visser weinig invloed op. Maar je hebt als visser wel invloed op hoe snel je die jaarklasse opvist, of hoe lang je hem ‘bewaart’.

Hoe aanwas van jonge vis invloed heeft op de visstand en het vangstsucces zie je in de afbeeldingen hieronder.

Hier zie je de ontwikkelingen in de paaistand (rode lijn) en jonge aanwas (zwarte balken) van tong in de Noordzee sinds 1958.

Hier zie je de ontwikkelingen in de paaistand (rode lijn) en jonge aanwas (zwarte balken) van tong in de Noordzee sinds 1958.ICES, 2010

 Het gemiddelde vangstsucces van alle tongvissers in de Noordzee sinds 1978.

Het gemiddelde vangstsucces van alle tongvissers in de Noordzee sinds 1978. ICES, 2010

2Visserijsterfte

Als het gaat over de invloed van de mens op de visstand, gaat het vaak over ‘visserijsterfte’ of kortweg ‘F’. De visserijsterfte is niet de absolute vangst in kilo’s, maar is de relatieve vangst, oftewel de vangst ten opzichte van de visstand die gemiddeld gedurende een bepaalde tijdsperiode in zee zit. F wordt vaak uitgedrukt per jaar.

Gedurende het jaar zit er aan biomassa (totale hoeveelheid kilo’s vis in zee) niet steeds evenveel vis in zee. Zo is de scholstand bijvoorbeeld aan het begin van het jaar nog niet zo groot. Dan komt de schol net de winter uit, is mager en is bezig met de voortplanting. In de lente en zomer neemt de visstand aan biomassa toe, want de schollen hebben veel te eten en groeien in gewicht. In het najaar en richting de winter neemt de scholstand weer wat af, want dan nemen de hoeveelheid voedsel en de groeisnelheid af. Dat is een natuurlijk verloop. Gedurende dat jaar kun je dus een gemiddelde berekenen voor de biomassa vis in zee. En dat gemiddelde wordt gebruikt in het berekenen van F.

De formule voor het berekenen van de visserijsterfte, waarbij ook visserijdruk als synoniem voor visserijsterfte gebruikt kan worden.

De formule voor het berekenen van de visserijsterfte, waarbij ook visserijdruk als synoniem voor visserijsterfte gebruikt kan worden. ProSea

Visserijsterfte is niet hetzelfde als visserij-inspanning. Visserij-inspanning is de activiteit van de vloot vermenigvuldigd met de vangstcapaciteit van de vloot. Visserij-inspanning levert vangst op. En wanneer je die vangst deelt door de gemiddelde bestandsgrootte, dan krijg je de visserijsterfte F per tijdseenheid.

Vaak is F een getal tussen 0 en 1. Als F hoog is, bijvoorbeeld 0,8, wordt er relatief veel vis van het bestand weggevangen. Bij een lage F, bijvoorbeeld 0,1, wordt er relatief weinig vis gevangen ten opzichte van het bestand. De F kan ook hoger zijn dan 1,0. Dat gebeurt wanneer de totale vangst gedurende het jaar hoger is dan het visbestand dat gemiddeld gedurende dat jaar in zee zit. Dit kan voorkomen wanneer de productie van een visbestand erg hoog is. Dan wordt er veel jonge vis geboren en groeit deze vis zo snel dat die in datzelfde jaar al aan de maat komt en gevangen kan worden.

Hier zie je een voorbeeld voor het berekenen van de visserijsterfte. In situatie A zie je de gemiddelde bestandsgrootte van een onbevist visbestand en in situatie B zie je dat een deel van het bestand weggevangen wordt door de visserij.

Hier zie je een voorbeeld voor het berekenen van de visserijsterfte. In situatie A zie je de gemiddelde bestandsgrootte van een onbevist visbestand en in situatie B zie je dat een deel van het bestand weggevangen wordt door de visserij. ProSea & Modelbouwtekeningen.nl (schip)

Als we doorgaan op het voorbeeld van de afbeelding hierboven, is de gemiddelde bestandsgrootte in dit voorbeeld zonder bevissing als volgt:

  • 6 maatse vissen van gemiddeld 0,5 kilo per stuk
  • 6 ondermaatse vissen van 0,1 kilo per stuk

Daarmee komt de gemiddelde bestandsgrootte in situatie A op 3,6 kilo (6 x 0,5 + 6 x 0,1). In situatie B worden de 6 maatse vissen weggevangen. In totaal wordt er dus 3 kilo (6 x 0,5) gevangen. Nu weet je dus de gemiddelde bestandsgrootte (3,6) en de vangst (3) en kun je de formule invullen. Die ziet er dan als volgt uit:

Visserijsterfte = 3 : 3,6 = 0,83

De visserijsterfte, oftewel F, voor dit jaar bedraagt dus 0,83 voor dit voorbeeld.

3Mens of natuur

Of de natuur meer invloed heeft op de visstand dan de mens kun je niet zomaar zeggen. Dat verschilt per vissoort en per situatie. Je kunt soms wel duidelijk effecten van natuur of de mens onderscheiden. Een jaar met sterke rekrutering kan bijvoorbeeld een paar jaar later voor een duidelijke opleving van de visstand zorgen. Maar wanneer je veranderingen in de visstand probeert te verklaren, moet je altijd kijken naar zowel natuurlijke als menselijke factoren. Zo kun je bijvoorbeeld de toe- en afname van de paaistand van schol proberen te verklaren door ontwikkelingen in de aanwas en de vangst van schol, zie de afbeeldingen hieronder.

De paaistand van schol uitgedrukt in 1000 tonnen.

De paaistand van schol uitgedrukt in 1000 tonnen.ICES, 2015

Het aantal 1-jarige rekruten schol uitgedrukt in miljarden.

Het aantal 1-jarige rekruten schol uitgedrukt in miljarden. ICES, 2015

Scholvangsten en discards uitgedrukt in 1000 tonnen.

Scholvangsten en discards uitgedrukt in 1000 tonnen. ICES, 2015

Invloed van de mens op de visstand

Over de invloed van de mens op de visstand weten we drie dingen zeker.

  • Ten eerste zorgt een hoge visserijdruk er voor dat de natuurlijke schommelingen in de visstand extremer worden.
  • Ten tweede geldt dat hoe hoger de visserijdruk, hoe minder vis er gemiddeld op termijn in zee rondzwemt.
  • Ten derde is het zo dat wanneer de visserijdruk hoger is, de vis in zee (en ook in de vangst) gemiddeld kleiner en jonger is of blijft.

Dit laatste punt is wel interessant, want wanneer de visserijdruk gedurende langere tijd hoog is, dan zit er op de lange duur dus gemiddeld gezien meer kleine en jonge vis in zee. Als gevolg daarvan gaan vissen zoals tong zich op jongere leeftijd al voortplanten. Want de natuur past zich aan en als juist de grote vissen gevangen worden, gaan vissen zich eerder voortplanten om zo op tijd voor nageslacht te kunnen zorgen. Dat klinkt op zich mooi. Maar het kan problemen opleveren omdat eieren van grote oude moedervissen hogere kansen hebben om uit te komen dan eieren van kleinere jongere moedervissen. Daarnaast zijn er gevolgen voor de opbrengsten in de visserij. Want kleine marktsorteringen brengen op de afslag over het algemeen minder op.

Hoe zit dat in de Noordzee? Over het algemeen is de visserijdruk op de visbestanden in de Noordzee na 1960 toegenomen en pas sinds het begin van de 21e eeuw afgenomen. Tegelijkertijd is de gemiddelde grootte van vissen in de Noordzee gedurende de laatste 50 jaar afgenomen. Dat hebben onderzoekers gemeten door te kijken naar hoeveel grote, oude vissen er door de tijd heen werden aangevoerd.

Het percentage vissen groter dan 25 cm in het vangstgewicht is sinds 1970 afgenomen. De blauwe punten geven het jaarlijks aandeel weer en de blauwe lijn toont het 5 jarig gemiddelde. Dat betekent dat het punt op de blauwe lijn voor bijvoorbeeld het jaar 1980 berekend is door het gemiddelde te berekenen van de blauwe punten van de 5 omliggende jaren (1978-1982). Zo’n gemiddelde maakt het makkelijker om een verandering (trend) te zien.

Het percentage vissen groter dan 25 cm in het vangstgewicht is sinds 1970 afgenomen. De blauwe punten geven het jaarlijks aandeel weer en de blauwe lijn toont het 5 jarig gemiddelde. Dat betekent dat het punt op de blauwe lijn voor bijvoorbeeld het jaar 1980 berekend is door het gemiddelde te berekenen van de blauwe punten van de 5 omliggende jaren (1978-1982). Zo’n gemiddelde maakt het makkelijker om een verandering (trend) te zien. IMARES

In bovenstaande afbeelding zie je dat het aandeel van vissen groter dan 25 cm in de totale vangst uit de Noordzee minder is geworden. Vóór 1980 bestond meer dan 30% van het vangstgewicht uit vissen groter dan 25 cm. Dat percentage ligt tegenwoordig onder de 10%. Deze verandering in de vangst is een afspiegeling van de verandering die plaats heeft gevonden in de vispopulatie in zee.

Vertragingstijd en natuurlijke variatie

Bij veranderingen in de visstand moet je er rekening mee houden dat de visstand zich maar langzaam aanpast aan nieuwe omstandigheden, zoals een veranderende visserijdruk. Dit is de vertragingstijd (zie onderstaande afbeelding). Stel dat de visserijdruk morgen plotseling halveert doordat het aantal vissersschepen met de helft afneemt en dat blijft de komende 10 jaar zo. Dan zal de visstand niet direct mee veranderen. Maar een kleinere vloot vangt minder vis, waardoor de visstand in de maanden en jaren daarna geleidelijk zal toenemen. Dat is de vertragingstijd: het visbestand verandert niet meteen wanneer de visserijdruk verandert, maar wel na een tijdje.

Veranderingen in de visserijdruk (rood) leiden niet (altijd) direct tot veranderingen in het visbestand (blauw). Als de visserijdruk vandaag gehalveerd zou worden, dan zal er niet meteen weer 2 keer zoveel vis in zee zitten. Dat heeft tijd nodig en dit wordt ook wel de vertragingstijd genoemd.

Veranderingen in de visserijdruk (rood) leiden niet (altijd) direct tot veranderingen in het visbestand (blauw). Als de visserijdruk vandaag gehalveerd zou worden, dan zal er niet meteen weer 2 keer zoveel vis in zee zitten. Dat heeft tijd nodig en dit wordt ook wel de vertragingstijd genoemd. ProSea

Wanneer je wilt bepalen wat de invloed van alleen de visserij op de visstand is, dan is dat lastig, want schommelingen in de visstand die gestuurd worden door de natuur spelen daar altijd doorheen. Wanneer je voorspellingen wilt doen over de toekomst wordt het nog moeilijker, want de natuur is redelijk onvoorspelbaar. Onderzoekers die de beheerder adviseren over het effect van bepaalde toekomstige maatregelen op de visstand, gaan daarom vaak uit van de aanname dat de natuur constant is, of niet verandert. In werkelijkheid is dat niet zo, maar op deze manier is het mogelijk om na te denken over het effect van alleen de visserij op de visstand.

Als je de visserijdruk zou halveren, dan verwacht je dat het visbestand zal toenemen volgens de blauwe gestippelde lijn. Maar de invloed van de natuur wisselt sterk en is onvoorspelbaar. Daardoor kan de toename van het visbestand in werkelijkheid heel anders verlopen (groene lijn).

Als je de visserijdruk zou halveren, dan verwacht je dat het visbestand zal toenemen volgens de blauwe gestippelde lijn. Maar de invloed van de natuur wisselt sterk en is onvoorspelbaar. Daardoor kan de toename van het visbestand in werkelijkheid heel anders verlopen (groene lijn). ProSea

4Evenwichtssituaties

Vanwege die natuurlijke variatie en vertragingstijd in de visserij spreken we in het beheer over evenwichtssituaties. Wanneer de stand aan maatse vis nauwelijks verandert is er sprake van een evenwichtssituatie. In een evenwichtssituatie is de biomassa (aantallen × kilo’s) die het visbestand produceert door jonge aanwas en lichaamsgroei van individuele vissen ongeveer net zoveel als de hoeveelheid die geoogst wordt door de visserij. Er lijkt dus niets te veranderen, maar ondertussen komt er aan kilo’s aan maatse vis in zee net zoveel bij, als wat er vanaf gaat.

Bij iedere visserijdruk past een visbestand met een bepaalde omvang. Blijft die visserijdruk een aantal jaren constant, dan stelt zich een nieuwe evenwichtssituatie in. Even een voorbeeld: stel dat de vloot van de ene op de andere dag verdubbelt. Na de vertragingstijd is er een nieuwe evenwichtssituatie ingesteld waarbij de visserij in totaal weer net zoveel kilo’s vis vangt als er per saldo bij het bestand aangroeit. Maar er zit dan minder vis in zee, het vangstsucces is lager, dus de totale oogst van alle vissers samen zal ook lager uitvallen.