Beheren van een veranderlijke visstand

Vissers oogsten hun vis van de visstand. Die visstand kun je zien als een kapitaal op de bank met winst en verlies. Als visser oogst je van dit kapitaal, dat de hele tijd groeit en krimpt. De omvang van dat kapitaal, en hoeveel ‘rente’ je hebt, beïnvloed je niet alleen als visser, maar ook de natuur zorgt er voor dat de visstand steeds toe- en afneemt. Hoe valt hier nou iets aan te sturen en te beheren? Om daar iets zinnigs over te zeggen kijken we eerst naar de inzet van de Nederlandse vloot. Hierbij letten we op de visgebieden van de vloot en hoe hoog de visserij-inspanning van de Nederlandse vloot is.

Het binnenhalen van een visnet.

Het binnenhalen van een visnet. RVO

1Visserij inspanning

Visserij-inspanning is de activiteit van de vloot maal het vermogen van die vloot om vis te vangen (vangstcapaciteit). De activiteit is het aantal dagen dat een schip op zee doorbrengt. Vangstcapaciteit is moeilijker te definiëren. Ruwweg is dat het aantal schepen, en preciezer is vangstcapaciteit ook de grootte van de schepen (bruto tonnage), het motorvermogen, het type netten, etc. Visserij- inspanning kun je daarom op een groot aantal manieren berekenen, van heel precies tot minder precies.

De formule voor het berekenen van de visserij-inspanning.

De formule voor het berekenen van de visserij-inspanning.ProSea

Meestal wordt de visserij-inspanning uitgedrukt in pk-dagen. Die krijg je door het motorvermogen te combineren met het aantal zeedagen. Als een kotter met een 2000 pk motor één dag gaat vissen, is zijn visserij-inspanning 2000 pk-dagen.

Vangstcapaciteit van de vloot, hier verbeeld in het aantal boten, de grootte van die boten en het aantal netten. In dit voorbeeld is de vangstcapaciteit van het rechter plaatje groter dan het linker plaatje. Hetzelfde geldt wanneer je de bovenste plaatjes (kleinere vangstcapaciteit) vergelijkt met de onderste (grotere vangstcapaciteit).

Vangstcapaciteit van de vloot, hier verbeeld in het aantal boten, de grootte van die boten en het aantal netten. In dit voorbeeld is de vangstcapaciteit van het rechter plaatje groter dan het linker plaatje. Hetzelfde geldt wanneer je de bovenste plaatjes (kleinere vangstcapaciteit) vergelijkt met de onderste (grotere vangstcapaciteit). ProSea

Een Eurokotter met 300 pk die één dag vist, heeft een visserij-inspanning van 300 pk- dagen. En als die Eurokotter 4 dagen heeft gevist is zijn visserij-inspanning dus 4 × 300 = 1200 pk-dagen. Als voorbeeld kijken we naar de visserij-inspanning van de Nederlandse kottervloot die op tong en schol vist.

De visserij-inspanning voor de Nederlandse kottervloot in de afgelopen jaren. In 2014 bedroeg de visserij-inspanning 11 x 100.000 pk-dagen voor diversen, 41 x 100.000 pk-dagen voor flyshoot, 48 x 100.000 pk-dagen voor garnalen, 192 x 100.000 pk-dagen voor puls, 42 x 100.000 pk-dagen voor SumWing en 6 x 100.000 pk-dagen voor boomkor.

De visserij-inspanning voor de Nederlandse kottervloot in de afgelopen jaren. In 2014 bedroeg de visserij-inspanning 11 x 100.000 pk-dagen voor diversen, 41 x 100.000 pk-dagen voor flyshoot, 48 x 100.000 pk-dagen voor garnalen, 192 x 100.000 pk-dagen voor puls, 42 x 100.000 pk-dagen voor SumWing en 6 x 100.000 pk-dagen voor boomkor. www.agrimatie.nl, LEI

2De aanvoer

De visserij-inspanning levert natuurlijk wat op, namelijk je vangt. Deze vis kun je aan land brengen. De visaanvoer uit de Noordzee bestaat grofweg uit:

  • Demersale vissoorten, schol en tong; en
  • Pelagische vissoorten, vooral haring, blauwe wijting en (hors)makreel.

De aanvoer van demersale en pelagische soorten voor de Nederlandse visserij. In 2015 bedroeg de aanvoer van demersale soorten 79 miljoen kilo en voor de pelagische soorten 239 miljoen kilo. Daarmee kwam de aanvoer in totaal uit op 331 miljoen kilo in 2015.

De aanvoer van demersale en pelagische soorten voor de Nederlandse visserij. In 2015 bedroeg de aanvoer van demersale soorten 79 miljoen kilo en voor de pelagische soorten 239 miljoen kilo. Daarmee kwam de aanvoer in totaal uit op 331 miljoen kilo in 2015.www.agrimatie.nl, LEI

Scholaanvoer

Eind jaren ’80 van de vorige eeuw was de scholaanvoer heel hoog. Toen was de natuur welgezind: nooit werden er zoveel jonge schollen geboren als in 1986. Dat heet een sterke jaarklasse. Onderzoekers vinden het tot op de dag van vandaag moeilijk te verklaren waarom er soms veel en soms weinig jonge vissen worden geboren. Na ongeveer twee jaar groeien kwamen de schollen geboren in 1986 aan de maat en begonnen vissers ze terug te zien hun netten. Omdat destijds de vloot ook erg groot was konden er vele kilo’s aan schol opgevist worden.

De vangsten (landings) en discards voor schol in de Noordzee sinds 1980 tot 2016.

De vangsten (landings) en discards voor schol in de Noordzee sinds 1980 tot 2016. ICES

In de jaren erna werd er minder schol aangevoerd. Dit kwam doordat het scholbestand kleiner werd na 1990, waardoor de toegestane vangst (het quotum) verlaagd werd. Daarmee daalde ook de aanvoer. Pas in 2009 en 2010 werd het vangstquotum voor schol weer iets verhoogd. In de jaren die daarop volgenden steeg het scholbestand verder en men schat dat het scholbestand in de Noordzee in 2015 op een historisch hoog niveau van 902 miljoen kilo bevond.

Tongaanvoer

De aanvoer van tong piekte in de geschiedenis tweemaal, namelijk eind jaren ’60 en in de beginjaren ’90 van de vorige eeuw. Net als bij schol waren deze topjaren te danken aan twee overduidelijke sterke jaarklassen van tong. In 1963 en 1987 werden er heel veel jonge tongen geboren.

Het tongbestand in de Noordzee schommelt per jaar. Sinds 2012 ligt het bestand volwassen tong wel boven de voorzorgsgrens. Deze grens heeft men ingesteld om ervoor te zorgen dat er voldoende volwassen tongen in de zee blijven voor de voortplanting. In 2015 werd het tongbestand in de Noordzee geschat rond de 41 miljoen kilo.

De vangsten (landings) en discards voor tong in de Noordzee sinds 1957 tot 2015.

De vangsten (landings) en discards voor tong in de Noordzee sinds 1957 tot 2015. ICES

De haringaanvoer

De aanvoer van haring uit de Noordzee piekte in 1965. Toen was de aanvoer hoger dan 1 miljoen ton, waarvan 80% uit jonge vis bestond. Na deze piek in de aanvoer nam de haringstand heel snel af en daarmee ook de aanvoer. De haringaanvoer kent een opvallend dieptepunt. Eind jaren ’70 was de haringstand namelijk zo laag dat de visserij tussen 1977 en 1980 gesloten werd (moratorium). Vanaf 1981 is de visserij op haring weer toegestaan.

De vangsten in miljoenen ton voor haring in de Noordzee sinds 1947 tot 2016.

De vangsten in miljoenen ton voor haring in de Noordzee sinds 1947 tot 2016. ICES

Na het moratorium was de haringstand hersteld en kon er op den duur weer meer worden gevangen. Vlak na 1990 zorgde overbevissing weer voor een afname van de haringstand. Door enkele sterke jaarklassen (1998, 2000) en vangstbeperkende maatregelen (1996: halvering toegestane haringvangst, beperking industrievisserij) groeide het haringbestand weer. Het haringbestand ligt sinds 1996 weer boven de voorzorgsgrens van 1,0 miljard kg volwassen vis in de Noordzee. In 2015 bevindt het bestand volwassen haring zich met 2,2 miljard kilo ruim boven de voorzorgsgrens.

3Verband tussen inspanning en aanvoer

Door de inspanning en de vangst van de vloot naast elkaar te leggen, kun je wat leren over de visstand. Als de visserij-inspanning stijgt, zal de vangst in principe ook stijgen. Je doet immers meer moeite om vis uit zee te halen. Maar als de visserij-inspanning op een zeker moment hoog blijft, en de aanvoer wordt elk jaar minder, dan kan dit betekenen dat de visstand daalt en er niet goed voor staat. Dat kun je zien in onderstaande afbeeldingen.

De visserij-inspanning van de Nederlandse boomkorvloot.

De visserij-inspanning van de Nederlandse boomkorvloot. ICES

De totale vangst van schol in de Noordzee.

De totale vangst van schol in de Noordzee. ICES

In bovenstaande afbeeldingen is duidelijk te zien dat de vangsten van de Nederlandse boomkorvloot niet toenamen, maar juist verder afnamen toen men na 1990 besloot om nog meer te gaan vissen. Verder is het nog belangrijk om op te merken dat we het in bovenstaande afbeelding hebben over de vangst en niet over de aanvoer van schol. Zo zijn aanvoer en vangst niet voor elke vissoort hetzelfde. Bij schol bijvoorbeeld is de totale vangst groter dan de aanvoer, want veel schol wordt wel gevangen, maar gaat weer overboord (discards) en wordt dus niet aangevoerd. Dat zal veranderen met de invoering van de aanlandplicht.

4Het vangstsucces

Als je inspanning en vangst verder met elkaar in verband brengt, dan krijg je het vangstsucces. Dit is de vangst (bijvoorbeeld in kilo’s) gedeeld door de geleverde inspanning (bijvoorbeeld per dag, week of jaar).

De formule voor het berekenen van het vangstsucces.

De formule voor het berekenen van het vangstsucces. ProSea

Vissers praten vaak over het vangstsucces in de zin van hun eigen vangst in kilo’s of kisten per trek. Die trek duurt meestal zo’n 2 uur en in één kist kan 40 kilo vis, alhoewel dit per schip en vismethode kan verschillen.

Het vangstsucces van een visser wisselt per trek. Dat komt bijvoorbeeld doordat er op de ene plek meer vis zit dan op de andere. Schol, tong en zeker kabeljauw zit niet mooi regelmatig verdeeld over de Noordzee. In een klein gebied kan het vangstsucces sterk variëren. Dat geldt bijvoorbeeld voor kabeljauw, die hier en daar in groepjes bij elkaar zit. Katwijkers noemen dat ook wel “Spokjes”.

Het vangstsucces kan ook variëren omdat de vangstomstandigheden niet altijd hetzelfde zijn. Veel vissers zeggen dat je vangstsucces bijvoorbeeld sterk afhangt van de windrichting, windkracht en of het eb of vloed is.

Maar helemaal onvoorspelbaar is het vangstsucces niet. Zo zijn er gebieden in de Noordzee die meer geschikt zijn voor de visserij op schol en andere waar meer tong of tarbot valt te vangen. Maatse schol komt gemiddeld verder weg van de kust voor, en maatse tong dichter bij de kust.

5Het vangstsucces als maat voor de visstand

Vangstsucces kan gebruikt worden als maat voor de visstand. Wanneer er meer vis in zee zit, kan je meer vis per dag vangen zonder dat je daarvoor harder hoeft te gaan vissen. Dan zal je vangstsucces hoger zijn. Door het vangstsucces voor alle vissers gedurende een aantal jaren achter elkaar te middelen kun je ongeveer beoordelen of de visstand in de loop van die jaren is toe- of afgenomen. Hieronder zie je dat gemiddelde vangstsucces van Nederlandse kotters die vissen op tong en schol.

Het gemiddelde vangstsucces van de Nederlandse kottervloot voor schol (links) en tong (rechts). Dit vangstsucces is berekend door de totale jaarvangst van alle kotters onder Nederlandse vlag te delen door hun totale inspanning.

Het gemiddelde vangstsucces van de Nederlandse kottervloot voor schol (links) en tong (rechts). Dit vangstsucces is berekend door de totale jaarvangst van alle kotters onder Nederlandse vlag te delen door hun totale inspanning.

Maar het vangstsucces hangt niet alleen af van de hoeveelheid vis in zee. Het vangstsucces kan ook beïnvloed worden door het quotum of de brandstofprijs, want dat beïnvloedt het ruimtelijk visgedrag van vissers.

Als voorbeeld: tussen de jaren 2000–2008 werd het scholquotum krapper. Tegelijkertijd steeg de brandstofprijs flink. Dit waren twee redenen waarom vissers minder vaak ver weg naar de noordelijke Noordzee stoomden, daar waar de goede scholbestekken liggen. Want zo ver stomen was te duur vanwege de brandstofprijs, en het quotum was ook niet groot genoeg om veel schol te vangen. Als gevolg hiervan gingen scholvissers in die jaren dichter op de kust vissen en richtten zich vaak niet in eerste instantie meer op schol.

Veel scholvissers noemden dit ‘vissen met de handrem’, omdat ze voor hun gevoel in theorie veel meer schol zouden kunnen vangen, maar dat ze schol moesten mijden vanwege hoge brandstofprijzen en een laag quotum. Vanwege dat veranderde ruimtelijke visgedrag was het gemiddelde vangstsucces van de scholvisserij laag, terwijl dat niets hoefde te zeggen over de scholstand. Dat zorgde er volgens vissers en onderzoekers voor dat het vangstsucces van de visserij de scholstand wel eens kon onderschatten. Want als je alleen keek naar het lage vangstsucces van de scholvissers, dan leek het er op dat er maar weinig schol in zee zat.

In de vorige afbeeldingen is in het vangstsucces geen rekening gehouden met het ruimtelijk visgedrag van vissers als gevolg van het vangstquotum. Onderstaande afbeelding is wel gecorrigeerd voor het ‘vissen met de handrem’. Dit vangstsucces kan dus gezien worden als een meer betrouwbare maat voor de visstand.

Het gemiddelde vangstsucces voor schol op de Noordzee van Nederlandse kotters (zwarte dikke lijn). Alle inspanning is omgerekend naar het aantal dagen op zee van een 2000 pk (of 1471 kW) kotter, zodat kotters van verschillend motorvermogen met elkaar vergeleken kunnen worden. Noord = boven de 55°N, Centraal = tussen 53°N en 55°N, Zuid = beneden de 53°N.

Het gemiddelde vangstsucces voor schol op de Noordzee van Nederlandse kotters (zwarte dikke lijn). Alle inspanning is omgerekend naar het aantal dagen op zee van een 2000 pk (of 1471 kW) kotter, zodat kotters van verschillend motorvermogen met elkaar vergeleken kunnen worden. Noord = boven de 55°N, Centraal = tussen 53°N en 55°N, Zuid = beneden de 53°N.

Het vangstsucces hangt ook af van het gedrag van de vissen. Als voorbeeld: tijdens de kuitzieke periode van tong en schol zijn deze vissoorten ‘lui’, of sloom, liggen ze dicht bij elkaar, en zijn ze dus makkelijker te vangen dan normaal. Om die reden kan in deze periode van het jaar het vangstsucces van tong en schol hoger zijn, terwijl de visstand dan niet per se hoger hoeft te zijn.

Een andere reden waarom het vangstsucces kan toenemen zonder dat de visstand toeneemt, is wanneer de vloot efficiënter gaat vissen. Dit kan gebeuren vanwege technische vooruitgang (overstap van boomkor naar pulskor) of toenemende ervaring van de visser. Zo werd bijvoorbeeld eind jaren ’80 de GPS (global positioning system) geïntroduceerd. Sindsdien kunnen vissers veel preciezer bepalen waar ze gaan vissen. Ook kan een toename in motorvermogen en een hoger aantal wekkerkettingen zorgen voor een hoger vangstsucces, bijvoorbeeld voor tong.

6Het vangstsucces in de pelagische visserij

Voor de pelagische vloot ligt het anders. Daar is het vangstsucces niet te zien als betrouwbare maat voor de visstand. Dat zit als volgt. Pelagische vissen zwemmen in grote scholen. Vissers kunnen die scholen makkelijk vangen, zelfs wanneer het bestand klein is, omdat de scholen vaak in dezelfde voor vissers bekende gebieden voorkomen. Daarbij gebruikt de pelagische vloot vaak sonar om de scholen op te sporen. Daarom is het commerciële vangstsucces van de pelagische vloot niet bruikbaar als relatieve maat voor de visstand.

Een voorbeeld hiervan is Noordzee haring. In 1970 waren de vangsten hoog, terwijl er niet hard gevist werd en het visbestand in rap tempo kleiner aan het worden was. Omdat het vangstsucces toch hoog bleef, leek het erop alsof er nog voldoende haring in zee zat, terwijl het helemaal niet goed ging met het haringbestand.

Naast pelagische soorten hebben sommige demersale soorten, zoals kabeljauw, ook de neiging om in grote dichtheden, her en der op ‘hotspots’ voor te komen. Bij zulke soorten moet er dus voorzichtig worden omgegaan met het vangstsucces als maat voor de visstand.