Bijlage 1

Deze bijlage bevat netberekeningen.

1Berekening van de omvang van een net

In Nederland geven we de omtrek van een pelagisch net meestal aan in het aantal mazen. We spreken dan van bijvoorbeeld het 6000 mazen net. In andere landen drukken ze de grootte van een net uit in het aantal meters dat de omtrek van het net heeft. Je spreekt dan van bijvoorbeeld een 1200 meter net. Hieronder volgt een voorbeeld.

Berekeningen

  • De boven- en de onderzijde bestaan uit 15 mazen met een maaslengte van 30 meter
  • De zijkanten (staande zijden) bestaan uit 5 mazen met een maaslengte van 30 meter
  • De mazen die in de naad zitten worden niet meegerekend

Buitenland
Onder- en bovenzijde:       15 (mazen) × 30 (meter) × 2 =  900 meter
Zijkanten:                              5 (mazen) × 30 (meter) × 2 =  300 meter +
Totaal:                                                                                           1200 meter

We spreken dan van een 1200 meter net.

Nederland
In Nederland rekenen we dit terug naar mazen van 0.20 meter, omdat de eerste pelagische netten gemaakt zijn van mazen met een maaslengte van 20 cm. Hier wordt dit voor hetzelfde net 1200 meter / 0.20 = een 6000 mazennet.

Door hier steeds naar terug te rekenen hebben we een eenvoudige manier om de grootte van de netten met elkaar te vergelijken. Voordat je dit berekent, moet je wel kijken naar de maaslengte van de perken. De perken van de onder- en bovenzijden zijn wel even groot, maar soms is de maaswijdte verschillend. Het is belangrijk om de juiste mazen te nemen voor deze berekening. Het gaat om de mazen die het ronde van zowel de onder- als bovenzijde en de zijkanten vormen. Op de tekeningen is aangegeven welke mazen en maaslengte je moet nemen.

bijlage-tekening-1

bijlage-tekening-2

Met behulp van bovenstaande tekeningen komen we tot de volgende berekening:
Onder- en bovenzijde:             11 (mazen) × 30,50 (meter) × 2 =  671 meter
Zijkanten:                                   5 (mazen) × 35,00 (meter) × 2 =  350 meter +
Totaal:                                                                                                      1021 meter

We spreken dan van een 1021 meter net of (zoals in Nederland) van een: 1021 meter / 0.20 meter = 5105 mazen net.

2Berekeningen van de opening van het net

De opening van het net kun je op de volgende drie plaatsen berekenen:

  • Op het ronde van het net (horizontaal en verticaal)
  • Bij de nokken van het net
  • Afstand tussen de borden (bordspreiding)

bijlage-tekening-3

Door deze berekeningen krijg je inzicht in de meest optimale opening van het net. Je kunt tijdens het vissen, met de apparatuur die aan boord is, het net in een zo optimaal mogelijke opening brengen en houden. Bij pelagische netten gaan we ervan uit, dat de mazen in de onder- en bovenzijde 33% open staan en de mazen in de zijkanten 25%.

Op het ronde van het net (horizontaal en verticaal)

De mazen die je hiervoor gebruikt zijn de bovenste mazen van de overgang van het perk naar de vlerken. We gebruiken de tekening van het net dat hieronder staat.

Horizontale opening:    11 mazen van 48 meter × 33% = 174,24 meter
Verticale opening:          9 mazen van 48 meter × 25% = 108,00 meter
Voor deze berekening moet je de mazen in de naad niet mee rekenen.

bijlage-tekening-4

Voor een net met korte zijpezen staat dat hieronder. De verticale netopening is veel kleiner. Men gebruikt een dergelijk net om in ondiep water te vissen.

bijlage-tekening-5

Horizontale opening:          11 mazen van 30,50 meter × 33% = 110,71 meter
Verticale opening:                5 mazen van 30,50 meter × 25% = 38,12 meter
We noemen de opening van het net op deze plaats het ronde van het net.

Bij de nokken van het net

  • Met een snit
  • Met dezelfde snit maar een grotere maaslengte

Voor het berekenen van de opening van het net tussen de netnokken nemen we de opening van het net op het ronde en tellen daar de spreiding van de vlerken bij op. Er zijn netten waarbij er een snit in de vlerken is gesneden en er zijn netten waarbij er geen snit in de vlerken zit, maar alleen de maaslengte groter is. Voor beide situaties geven we een voorbeeld.

Met een snit in het net en dezelfde maaslengte
Zie de tekening hieronder. De maaslengte van de vlerken en het perk eronder zijn het hetzelfde en is 30,50 meter.

bijlage-tekening-6

Netopening op het ronde:
4,5 × 2 = 9
9 × 30,50 × 33% = 90,59 meter

De snit is 2 benen, dat is gelijk aan één hele maas × 2 = 2 mazen totaal

Dan volgt de volgende berekening: 2 × 30,50 × 33% =       20,13 meter
De afstand tussen de nokken van het net:                              90,59 meter +
Totaal:                                                                                            110,72 meter

Zonder snit maar met een groter wordende maaslengte
Zie de tekening hieronder, de mazen worden naar voren toe steeds groter.

bijlage-tekening-7

Bovenstaand net heeft 11 mazen van 41,00 meter. De horizontale afstand tussen de nokken (netopening) is dan: 11 × 41,00 × 33% = 148,83 meter.

Afstand tussen de borden (bordspreiding)

De afstand die er tussen de borden (bordspreiding) moet zitten is eigenlijk het doortrekken van de horizontale afstand op het ronde van het net naar de afstand tussen de nokken. De hoek die gemaakt wordt door de snit of door het groter worden van de maaslengte moet worden voortgezet. De borden moeten in het verlengde van de snit zitten, zodat we één lijn in het hele vistuig krijgen.

De bordspreiding is afhankelijk van de lengte van de stroppen, kabels en bordstroppen. Omdat we met de huidige apparatuur ook de afstand tussen de borden kennen, zijn we in staat om het vistuig optimaal in het water te houden. Er is steeds een vergelijk tussen onze berekeningen die optimaal zijn en de stand van het net in het water.

De hoek van de snit
De snit van een net heeft ongeveer een hoek die ligt tussen 0° bij AN en 18° bij
AB. Als de mazen 33% open staan. In de kanten van het net zit nooit een snit met een T. Hieronder staan voorbeelden van de hoek die de snit maakt voor de snitten: 1N1B, 1N2B, 1N4B en AB.

bijlage-tekening-8

bijlage-tekening-9

De afstand tussen de borden kun je berekenen met de hoek van de snit, de afstand tussen de bovennokken en de lengte van de stroppen en kabels. De nokafstand moet daar wel bij opgeteld worden. Hiervoor gebruik je de formule:

Sinus van de hoek van de snit × de afstand tussen de boven nok van het net en de borden

De afstand tussen de bovennok van het net en de borden is gelijk aan de lengte van de strop tussen nok en kabel, de lengte van de kabel en de lengte van de bordenstrop.

Voorbeeld
De hoek van de snit is 10°. Dit is de hoek bij een snit van 1N2B. De lengte van de strop tussen nok en kabel is 4 meter, de lengte van de kabel is 70 meter en de lengte van bordenstrop + ketting is 6 meter. In totaal is het 80 meter. De afstand tussen de nokken van het net is 148,00 meter.

bijlage-tekening-10

De afstand is:           Sinus 10° × 80 meter          = 13,89 meter per kant
De totale afstand:    13,89 + 13,89 + 148,00      = 175,78 meter

Je kunt het ook grafisch op schaal construeren met behulp van millimeter papier. De werkwijze:

  1. Zet een verticale lijn op je vel papier.
  2. Zet, vanaf de verticale lijn, de halve horizontale netspreiding uit die we hebben berekend (dit is punt A).
  3. Zet op de verticale lijn de lengte van de vlerk uit (dit is punt B).
  4. Vanaf punt B zetten we de berekende halve horizontale nokafstand uit (dit is punt C).
  5. Trek een lijn russen punt A en punt C. Laat deze lijn een stuk doorlopen. Op deze lijn zetten we ook de lengte tussen het net en het bord af.
  6. Zet vanaf punt C, de lengte tussen het bord en het net af (dit is punt D).
  7. Trek vanaf punt D een horizontale lijn die de verticale lijn snijdt.
  8. Deze lijn meten we op, de uitkomst vermenigvuldigen we met de schaal en met twee.
  9. Dit is de afstand tussen de borden.

bijlage-tekening-11

Ons voorbeeld op schaal 1: 100 (1 cm op papier is 100 centimeter in werkelijkheid).

  • Horizontale netspreiding: 110 meter / 2 = 55 meter is 5,5 cm op papier
  • Lengte van de vlerk: 114 meter is 11,4 cm op papier.
  • Horizontale afstand tussen de bovennokken: 148 meter / 2 = 74 meter is 7,4 cm op papier.
  • De lengte van bovennok tot het bord is 80 meter = 8,0 cm op papier.
  • Als je dan de afstand van het bord tot de hartlijn opmeet is dit ongeveer 8,8 cm lang.
  • De hele afstand tussen de borden is dan 2 × 8,8 cm = 17,6 cm. De afstand tussen de borden is dan 17,6 × 100 = 17600 cm en dit is 176 meter.
  • In de berekening hadden we 175,78 meter.
  • Op deze manier kun je op een eenvoudige manier de afstand tussen de borden bepalen.

bijlage-tekening-12

3Hexagonale mazen

Tegenwoordig gebruiken men ook wel hexagonale mazen in het voornet en de vlerken. Het voordeel van deze mazen is dat ze een grotere doorstroming hebben en daardoor minder weerstand veroorzaken. Het gevolg hiervan is dat er minder brandstof nodig is. Hexagonale mazen worden gesplitst en niet geknoopt zoals bij ruitvormige mazen. De maaslengte van een hexagonale maas is op de tekening hiernaast aangegeven.

De berekeningen van de omtrek van een net en de berekening van het aantal mazen van 0.20 meter waaruit het net bestaat van een net met hexagonale mazen is vrijwel hetzelfde als bij een net met ruitvormige mazen.

bijlage-tekening-13

Voorbeelden hexagonale mazen
Bovenzijde:                       12 mazen × 24 meter (maaslengte) = 288,00 meter
Onderzijde:                       12 mazen × 24 meter (maaslengte) = 288,00 meter
2 staande zijden:              10 mazen × 24 meter (maaslengte) = 480,00 meter +
Totaal:                                                                                                    1056,00 meter

1056,00 / 0,20 is een 5280 mazen net.

Op de tekening hieronder staat een voorbeeld van de opening van een hexagonale maas.

bijlage-tekening-14

4De verhouding van de breedte ten opzichte van de lengte van een net

De verhouding tussen de lengte en de breedte van een pelagisch net is ongeveer gelijk. Dit is een regel. Voor het bepalen van de breedte gebruiken we dezelfde mazen die we gebruikt hebben bij het berekenen van de omtrek. Voor het bepalen van de lengte van het net nemen we de diepte (N) van alle netperken vermenigvuldigd met de maaslengte. Bij deze berekening nemen we alleen het voornet en het tussennet. Het achternet rekenen we niet mee.

Voorbeeld
We gebruiken een net van 22 mazen van 15 meter.
De breedte van dit net is 22 mazen × 15 meter = 330,00 meter.
De lengte van het net is dan ook ongeveer 330,00 meter. Natuurlijk kan het per nettenmaker verschillend zijn. Er kan ongeveer 5% marge inzitten.

5Haaientanden

Als een netwerk met een groot verschil in maaslengten aan elkaar wordt gezet, doen we dat op een speciale manier, namelijk met “haaientanden”. Bij eerdere berekeningen bij het aanslaan van netten met een verschillende maaswijdte ging het om verschillen in maaswijdte die niet groter waren dan de helft en het waren kleine mazen. Bijvoorbeeld 20 cm aan 10 cm.

Bij pelagische netten zijn het veel grotere mazen. Om de trekkracht op de goede manier over alle mazen te verdelen doen we het hier anders. Op deze manier hoeven we geen minderingen te maken, waardoor we ook veel minder garen nodig hebben. Het kan op verschillende manieren, we laten er twee zien. Bij beide snijd je aan het net met de kleinste mazenpunten die overeenkomen en passen in het erboven liggende netperk met de grote maaslengte.

bijlage-tekening-15

6Het tussennet

Het tussennet bestaat uit mazen met een maaslengte aflopend van 6 à 7 meter tot 8 à 10 centimeter.

Voorbeeld
Het bovenste perk bestaat uit mazen van 7,20 meter.
– Het perk daaronder heeft een maaslente van 3,60 meter.
– Het perk daar weer onder heeft een maaslengte van 1,80 meter.
– Het perk daar onder heeft een maaslengte van 0,80 meter.
– Het perk daar onder heeft een maaslengte van 0,40 meter.
– Het perk daaronder heeft een maaslengte van 0,20 meter.
– Het perk daaronder heeft een maaslengte van 1,10 meter.
– Daaronder komt dan het achternet met de kuil.

Het aan elkaar zetten van deze perken met steeds een kleinere maaswijdte is behandeld in de voorgaande delen theorie. Je gebruikt bij de pelagische netten dezelfde aanwijzingen in de tekening als bij andere netten. Zo betekent ook hier 3V drie mazen in de naad, hier zitten geen minderingen in. En 4/9 betekent 4 mazen van het bovenste perk aan 9 mazen van het onderste perk, hetzelfde zoals we dat eerder hebben behandeld.

7Het achternet en de kuil

Het achternet en de kuil van het net zijn helemaal gemaakt van netwerk met een maaslengte van ongeveer 5 cm. Dit is nodig omdat we op haring en makreel vissen. Als je dan een grotere maaswijdte gebruik, dan kan de vis er doorheen. Als er op sprot wordt gevist, dan moet je een nog kleinere maaswijdte gebruiken. Er zijn twee verschillende achternetten, namelijk:

  • Het gewone achternet; Een aantal perken met een snit, het schuine stuk. Daarachter een aantal rechte perken met snit van allemaal normalen (AN). Dit rechte stuk noemen we de tunnel. Hierachter zit dan de kuil. De afmetingen van de tunnel wordt aangeduid met bijvoorbeeld 300 of 600 rond. 400 rond wil zeggen 4 zijden van elk 100 mazen.
  • Het torpedo achternet; Dit is een net met een grote bufferzone, die breder is dan een netperk dat erboven zit. Deze bufferzone is dan b.v. 600 rond terwijl het perk erboven 500 rond is. Deze buffer kan korter zijn dan een net met dezelfde breedte. Op die manier komt op ondiep water het net niet zo snel op de bodem, wat de kans op slijtage van het net en beschadiging van vis kleiner maakt.

Rondom het achternet zit een sleeplap of een “overkuil”. Deze sleeplap voorkomt slijtage van het achternet. Deze sleeplap of overkuil wordt 10% langer gemaakt, omdat een net vol vis uitrekt. Aan de kuil zitten ook verdeelstroppen met daaraan het kuiltouw of “lifeline”. Die dient ervoor om de kuil naar het schip te halen en om de vispomp erop aan te sluiten, zodat we de vis uit het net aan boord kunnen pompen.

bijlage-tekening-16

Wettelijk worden aan de grootte van de sleeplap, de overkuil en de verdeelstroppen de volgende eisen gesteld:

  • De overkuil of sleeplap moet minstens dezelfde lengte en omtrek hebben als de kuil waaraan hij bevestigd wordt.
  • De mazen van de overkuil moeten minstens twee maal zo groot zijn als die van de kuil.
  • De lengte van de verdeelstroppen moeten minstens 40% zijn van de omtrek van de kuil.

In het Jaarboek Visserij staan meer wettelijke eisen.

Voorbeeld
De tunnel van het net is 400T rond en 200N diep en de maaslengte is 5 cm. Daar moet een sleeplap omheen gezet worden. De maaslengte van de sleeplap is 20 cm. We maken één verdeelstrop om de kuil.

Gevraagd:
1. Hoe groot (in mazen T en N) moet de sleeplap worden?
2. Met welke verhouding slaat men de sleeplap aan op het achternet?
3. Hoe lang moet de verdeelstrop minimaal zijn?

Uitwerking:
1. De breedte is:                      400 T × 5 cm = 2000 cm (dit is de minimale breedte)
De sleeplap moet dus:           2000 cm / 20 cm = 100 T zijn
De lengte is:                             200 N × 5 cm = 1000 cm+ 10% = 1100 cm lang
Antwoord:                                1100 cm / 20 cm = 55 N lang

2. Verdeling: Het is 100 aan 400 mazen. Dat komt overeen met 1 aan 4.
Eén van 20 cm vastmaken aan één van 5 cm, dan 3 van 5 cm overslaan en de volgende van 20 cm vastmaken aan de 4e van 5 cm.

3. Lengte verdeelstrop: 400 T × 5 cm = 2000 cm × 40% = 800 cm = 8,00 meter

1. Kuil, 2. Lifeline, 3. Voorste verdeelstrop, 4. Vangstsensoren, 5. Verdeelstrop, 6. Kuilklem of poolijn.

1. Kuil, 2. Lifeline, 3. Voorste verdeelstrop, 4. Vangstsensoren, 5. Verdeelstrop, 6. Kuilklem of poolijn.