Spanvisserij

Aan boord van hektrawlers past men ook wel de spanmethode toe. Met deze visserijmethode kan er worden gevist op demersale vissoorten (demersale spanvisserij) en op pelagische vissoorten (pelagische spanvisserij). Het netontwerp en materiaal is vergelijkbaar met dat van een net van een enkel schip, maar het is groter en zwaarder van gewicht. Het moet niet verward worden met ‘twin rigging’, want bij deze methode wordt namelijk geen gebruik gemaakt van borden om het net open te houden. In dit hoofdstuk zal alleen de pelagische spanvisserij worden besproken.

In 1948 ontwierp de Deen Robert Larsen uit Skagen een vierzijdig net en gebruikte dit net voor de pelagische spanmethode in het diepe Skagerrak voor de vangst van haring. Door tussen de boven- en onderkant van het net zijkanten (Eng.: ‘side panels’) aan te brengen, wordt een grote verticale netopening bereikt. Dat leverde grote haringvangsten op.

De pelagische spanvisserij, waarbij twee schepen gezamenlijk een visnet trekken.

De pelagische spanvisserij, waarbij twee schepen gezamenlijk een visnet trekken.Eurocbc.org

In 1952 had dit pelagisch vistuig zijn weg naar Nederland gevonden en werd deze methode door een aantal kotters in de seizoenmatig beoefende haringspanvisserij toegepast. Het vistuig werd ook wel atoomnet of atoomkuil genoemd. Met dit grote vistuig werd er voornamelijk in het ondiepe, zuidelijke deel van de Noordzee gevist door Nederlandse vissers op haring die zich vlak boven een steenachtige bodem ophoudt. De optuiging en de manier van vissen moesten aan deze visgronden worden aangepast. Het gebruik van de nettenrol en van grote mazen zorgden wel voor schaalvergroting bij deze visserij. In 2005 kwam er een einde aan de Nederlandse spanvisserij, want destijds werden de laatste pelagische spanvisschepen gesaneerd. De spanmethode wordt nog steeds toegepast op vissersschepen die varen onder een andere vlag dan de Nederlandse.

1Beschrijving

De spanvisserij vergt een zeer goede samenwerking tussen de schippers en de
bemanningen, omdat er met twee schepen gevist wordt. Vooral de samenwerking tussen de schippers, die voortdurend via de ultrakorte golf (v.h.f.) zender/ontvanger met elkaar in verbinding staan, is belangrijk voor het succes van de vangst. Bij het spannen moeten goede afspraken worden gemaakt tussen de beide schippers over het vistuig en het vissen in het algemeen. Dat voorkomt het ontstaan van misverstanden en conflicten.

Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in zogenaamde normen en vormen. Een norm is bijvoorbeeld dat de ene schipper bepaalt waar gevist gaat worden. De vorm is dat de andere schipper dan bepaalt hoe er gevist wordt. Hij geeft het soort net en de optuiging aan. Conflicten kunnen makkelijk ontstaan, omdat er twee schippers en twee bemanningen moeten samenwerken. Als er een conflict ontstaat, is het goed als eerst de schippers overleggen en tot overeenstemming komen. Daarna kan de bemanning worden geïnformeerd. Een andere norm is dat de schipper van het schip met het net de koers en vaart houdt en bepaalt wanneer uitgezet en gehaald wordt. De vorm is dan voor het andere schip dat het schadevrij langszij komt.

Daarnaast vereist de spanvisserij van de schippers goede manoeuvreervaardigheden bij het uitzetten en inhalen, omdat ze dan vlak bij elkaar moeten komen. Bij slechte weersomstandigheden kan dit een beperking zijn voor de uitoefening van deze vismethode. Er worden geen visborden gebruikt en door de trekkracht van twee schepen kan een groot net gebruikt worden. Visborden veroorzaken ongeveer 20 procent van de weerstand van een trawl.

Het koptouw verbindt de twee schepen met elkaar.

Het koptouw verbindt de twee schepen met elkaar. L. de Koning

Een spannet is te vergelijken met het net van bepaalde diepvriestrawlers. Het net kan ongeveer 500 meter lang zijn en een opening hebben van 160 bij 40 meter. Er worden ook wel kleinere netten gebruikt bij deze visserijmethode. Tijdens het spanvissen varen de twee schepen ongeveer 200 meter uit elkaar. De afstand tussen de twee schepen kan door het koptouw worden geregeld. Dat koptouw verbindt de schepen met elkaar en zit op een aparte koptouwwinch. Ook komt het voor dat er geen koptouw gebruikt wordt, maar dat er alleen via de radar afstand gehouden wordt.

Het door de Deen Larsen ontworpen spannet had vier gelijke zijden. Dit vierkante spannet werd voornamelijk gebruikt wanneer er op grotere diepte gevist werd. Het voordeel hiervan was dat het net na een aantal trekken gedraaid kon worden, zodat het gelijkmatig zou slijten. Als er in ondiep water gevist werd, dan kreeg de netopening van een vierkant spannet een rechthoekige vorm. Dit omdat er slechts kleine vislijn- en nokgewichten gebruikt kunnen worden en de vislijnlengte kort is. De Nederlandse haringspanvissers gebruikten meestal een spannet met een rechthoekige vorm. Dat wil zeggen dat de twee zijkanten kleiner zijn dan de boven- en onderkant, welke even groot zijn. De vislijn- en nokgewichten zorgden ervoor dat dit deel van het voortuig in contact met de zeebodem bleef.

Met het gebruik van een onder- en bovenkabel kan er goed met de sleep gevarieerd worden. De sleep verandert door met de onder- en/of bovenkabel meer of minder lengte op de kabels te geven. De sleep varieert en is afhankelijk van de lengte van de uitgevierde lengte van de vislijn en de verticale opening van het net. Hierdoor kan er ook veel beter gevist worden op een slechte, ongelijke zeebodem. Door het verkorten van de onderkabel reageert het net door omhoog van de zeebodem te komen.

Sinds de komst van de trawlsonar bestaat het voortuig uit een onder- en een bovenkabel. De onderkabel moet goed in contact met de zeebodem staan. Dat is nodig om de vis tot voor de baan van het net te jagen. Beide kabels zijn aan het einde van de vislijn bevestigd. De afstand tussen de schepen van het span wordt bepaald door de diepte. Hierbij geldt dat ‘’Hoe groter de diepte, des te groter de afstand’’.

Om schade aan de verschansing te voorkomen, wordt er vaak aan de kant waar de schepen op elkaars zij komen een rij autobanden gehangen. Daar worden soms ook fenders voor gebruikt. Deze worden aan één schip bevestigd. Als op beide schepen banden of fenders worden gebruikt, dan gaan deze bij het langszij komen vastzitten. Net als de pelagische trawl heeft het spannet grote mazen in het voornet. Naar de kuil toe neemt de maaswijdte gelijkmatig af.

Een overzicht van de verschillende onderdelen van de spanvisserij.

Een overzicht van de verschillende onderdelen van de spanvisserij.

Er zijn drie pelagische spantechnieken met een vierzijdig net:

  • Vier lijnen en vier gewichten: voor vol pelagisch, midwater en bodemvisserij.
  • Vier lijnen en twee gewichten: vissen in de punten.
  • Twee lijnen, stroppen en vier gewichten: vissen in de waterkolom op grote diepte, zoals op blauwe wijting.

Elk schip trekt met de bovenlijn via een bovenkabel aan een bovennok en met een onderlijn via een onderkabel en verlengstrop aan een ondernok. De onderkabel is 5 vadem (+/- 9 meter) langer dan de bovenkabel. De spanstrop(pen) is/zijn aangebracht om de nokken in- en uit te pikken.

Op het bevestigingspunt van de onderkabel aan de onderlijnen zijn de vislijngewichten bevestigd. Deze vislijngewichten trekken de onderkant van het net omlaag, waardoor het net in verticale richting opengetrokken wordt. Aan de nok wordt eerst een 60 meter lange kabel bevestigd. Tussen de 60 meter kabel en de vislijn zitten drie schalmen. Aan deze schalmen wordt het vislijngewicht ingepikt. Het vislijngewicht weegt in ondiep water 1.500 kg. Bij het vissen in diep water wordt het vislijngewicht verzwaard tot 2.400 kg. Door de vislijngewichten te verzwaren nemen de verticale netopening en de diepteloop van het net toe.

Een schematische weergave van het voortuig.

Een schematische weergave van het voortuig.

Op het bevestigingspunt van de onderkabel en de spanstrop zijn de netgewichten vastgemaakt. Die worden ook wel nokgewichten genoemd. Om te voorkomen dat de onderkant van het net in contact met de bodem komt, worden de spanstroppen aan de bovenkant van de nokgewichten bevestigd. De vislijngewichten worden aan stukken ketting opgehangen. Dit voorkomt schade aan de onderzijde van het net. Deze gewichten raken de zeebodem eerder dan de onderkant van het net. Zodra deze gewichten de bodem raken, neemt de naar beneden gerichte kracht op de ondernokken af, waardoor het net niet verder zal zakken.

Het lijngewicht van 1.500 kg.

Het lijngewicht van 1.500 kg.

Tussen de ondernok van het net en het nokkengewicht bestaat de spanstrop uit ketting. Deze ketting geeft duidelijk het verschil aan tussen de boven- en de onderspanstroppen en gaat slijtage tegen. De nokken komen midscheeps van de nettenrol af. Door de onder- en bovenspanstroppen vanaf bakboord en stuurboord midscheeps te brengen worden de nokken ingepikt. Daarna viert de nettentrommel verder af en worden de onder- en boven thuishalers uitgepikt en in de voorkant van de onder- en boven spanstrop ingepikt. Op die manier worden de nokken naar bakboord en stuurboord getrokken.

Het koptouw houdt de schepen op de juiste afstand bij elkaar. Verder bestaat het koptouw uit 200 meter 8 strengs 20 mm dynema en een nylon rekker van 36,5 meter 8 strengs 100 mm. De nylon rekker vangt de schokbelasting op. De koptouwen worden in het midden van de twee schepen met elkaar verbonden door een 40 meter lange 8 strengs 20 mm dynema kabel. Het keesje (zie afbeelding) voor het koptouw is ongeveer 12mm en 25 meter lang.

Een schematische weergave van het koptouw. De groen gekleurde lijn is de dynema kabel van 200m, de rood gekleurde lijn is de nylonrekker en de blauw gekleurde lijn is de dynemakabel van 40m.

Een schematische weergave van het koptouw. De groen gekleurde lijn is de dynema kabel van 200m, de rood gekleurde lijn is de nylonrekker en de blauw gekleurde lijn is de dynemakabel van 40m.

Op het achterschip wordt ook een keesje gebruikt. Aan de werpkant zit een rubberbal of enkele rubberen ringen. Aan de andere kant zitten twee haken om de boven- en onderlijn in te pikken als die worden overgegeven. Ze worden ook gebruikt als de schepen vis van elkaar overnemen. Dan wordt in de ene haak een nylon rekker en in de andere haak een dynema lijn gepikt, die wordt gebruikt om de slang van de vispomp naar een schip te trekken.

Het keesje ligt klaar om overgegooid te worden.

Het keesje ligt klaar om overgegooid te worden.

Tijdens het vissen kan er gevarieerd worden met de diepte waarop het net zich bevindt en met de verticale netopening door de vissnelheid en/of de sleep in het vistuig te veranderen. Wordt de vissnelheid vergroot, dan komt het net hoger in de waterkolom terecht. De verticale netopening wordt kleiner, omdat de kracht in de onderlijn toeneemt, waardoor de verticaal naar beneden gerichte kracht afneemt. Die kracht naar beneden wordt veroorzaakt door de zware vislijn en de nokgewichten. Bij vermindering van de vissnelheid komt het net op grotere diepte en wordt de verticale netopening groter.

Bij spanvissen is het mogelijk om tijdens het vissen de sleep te veranderen. Het veranderen van de sleep gebeurt om bij gelijkblijvende vissnelheid de diepte waarop het net zich bevindt iets te variëren. Grotere veranderingen in de ‘diepteloop’ van het net krijg je door de uitgevierde lijnlengte (boven- én onderlijn) te wijzigen. Bij het sleep geven wordt de onderlijn ten opzichte van de bovenlijn verlengt.

Als er meer sleep gegeven wordt, dan komt er meer kracht op de bovenlijnen en minder op de onderlijnen. De onderlijn wordt ten opzichte van de bovenlijn verlengd, waardoor de kracht in de onderlijnen afneemt. De netgewichten kunnen zakken en oefenen een grotere, naar beneden gerichte kracht op de ondernokken uit en de verticale netopening neemt toe. Tegelijk komt het net door de toegenomen kracht in de bovenlijnen hoger in de waterkolom. Als de sleep wordt verminderd, dan komt er minder kracht op de bovenlijnen en meer op de onderlijnen. De verticale netopening wordt kleiner en het net komt lager in de waterkolom.

Om langs de zeebodem te kunnen vissen is het belangrijk dat het net vlak staat. Door meer boven- en onderlijn uit te vieren wordt de verticale netopening kleiner en gaat het net vlakker staan. Er moet minder sleep gegeven worden en de nokken van het net moeten zoveel mogelijk onder elkaar staan. Bij het vissen zonder spanning in het ondernet hangt het netwerk los achter de grondpees. Als er maar iets uit de zeebodem steekt, dan heb je kans dat het net kapot scheurt.

Spanvissen is vissen op techniek. Een voorbeeld daarvan is het koptouw. Als de lengte van het koptouw met 10% wordt verminderd, verandert de hoek aan de zijkant van het net. Dat geeft minder weerstand en daarmee een hogere vissnelheid. De snelheid van 3,8 mijl is een ijkpunt. Bij verandering van bijvoorbeeld het gebruikte net moet daarop gelet worden.

2Werkwijze

In dit hoofdstuk bespreken we de wijze waarop de spanmethode normaalgesproken wordt gebruikt. De hier beschreven werkwijze kan afwijken van de praktijk. Het belangrijkste is dat een visser ten allen tijden rekening houdt met de veiligheid.

Uitzetten net

Als de schepen de vangplaats naderen, dan worden de volgende handelingen verricht:

  • Allereerst moet worden afgestemd welk schip het net zal uitzetten. Het schip met het net heeft het commando en het andere schip heeft de lijnen en zorgt voor de onderlinge afstand tijdens het vissen.
  • Op beide schepen wordt een deel van de boven- en onderkabels van de vislijntrommels afgehaald en door de hangerblokken geleid.
  • Bij gunstige weersomstandigheden worden de vislijngewichten buitenboord gehesen en bij de hangerblokken aan een borgketting opgehangen.
  • Op het schip met het commando, bijvoorbeeld schip A, worden de netgewichten met de daaraan bevestigde verlengstrop klaargelegd. Ondertussen wordt op het voorschip de werplijn voor het overnemen van het koptouw klaargemaakt.
  • Op het andere schip, bijvoorbeeld schip B, wordt de werplijn aan de onder- en bovenkabels vastgemaakt en voor het overgooien naar schip A klaargelegd.
  • Op schip A wordt gecontroleerd of de kuil goed afgesloten is.
  • De schepen varen vervolgens met een snelheid van ongeveer 8 à 10 knopen op enige afstand van elkaar verder. De afstand kan zo’n 2 à 3 mijl zijn. Voor de onderlinge communicatie staat de v.h.f. zender/ontvanger aan, terwijl de plaatsbepalingsapparatuur bij aantekening van een visschool de juiste positie kan aangeven. Als minimaal één van beide schepen een aantekening van een echo meldt, dan wordt de positie vastgesteld. Die wordt in de sonar geplot.
  • Er wordt koers gezet in de richting van de echo om er overheen te varen. De snelheid wordt verminderd naar ongeveer 6 mijl. Bij deze snelheid werken de echometers goed. Als het schip bij de echo komt, dan wordt er vaart verminderd om de echo goed te kunnen bekijken. Echo’s kunnen bijvoorbeeld ook wrakken zijn. Door ervaring kan de schipper zien welke vissoort te vangen is. Ervaring met het werken met de sonar en het bepalen van de vissoort op de visopsporingsapparatuur is een vereiste. Als het schip over de echo heen gevaren is en het blijkt de gezochte vissoort te zijn, dan wordt het vistuig klaargemaakt om uit te zetten.
  • De schepen gaan daarna op tegenkoers en varen nogmaals over de school. Bij aantekening wordt weer de positie opgenomen. Door deze positie te vergelijken met de eerder waargenomen positie, krijg je informatie over de verplaatsingsrichting en zwemsnelheid van de visschool. De echoloden geven de grootte en de positie van de visschool in de waterkolom. Als is vastgesteld dat het de goede vissoort is en er genoeg vis zwemt, dan kan er worden uitgezet.
  • Het weer is bepalend voor de koers bij het uitzetten. Als het weer goed is, wordt er in het tij uitgezet. Bij wat hardere wind (bries) gebeurt dit met de boeg op de wind. Sommige schepen zetten met een bries voor de wind uit. Als de schepen volgeladen zijn met vis, dan is het verstandig om op de wind uit te zetten. Hierdoor heeft het schip namelijk meer druk op het roer. Dat is ook handig als de schepen naast elkaar komen, omdat de schepen dan sneller op het roer reageren. Verder helpen de wind en de zee mee als er achteruit gevaren moet worden.

Vangstsensors/catchsensors (links & midden) kunnen bevestigd worden in het net (rechts).

Vangstsensors/catchsensors (links & midden) kunnen bevestigd worden in het net (rechts).
  • Op het achtereind van het net zijn van tevoren catch sensors bevestigd. Deze geven de hoeveelheid vis aan die in het net zit. De afstand tussen de sensors kan verschillend zijn. Het is belangrijk voor de schipper om te weten of het vistuig goed in het water staat. De eerste sensor is daarvoor belangrijk, want die moet snel reageren. Daarom moet die sensor niet te hoog op het achternet gezet worden. De volgende sensors bepalen de hoeveelheid gevangen vis. Bij een bepaalde hoeveelheid vis in het achtereind van de kuil zullen de sensors worden geactiveerd. Dat geeft een signaal naar de brug. Op een scherm wordt weergegeven hoeveel vis is gevangen. Het moment van halen kan daardoor vrij nauwkeurig worden bepaald. Zo wordt voorkomen dat er teveel vis in het net komt. Bij teveel vis in het net kan de vis stikken, waardoor de kwaliteit nadelig wordt beïnvloed en er schade kan ontstaan aan het net.
  • Uit een vangstsensor komen twee nylon touwtjes met aan het uiteinde een kleine, roestvrijstalen ring. Aan die twee ringen worden de elastiekjes met een kleine sluiting bevestigd, welke op het achternet een bepaald aantal mazen uit elkaar staan.
  • Nadat er echo’s op de sonar zijn geplot, wordt het net in de goede richting uitgezet. Dit is afhankelijk van het weer. Met mooi weer vaart het schip direct richting de visecho’s. Met slecht weer moet het schip eerst met de kop op de wind worden gelegd om langszij te kunnen komen. Pas daarna wordt de koers verlegd richting de waargenomen echo’s.
  • De kuil wordt met behulp van de kraan over het achterschip getrokken. Het vieren begint zodra de haak is uitgepikt. Op het moment dat de pees van de rol afkomt, wordt deze aan bakboord en stuurboord door een bemanningslid vastgepakt en netjes over de reling geleid zodat de pees niet verward raakt.
  • Het tuig wordt verder gevierd en er wordt er gekeken of de trawlsonar goed beeld geeft. Vervolgens komen de nokken van de rol af en wordt de ketting van het bakboord ondergewicht in de bakboord ondernok gepikt. De bakboord spanstrop wordt in de bakboord bovennok gepikt. Hetzelfde gebeurt aan stuurboord. Dan wordt er verder gevierd zodat alles klaar hangt en kan het andere schip langszij komen.
  • De stuurboord ondernok wordt met de stuurboord vislijn buitenboord gehangen. Daarna wordt er door de ring een strop gehaald, die in de quick release haak wordt vastgemaakt. De stuurboord bovennok wordt met behulp van de spanstrop ook in de quick release haak gehangen. Hetzelfde gebeurt met de bakboord bovennok. De bakboord ondernok wordt voor het uitzetten door de bakboord vislijn omhoog gehaald. Deze gaat overboord zodra de thuishaler van de bakboord ondernok is ingepikt.
  • De twee schepen worden door het koptouw met elkaar verbonden door het keesje over te gooien naar het andere schip. Als het koptouw bevestigd is, wordt achterop door het schip dat de kabels heeft een ander keesje gegooid waaraan de kabels ingepikt zijn. De kabels worden vervolgens door het schip met het net naar zich toegehaald. De onderkabel wordt in de stuurboord ondernok gepikt en de bovenkabel wordt in de stuurboord bovennok gepikt.

Het keesje wordt overgegooid van het ene schip naar het andere.

Het keesje wordt overgegooid van het ene schip naar het andere.
  • Als de kabels zijn bevestigd, wacht de dekploeg op het sein van de schipper op de brug om het tuig los te gooien. Het sein wordt pas gegeven als de schipper heeft gezien dat het koptouw vastzit en de schepen langzaam uit elkaar gaan. Vervolgens laat de stuurman de boven- en onderlijn uitvieren. De bovenlijn wordt uitgevierd totdat de connector van de 50 meter in het hangerblok zit. De onderkabel wordt uitgevierd tot 60 meter.
  • Er is een grote schalm waarop de ketting van het lijnengewicht ingepikt kan worden. Als eerste wordt er binnenboord een ketting van 1 meter lengte met aan weerszijden een G-haak in de schalm van de 60 meter gepikt. Daarna wordt het vislijngewicht opgewonden en kun je de borgketting uitpikken. Vanaf dat moment kan er gevierd worden.
  • De stuurman zet de lijnentellers op 0 en geeft dit door aan de schipper, zodat de lijnen naar de gewenste diepte uitgevierd kunnen worden. Het andere schip krijgt dezelfde informatie, omdat op dit schip ook dezelfde handelingen moeten worden verricht.
  • Zodra beide schepen klaar zijn om te vieren, wordt doorgegeven hoeveel lijn er wordt uitgevierd en hoeveel sleep moet worden ingesteld. De viersnelheid moet ook op elkaar worden afgesteld. Dit zorgt ervoor dat het net gelijk wordt gehouden voor een optimaal beeld van de trawlsonar.
  • Als de benodigde lengte is uitgevierd, dan geeft de stuurman achter de winch dit door. De stuurman zet de winchbediening over op de bediening bij de schipper, omdat er vaak enkele meters bijgevierd of ingehaald moeten worden. De onderlijn wordt meerdere keren een meter of meer ingehaald of uitgevierd. Dat is de sleep.

De pees wordt over de reling geleid op het achterdek.

De pees wordt over de reling geleid op het achterdek.

Binnenhalen net

Bij het binnenhalen van het visnet volgt meestal deze procedure bij gebruik van de spanmethode:

  • Het netwerk rekt uit door de hoeveelheid vis in het net en de rubberen elastiekjes rekken mee. Dat activeert de sensor en geeft op het trawlsonarbeeldscherm een rode stip met het netsensornummer erbij. Aan de hand van die gegevens weet de schipper ongeveer hoeveel vis er tijdens het vissen in het net zit.
  • Zodra de schipper besluit dat er voldoende vis in het net zit, kan hij een signaal geven aan de bemanning om ze te laten weten dat er gehaald gaat worden.
  • Voordat het schip voor de wind draait (dan liggen de schepen rustiger en blijft er spanning op het vistuig), wordt er sleep uitgehaald om het net hoger in de waterkolom te brengen. Hierdoor heb je namelijk minder last van schade aan het net. Het motorvermogen wordt teruggenomen als de schepen voor de wind liggen. De snelheid gaat van 4 mijl per uur naar ongeveer 2 mijl. Doordat het koptouw opgewonden wordt, komen de schepen langzaam naar elkaar toe.
  • Achterop zorgt de bemanning dat er een keesje klaarligt om over te gooien. Langzaam komen de schepen steeds dichter bij elkaar, maar ze blijven op een afstand van ongeveer 25 meter uit elkaar. Dit doet men om uit de schroefzuiging van elkaar te blijven (vooral bij slecht weer is dit van belang). Ondertussen worden de lijnengewichten uitgepikt. De schipper geeft het commando om de kabels op te winden, zodra het gewicht op het andere schip ook aan boord is uitgepikt. De kabels worden rustig opgewonden en de snelheid daarvan wordt op elkaar afgestemd.
  • Op beide schepen komen de nokken voor ter hoogte van de hangers. Het koptouw wordt na een geluidsignaal van de schipper losgegooid. De nokken zijn dan voor en het schip kan beter manoeuvreren. De nokken worden op beide schepen met een ‘quick release’ haak afgestopt. Het schip dat het net niet heeft, stopt alleen maar af. Het schip met het net sluit het onder wineind van de nettentrommel aan de kant van het nokkengewicht in de thuishaler van de onderleek.
  • Ook het boven wineind van de nettentrommel wordt aan de kant van het gewicht in de thuishaler van de bovenstrop gesloten, die aan de andere zijde van het schip voor is gekomen. Deze bovenstrop wordt losgegooid en verdaagd aan de andere kant (aan de kant van het nokkengewicht). Hierna kun je de nokken van het andere schip over gaan winnen. Met slecht weer wordt dan pas dichterbij gemanoeuvreerd om schade te voorkomen (zo kort mogelijk dicht bij elkaar).
  • Er wordt een keesje overgegooid met daaraan een overwineind (soms de bovenkabel, maar er zijn ook schepen met een speciale winchtrommel om de nokken over te winnen).
  • De bemanning haalt dat wineind door een ring aan de bovennok en sluit de haak in het nokkengewicht met een borg erbij (in het verleden pikte de haak er weleens uit met alle gevolgen van dien). De nokken worden losgegooid (‘quick release’) en het schip zonder net vaart bij het andere schip weg.
  • Het schip met het net windt de nokken van het andere schip in de hanger en de wineinden van de nettentrommel worden in de thuishalers gepikt.
  • De nettentrommel wordt 10 tot 12 meter opgewonden en de onderleken (ketting) en bovenspanstroppen worden uitgepikt.

De haak wordt ingepikt.

De haak wordt ingepikt.
  • Daarna wordt er verder opgewonden. Zodra de onderpees aan boord komt moet deze goed begeleid worden, omdat de pees door grote mazen kan vallen. Even later volgt de trawlsonar, waarbij het trawlsonarnetje ook door de grote mazen kan vallen. De trawlsonar wordt uitgepikt en vastgebonden op het net. De snelheid van het schip wordt nu verlaagd, want de as van de nettentrommel wordt groter doordat er meer netwerk op komt. Het is van belang om het net goed op de trommel te winden, namelijk van stuurboord naar bakboord. Anders kan de nettentrommel bij het uitwinden gaan spinnen en raakt het net beschadigd.
  • Het kuiltouw, dat aan de nok bevestigd is, heeft een onderbreking met een haak bij het achternet. De haak, die in een ring gepikt is, wordt in een dynema eind van de jumper trommel gepikt en de haak van het kuiltouw op het achternet bevestigd. Het laatste stuk van het kuiltouw is met 40 mm dik dynema ommanteld (bescherming voor slijtage). Deze wordt nu opgewonden totdat de kuil voor komt.

Het aan boord brengen van de vangst

Het aan boord brengen van de vangst gebeurd grotendeels op dezelfde wijze als beschreven in het hoofdstuk over werkwijze pelagische visserij van dit lesboek.

Beëindigen van het vissen

Bij het beëindigen van het vissen volgt meestal deze procedure aan boord van schepen met de spanmethode:

  • Het achternet wordt losgegooid nadat de laatste vis aan boord is gebracht. Dit achternet wordt van eventuele stekers ontdaan, schoongespoeld en vervolgens op de nettentrommel gedraaid.
  • De nog buitenboord hangende net- en vislijngewichten worden binnenboord gebracht en zeevast gezet.
  • De sensors worden na de visreis in een bak water gelegd, zodat ze helemaal ontladen. Dat verlengt de levensduur van de batterij. De stuurman van de havenwacht zorgt ervoor dat de sensoren weer opgeladen zijn voor de volgende visreis.

3Doelsoorten en bijvangsten

Met de spanmethode kan er gevist worden op haring, kabeljauw, wijting, koolvis, schelvis, sardines, horsmakreel en makreel. Het principe van uitzetten, vissen en halen is voor deze soorten hetzelfde. Wel kunnen er verschillende netten worden gebruikt. In de periode van augustus tot februari wordt er met de spanmethode in het Kanaal gevist op horsmakreel en sardines. Van februari tot mei wordt in de golf van Biskaje en aan de westkust van Ierland op makreel gevist. Vanaf juni tot augustus vist men vervolgens op haring rond de Shetlandeilanden met deze visserijmethode.

4Gedrag van de vis ten opzichte van het tuig

Bij de bodemtrawl- en pelagische visserij in ondiep water worden vissen door schroefgeruis voor de baan van het net verjaagd. Vissen die zich bij de spanvisserij tussen de kotters bevinden worden juist door schroefgeruis en de vislijnen tot voor de baan van het naderende net gedreven. Hierdoor is deze vismethode, vooral in ondiep water, zeer effectief.

5Verwerking

De verwerking is al uitgebreid beschreven in het hoofdstuk verwerking pelagische visserij.

6Duurzaamheid

Het brandstofgebruik van de spanvisserij is lager dan bij de pelagische bordenvisserij. Verder is er met de spanmethode geen sprake van bodemberoering. Ook qua selectiviteit scoort de spanmethode vaak redelijk doordat veel pelagische (rond)vissen in scholen zwemmen. Hierdoor kan er selectief gevist worden met de spanmethode, zowel qua soort als qua grootte.