Doelsoorten en bijvangsten

De doelsoorten en bijvangsten in de pelagische visserij zijn afhankelijk van het gebied waarin gevist wordt. De verschillende visgebieden voor de Nederlandse trawlers zijn:

  • De Noordoost Atlantische Oceaan, inclusief Het Kanaal en de Noordzee
  • De West Afrikaanse wateren
  • De Grote Oceaan

De voornaamste visgronden (fishing areas) en afzetmarkten (markets) van de pelagische vloot.

De voornaamste visgronden (fishing areas) en afzetmarkten (markets) van de pelagische vloot. W. v/d Zwan & Zn

Overwegend vissen hektrawlers op vissoorten met een hoog vetgehalte in hun vlees, zoals haring, makreel, horsmakreel en sardien. Magere vissen hebben alleen vet in de lever en vlak onder de huid. Het vetgehalte verschilt veel gedurende het jaar. In de periode dat vissen zich actief voeden, bouwen ze een vetvoorraad op. Daarna worden deze vetten gebruikt om hom of kuit aan te maken. Het vetgehalte van de vis neemt dan sterk af. Als deze vissen hom of kuit hebben geschoten, zijn ze mager. Het vetgehalte verschilt ook per vissoort. Haring heeft in de periode dat hij verwerkt wordt tot maatjesharing een vetgehalte van 16% tot wel 26%. Een magere haring, ook wel ijle haring genoemd, heeft een vetgehalte van 4% tot 6%. Een magere haring heeft meer vocht, waarbij het watergehalte rond de 96% ligt. De rest bestaat uit andere stoffen zoals eiwitten en vitamines.

IJle haring met een laag vetpercentage wordt vaak ingelegd in zuur (rolmops)Ra Boe

Vette vissen zijn erg gevoelig voor bederf, zowel enzymatisch als microbiologisch bederf. Enzymatisch bederf stopt niet door diepvriezen. Microbiologisch bederf geeft afwijkingen in de smaak, de kleur, de geur en de consistentie van het visvlees. Vissen met een hoog vetgehalte zijn erg gevoelig voor ranzigheid. In het boek ‘’Visverwerking & voedselkwaliteit en- veiligheid’’ zal hier uitgebreider op worden ingegaan.

1Doelsoorten voor de Noordoost Atlantische Oceaan

De visvangst in de Noordoost Atlantische Oceaan is gevarieerd, omdat er op verschillende vissoorten wordt gevist onder wisselende omstandigheden. Het gaat hier om de Noordzee, Het Kanaal, rond de kust van Ierland en bij de Golf van Biskaje. Het visgebied in de Golf van Biskaje loopt in het algemeen tot de 62º Noorderbreedte (soms nog noordelijker) en in het westen tot voorbij de rand van het continentale plat waar de diepte van de oceaan de 200 meter bereikt. Hier is de visvangst met hektrawlers begonnen; eerst op haring en later op andere vissoorten. Vroeger was het de gewoonte de stocks te vernoemen naar de paaiplaatsen. Daardoor is bijvoorbeeld haring onderverdeeld in de volgende stocks:

  • Atlanto Scandische haring (ook wel sloe haring genoemd)
  • De Skagerak haring
  • De Oostzee haring
  • De Noordharing
  • De Engelse walharing / de Sandettie haring
  • Kanaalharing
  • Ierse westkust haring
  • Hebriden haring
  • Eiland Man haring

De voornaamste visgronden in de Noordoost Atlantische Oceaan.

De voornaamste visgronden in de Noordoost Atlantische Oceaan.PFA

Haring (Clupea harengus)

De haringvisserij was jarenlang de belangrijkste tak van visserij in Nederland. Daarnaast is de haringvisserij één van de oudste bestaande visserijen. Het haringseizoen begint eind mei of begin juni met de aanvoer van de eerste haring. Een gebeurtenis die nog jaarlijks wordt gevierd tijdens vlaggetjesdag, al is dat nu natuurlijk wel totaal anders dan vroeger. De haring die nu als eerste wordt verkocht in Nederland is vaak haring die gevangen is door Deense of Noorse schepen. Deze haring wordt in Denemarken en Noorwegen ingekocht en naar Nederland vervoerd om verwerkt te worden tot maatjesharing of Hollandse Nieuwe.

Haring

HaringPFA

Kenmerken

De buikvinnen beginnen achter de voorkant van de rugvin. Het kieuwdeksel is glad. De schubben op de buik tussen de buikvinnen en aarsvin hebben geen scherpe kiel, zoals bij de sprot. Over het midden van elke flank zijn meer dan 60 grote schubben aanwezig. De bek reikt niet tot de achterste rand van het oog.

Biologie

Net als bij andere vissen is er bij de haring een jaarlijks migratiepatroon van voedselrijke gebieden naar de paaiplaats en weer terug. Deze migratiepatronen verschillen voor de verschillende haringstocks. De haring komt met name voor in Het Kanaal, de Noordzee, bij de Shetland eilanden en ten noorden en westen van Schotland. Een één jarige haring wordt ook wel een ‘’bliek’’ genoemd. Het visje is dan ongeveer 10 tot 12 centimeter groot. In het tweede jaar noemt men de haring ook wel een ‘’toter’’. De lengte is dan ongeveer 12 tot 14 centimeter. Op dat moment is de haring nog niet geschikt om te worden verwerkt tot maatjesharing, omdat hij nog onvoldoende vet heeft. In het derde jaar is het vetgehalte wel hoog genoeg. Dan kan de haring worden opgevist. De haring wordt op die leeftijd voor het eerst geslachtsrijp en bouwt in de periode waarin veel voedsel beschikbaar is een vetvoorraad op. Die vetvoorraad maakt de haring geschikt om tot maatjesharing te worden verwerkt. Vanaf het derde levensjaar van de haring doorloopt de haring een jaarlijkse biologische cyclus. Daarbij is de vetopbouw afhankelijk van de geslachtsrijpheid. De biologische verschijningsstadia van de haring zijn:

  • Maatjesharing (oftewel Hollandse Nieuwe): Deze haring heeft een hoog vetgehalte (16 tot 26%). Het is een malse, goed doorvoede vis. Kenmerkend is de witte vetlaag. Door dit hoge vetgehalte is de vis kwetsbaar. Na verloop van tijd verandert deze vetlaag in een doorzichtige, olieachtige laag. Een gevolg van deze verandering is dat de huid dun wordt. Na rijping laat de huid gemakkelijk los. Er is geen hom of kuitvorming aanwezig. Maatjesharing wordt van half mei tot juli gevangen. In die periode voedt de haring zich volop en loopt zijn vetgehalte op. De aanwezigheid van maatjesharing is afhankelijk van het type haring en het voedselaanbod in zee.
  • Vetharing: Bij vetharing is een lichte aanzet van hom of kuit aanwezig. Voor hom- en kuitvorming is veel energie nodig. De haring haalt die energie uit de vetlaag. Bij de vetharing zijn de kenmerken van het maatje nog duidelijk aanwezig. Meestal wordt de vetharing gevangen in de maanden juni en juli, maar soms ook in het begin van augustus. Dit is wederom afhankelijk van het type haring en het voedselaanbod.
  • Volvette haring: De vette haring gaat hom en kuit vormen. Deze producten zijn dan ook duidelijk aanwezig bij deze vis. Het vetgehalte is teruggelopen. Hom is te herkennen door z’n stevige structuur en kuit is te herkennen door z’n rode kleur. Bij volvette haring wordt ook het visvlees steviger. De volvette haring is minder geschikt om als maatjesharing gebruikt te worden. Deze haring wordt van augustus tot september gevangen.
  • Volle haring: In dit stadium is het vetgehalte van haring duidelijk lager. Het vetgehalte is teruggelopen van ongeveer 25% naar ongeveer 12 tot 14%. De huid zit stevig aan het visvlees vast. De vetlaag is in een geringe hoeveelheid aanwezig. De hom en kuit nemen niet meer in toe. Hierbij is de hom minder stevig van structuur en heeft de kuit een roze tot lichtgele kleur gekregen. De buik van de volle haring ziet er dik uit. In dit stadium is de haring ongeschikt om als maatjesharing verkocht te worden. Volle haring wordt van september tot oktober gevangen.
  • Volrijpe haring: Volrijpe haring staat op het punt om zich voort te planten. Het vetgehalte van de volrijpe haring is lager dan van de volle haring. De hom is niet meer stevig en in de kuit zien we een duidelijke segmentvorming. Er zijn zelfs losse kuitstukken. Daarom wordt deze haring ook wel kuitzieke haring genoemd. De kuit is geel tot melkachtig van kleur en soms bloederig. De buiken van de haringen stulpen uit en de eitjes en het sperma worden afgezet. Het vetgehalte van de vis zakt tot 10%. De volrijpe haring is niet geschikt om als maatjesharing te worden verwerkt. De vis wordt van oktober tot december gevangen.
  • IJle haring: De haring wordt ijl genoemd als hom of kuit geschoten is. Na het paaien, wat veel energie kost, is de vis mager en bedraagt het vetgehalte 3 tot 7%. Het visvlees is rood en stug. IJle haring is alleen geschikt om in marinade gelegd te worden. Deze haring wordt van december tot april gevangen.
  • Vetijle haring: Vetijle haring bereidt zich voor op het stadium van de maatjesharing. In april neemt de hoeveelheid voedsel in het zeewater toe en dan begint de haring zich weer flink te voeden. In mei is de vis redelijk vet; ongeveer 4 tot 12%. Handelaren kopen de vetijle haring soms begin mei in Denemarken, Schotland of Noorwegen als maatjesharing. Deze haring vertoont echter nog een aantal kenmerken van het ijle stadium. Afhankelijk van het voedselaanbod in zee zullen deze kenmerken in de tweede helft van mei (soms begin juni) verdwijnen. Internationaal worden voor de biologische stadia van de haring meetschalen gebruikt. Deze schalen zijn samengesteld door de biologen Hjort en Meijer. Hjort heeft zeven biologische stadia vastgesteld en Meijer vier. Vooral de schaal van Hjort wordt in Europa veel gebruikt.

Sortering

De sortering van maatjesharing die in Noorwegen en Denemarken wordt aangevoerd is als volgt:

  • 3-5 per kg = 330g-200g
  • 4-6 per kg = 250g-165g
  • 5-7 per kg = 200g-145g
  • 8-12 per kg = 125g- 85g

Kleiner dan 85g is ondermaats en deze ondermaatse haring wordt niet verwerkt. De sortering van haring uit een ander seizoen of die gebruikt wordt voor andere doeleinden (zoals roken en export) kan iets afwijken van bovenstaande sortering.

Makreel (Scomber scombrus)

Makreel is een populaire vis onder consumenten en heeft daardoor ook een grote commerciële waarde.

Makreel

MakreelEcomare

Kenmerken

De staart heeft aan de boven- en onderkant 5 vinnetjes. De afstand tussen de rugvinnen is groter dan de lengte van de eerste rugvin. Zijn rug is blauwgroen met blauwzwarte strepen. Er zijn geen vlekken onder de zilverwitte zijlijn.

Biologie

Ze worden geslachtsrijp aan het eind van het derde levensjaar. Gedurende de eerste helft van het jaar plant de makreel zich voort. De exacte periode is afhankelijk van het gebied waarin de makreel paait. In de zuidelijke wateren paaien de makrelen al vroeg in de lente en in het noorden paaien de makrelen in de zomer. De makreel kom voor in de Atlantische Oceaan, de Noordzee, de Oostzee, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee boven het continentaal plat. In de visserij maakt men een onderscheid tussen de westelijke en de Noordzee populatie. Vanaf januari is de makreel rondom de Shetland eilanden pas van belang voor de Nederlandse trawlervloot. Van daaruit trekt de makreel geleidelijk aan naar het zuiden. Makreel is een vis die in scholen zwemt. Bij de trek splitst de populatie zich min of meer op in drie groepen. Een klein deel zwemt de Noordzee in, een ander deel verkiest de Ierse Zee en het grootste deel zwemt langs de Schotse en Ierse westkust zuidwaarts. De kwaliteit van de makreel kan van gebied tot gebied verschillen. Makreel die wordt gevangen voor de zuidwest- en westkust van Ierland en in de noordelijke Noordzee is vetter dan de makreel voor de Nederlandse kust. Het visseizoen van de makreel loopt van oktober tot maart. Het vetgehalte van de makreel wisselt net als bij de haring per seizoen. Overwegend vind men de volgende vetgehaltes bij makreel:

  • 28-32% in oktober/november
  • 24-28% in december
  • 20-24% in januari/februari
  • 16-18% in maart/april

Sortering

Voor makreel gebruikt men onderstaande sortering:

  • >600 gram
  • >500 gram
  • 400/600 gram
  • 300/500 gram
  • 200/400 gram
  • 150/200 gram
  • 100/150 gram

Horsmakreel (Trachurus trachurus)

De horsmakreel is ook een commercieel belangrijke vissoort en wordt vaak gerookt, gefrituurd, gezouten of gebakken gegeten. Voor de Nederlandse pelagische vloot is het één van de belangrijkste soorten. Hij wordt voornamelijk geëxporteerd naar Rusland, Nigeria en de Japanse markt.

De horsmakreel (Trachurus trachurus).

De horsmakreel (Trachurus trachurus).

Kenmerken

Hij heeft één anaalvin en twee rugvinnen, waarvan de eerste hoog is. Op de zijlijn zitten grote, gekielde schubben. De zijlijn heeft een knik achter de borstvin. Voor de anaalvin zitten twee stekels. De onderkaak is langer dan de bovenkaak. Er zit een zwarte vlek op het kieuwdeksel.

Biologie

In het noordoosten van de Atlantische Oceaan komen twee populaties voor, namelijk de westelijke en de Noordzee populatie. De westelijke populatie paait in het vroege voorjaar in een uitgestrekt gebied tussen Ierland en de Golf van Biskaje en trekt daarna noord- en oostwaarts richting Zuid-Noorwegen en de noordelijke Noordzee. De Noordzee populatie paait ’s zomers in de zuidelijke Noordzee en trekt vervolgens naar de centrale Noordzee, het Skagerrak en het Kattegat. Ze worden voor het eerst geslachtsrijp op een leeftijd van 3 à 4 jaar bij een lengte van ongeveer 25 cm. Er wordt jaarrond op horsmakreel gevist in Het Kanaal, de Noordzee, bij de Shetland eilanden en ten noorden en westen van Schotland. Het vetgehalte van de horsmakreel ligt tussen de 8% tot 18%.

Sortering

Voor de horsmakreel gebruikt men onderstaande sortering:

  • > 25cm (25cm+)
  • 23-25cm (23cm+)
  • 20-23cm (20cm+)
  • 18-20cm (18cm+)
  • 16-18cm (16cm+)
  • 12-16cm (12cm+)

Sardine (Sardina pilchardus)

In Nederland is deze vis ook wel bekend onder de naam sardien of pelser. Deze vis dankt zijn naam aan het eiland Sardinië, waar deze vis ooit in grote aantallen leefde.

De sardine

De sardine

Kenmerken

Hij heeft grote, losliggende schubben, waarvan er ongeveer 30 op de zijlijn liggen. Het kieuwdeksel heeft radiale groeven. De basis van de buikvinnen zit achter de voorkant van de rugvin. De mondhoek reikt niet tot de achterste rand van het oog. Ter hoogte van de ogen zijn er zwarte vlekjes op de flanken. De maximum lengte is 25 centimeter.

Biologie

Ze leven op dieptes van 10 tot 60 meter, waarbij ze met name overdag het diepere water opzoeken. Ze paaien afhankelijk van het gebied in open zee of nabij de kust. In de zuidelijke Noordzee loopt het paaiseizoen van juni tot augustus, in Het Kanaal in april en voor de Portugese kust tussen februari en april. Na het kuitschieten keren ze terug naar hun voedselgronden. In de zomer trekken ze in noordelijke richting en in de winter weer naar het zuiden. Sardines worden voornamelijk gevangen tussen oktober en januari in Het Kanaal. Het vetgehalte van sardines ligt tussen de 8% tot 20%.

Sortering

Voor de sardine gebruikt men de volgende sortering:

  • 5/7 kg
  • 8/12 kg

Blauwe wijting (Micromesistius poutassou)

In tegenstelling tot makreel en haring is deze vis niet als verse vis bij een visboer te koop, maar wordt deze vis met name gebruikt als industrievis. Men verwerkt de blauwe wijting bijvoorbeeld tot vismeel, kibbeling en surimi.

De blauwe wijting

De blauwe wijting

Kenmerken

De rugvinnen zijn kort en goed van elkaar gescheiden. Vooral de afstand tussen de achterste twee vinnen is groot. De vis heeft twee anale vinnen, waarvan de eerste heel lang is. De baarddraad aan de kin ontbreekt en de onderkaak steekt iets vooruit. De binnenkant van de bek en de kieuwholte zijn zwart. Qua kleur lijkt de blauwe wijting veel op de haring. De rug is lichtgrijsblauw tot grijs en de zijkanten en de buik zijn zilverachtig. Hij kan 50cm lang worden met een gewicht van 1kg.

Biologie

Aan het eind van zijn vierde levensjaar bereikt de blauwe wijting een lengte van 20cm tot 30cm en is hij geslachtsrijp. Het is een pelagische vis die behoort tot de kabeljauwachtigen. Hij leeft voornamelijk in diep water tussen de 100 en 1000 meter. Hij komt voor langs de rand van het continentale plat, vanaf het westelijk deel van de Middellandse Zee tot IJsland, Groenland en ten noorden van Spitsbergen. De jongen komen ook voor in de Noorse Zee, Noordzee en het Skagerrak. Een enkele keer wordt hij in de kustwateren gevangen. De belangrijkste paaigebieden liggen in het zuidelijk deel van het verspreidingsgebied ten westen van de Britse eilanden. Ze paaien in maart en april en verspreiden zich daarna over grote gebieden in de Noorse Zee en de Barentszzee. Ze hebben een voorkeur voor water met een temperatuur van 8-9°C. De larven en de pootvissen leven in de bovenste lagen van ongeveer 1000 meter diep water. Ze voeden zich vooral met schaaldieren en visjes en zijn zelf een belangrijke voedselbron voor de grotere vissoorten. Er wordt voornamelijk tussen februari en mei gevist op blauwe wijting. Het vetgehalte van blauwe wijting ligt tussen de 4% tot 7%.

Sortering

Voor de blauwe wijting gebruikt men de volgende sortering:

  • 17cm+
  • 20cm+
  • 25cm+

Zilversmelt (Argentina silus)

De grote zilversmelt is een vis die in scholen zwemt en zich voedt met kreeftachtigen, pijlinktvissen, ribkwallen en kleinere vissen.

De zilversmelt

De zilversmeltCornelis Vrolijk

Kenmerken

Het zijn slanke, zilverkleurige vissen met grote ogen. De mondhoek reikt niet tot het oog. De basis van de buikvinnen staat iets achter de rugvin. Tussen de rugvin en de staart zit een klein vetvinnetje. Ze hebben grote schubben. Naast de grote zilversmelt bestaan er ook nog een aantal kleinere soorten zilversmelt. Bij deze kleinere soorten zilversmelt is de snuit langer dan of even lang als de oogdiameter. De zijlijn heeft 50 tot 54 schubben en de maximumlengte is 30 tot 35 cm. Deze vissen kunnen maximaal 16 jaar worden. Bij de grote zilversmelt (Argentina silus) is de snuit korter dan de oogdiameter. De zijlijn heeft 65 tot 70 schubben en de maximum lengte is 70 cm. Deze vissen kunnen maximaal 35 jaar worden.

Biologie

De kleine zilversmelt leeft in scholen dicht bij de bodem op dieptes van 50 tot 500 meter. Bij een lengte van 12-13 cm worden de vissen geslachtsrijp. Ook de grote zilversmelt leeft in scholen dichtbij de bodem op 150 tot 1400 meter. De paaitijd is hoofdzakelijk van maart tot mei, maar geslachtsrijpe dieren worden het hele jaar aangetroffen. Ze hebben een trage groei en worden geslachtsrijp bij een lengte van ongeveer 30 cm en een leeftijd tussen de 5 tot 7 jaar. Voor de Noorse kust worden de vissen pas geslachtsrijp op een leeftijd tussen de 8 tot 10 jaar. De zilversmelt wordt hoofdzakelijk gevangen in de Atlantische Oceaan en de Noordelijke ijszee. Het vetgehalte van de zilversmelt ligt tussen de 4% tot 7%.

Sortering

Voor de zilversmelt gebruikt men de volgende sortering:

  • 1-3 per kg
  • 2-5 per kg

2Doelsoorten voor de West-Afrikaanse wateren

Vanaf 1996 vissen de Nederlandse hektrawlers in de wateren van Mauritanië. De eerste twee jaar viste men daar met twee schepen, maar er kwamen meer Nederlandse schepen nadat Russische en Poolse schepen hun visserij activiteiten verminderden. Dit was mogelijk omdat de EU, en in het bijzonder Nederland, een overeenkomst hadden afgesloten met Mauritanië om te mogen vissen in hun wateren. De Nederlandse wetenschappers (Wageningen Marine Research) doen veel onderzoek naar de grootte van de visbestanden in dit gebied.

De Atlantische Oceaan bij Mauritanië en de buurlanden zijn rijk aan kleine pelagische vissoorten zoals makreel en sardien. Deze zwemmen in grote scholen in de bovenste waterlagen. Ze heten kleine pelagische soorten om ze te onderscheiden van de andere grote pelagische soorten zoals tonijn en zwaardvis. De overvloed aan kleine pelagische vissoorten in West Afrikaanse waters is te danken aan de hele hoge productie van plankton in dit gebied. Dat komt door de opwelling ter plaatse, waardoor de zee enorm rijk is aan voedingszouten (nutriënten). Voor meer informatie over opwellingsgebieden kun je terecht in het boekje “Ecologie”.

Planktonbloei voor de kust van Mauritanie. Als er veel primaire productie plaatsvindt zijn de visbestanden vaak ook groter.Chelys

De meest voorkomende kleine pelagische vissen in West Afrika zijn:

  • Sardinella (Sardinella aurita en de Sardinella maderensis)
  • Sardine (Sardina pilchardus)
  • Horsmakreel (Trachurus trachurus, Trachurus trecae, Caranx rhonchus)
  • Makreel (Scomber japonica)

Sardinella (Sardinella aurita & Sardinella maderensis)

Voor de West-Afrikaanse kust worden twee verschillende soorten sardinella’s gevangen. De ene soort (Sardinella aurita, ook wel ronde sardinella genoemd in het Nederlands) komt in grotere aantallen voor en leeft verder uit de kust dan de andere soort sardinella (Sardinella maderensis, ook wel platte sardinella genoemd in het Nederlands). Ook leeft de ronde sardinella in de wat noordelijkere wateren rond Marokko en Mauritanië, terwijl de platte sardinella zich meer in de zuidelijkere wateren van Senegal en Gambia bevindt. De platte sardinella wordt algemeen gezien als een belangrijke bijvangstsoort voor de pelagische visserij.

De ronde sardinella (links) en de platte sardinella (rechts).

De ronde sardinella (links) en de platte sardinella (rechts). Union Africane

Kenmerken

Beide sardinella soorten zijn haringachtige vissen die sterk op elkaar lijken. Het lichaam is meestal cilindervormig, maar soms hebben ze ook een beetje een gedrongen bouw. De buik is eerder afgerond dan de staart. Ook heeft deze vis een lange staartvin. Zijn lengte ligt meestal tussen de 23 en 28 cm. De flanken zijn zilverkleurig, met een zwakke, goudkleurige zijstreep, die alleen te zien is bij verse vis. De enige verschillen tussen de platte en de ronde sardinella zijn:

  • Het aantal vinstralen op de buikvinnen; De platte sardinella heeft er zeven en de ronde sardinella heeft er 8.
  • Het kieuwdeksel; De platte sardinella heeft geen zwarte vlek op het achterste deel van het kieuwdeksel.
  • De staartvin; De platte sardinella heeft een grijze staartvin met zwarte punten.

Biologie

In het Noordelijk deel van de Mauritaanse zone is de voortplanting meestal in de maanden september en oktober, maar onderzoek heeft aangetoond dat er ook voortplanting plaats vindt in de maanden januari en februari. Waar dit verschil in voortplantingstijdstip vandaan komt is niet met zekerheid te bepalen. Het is afhankelijk van de temperatuur van de bovenste waterlagen, maar ook van de stroming en de beschikbare hoeveelheid voedsel. Het bepalen van de leeftijd van vis in deze tropische wateren is aanmerkelijk lastiger dan bij vis in een gematigd klimaat. Hierbij zie je een groei in de zomermaanden als er veel voedsel is en een langzame of zelfs geen groei in de winter. De groeiringen op de gehoorsteentjes of schubben zijn moeilijk te zien. Gedurende de eerste twee jaar groeit de Sardinella heel snel tot een vis van wel 30 cm. Na het tweede of derde jaar groeit de vis bijna niet meer. Vanaf het derde levensjaar van de sardinella wordt het lastiger om de leeftijd te bepalen. Sommige wetenschappers denken zelfs dat een sardinella niet ouder dan drie jaar wordt, terwijl andere wetenschappers beweren dat een sardinella wel acht jaar oud kan worden.

Gehoorsteentjes (otolieten) van een sardinella. Elke ring die je ziet staat voor een levensjaar. Ibrahim Said Al-Anboori

Het vissen op sardinella begint in het voorjaar als de vis vanuit de Senegalese wateren noordwaarts trekt. De visserij eindigt zodra de vis vanuit het noorden weer teruggaat. Qua sardinella vangsten zijn de resultaten het hoogst in de maanden april tot oktober. Daarna stopt het vissen, omdat de scholen niet meer te vinden zijn. Dit kan twee redenen hebben, namelijk:

  • De vis trekt langs de kust naar het zuiden en is daardoor niet meer bereikbaar voor Nederlandse schepen, omdat daar geen vergunning voor is.
  • De vis trekt heel ver uit de kust naar het zuiden.

De trawlers die het hele jaar in deze West-Afrikaanse wateren blijven, vissen in de winter op sardien en makreel. Overigens is het zo dat alle kleine pelagische vissoorten in het gebied migreren tussen Senegal, Mauritanië en Marokko. Over een migratie tussen het oosten en het westen is weinig bekend. Daar wordt wel onderzoek naar gedaan.

Sortering

Voor de sardinella gebruikt men de volgende sortering:

  • 20 cm+
  • 25 cm+

Sardien (Sardina pilchardus)

Deze soort is al beschreven in hoofdstuk 5.1. Op deze vis wordt ook jaarrond gevist in de West-Afrikaanse wateren. Het vetgehalte van deze sardines ligt tussen de 8% tot 18%. Men gebruikt de volgende sorteringen:

  • 16cm+
  • 18cm+
  • 20cm+

Horsmakreel

In een eerder hoofdstuk is de horsmakreel (Trachurus trachurus) al besproken. Qua vetpercentage en sortering wijkt deze soort horsmakreel niet veel af van de horsmakreel die in de Noordoost Atlantische Oceaan wordt gevangen. De Trachurus trecae is een andere soort horsmakreel die gevangen wordt in de West-Afrikaanse wateren. Deze vis zwemt in scholen op dieptes tussen de 20 tot 100 meter. De lengte voor deze vis ligt tussen de 35cm tot 80cm. Een andere soort horsmakreel is de Caranx rhonchus welke gevonden wordt op dieptes van 15 tot 200 meter. Ze worden maximaal 60 centimeter lang.

Er zijn meerdere soorten horsmakreel, zoals de Trachurus trecae.

Er zijn meerdere soorten horsmakreel, zoals de Trachurus trecae. Fishbase

Er zijn meerdere soorten horsmakreel, zoals de Caranx rhonchus.

Er zijn meerdere soorten horsmakreel, zoals de Caranx rhonchus. Fishbase

Spaanse makreel (Scomber japonicus)

De Spaanse makreel is een commercieel belangrijke vissoort die in drie verschillende oceanen gevonden wordt, namelijk de Grote-, Atlantische- en Indische Oceaan.

Spaanse makreel

Spaanse makreelSmithsonian Institution

Kenmerken

Achter de rug- en aarsvin zitten vijf kleine vinnetjes. De afstand tussen de rugvinnen is kleiner of gelijk aan de lengte van de eerste rugvin. Onder de rugvin zie je talloze vlekken. De maximumlengte voor de Spaanse makreel bedraagt 50 centimeter. Hij heeft een voorkeur voor warmer water in vergelijking met de gewone makreel (Scomber scombrus).

Biologie

Er wordt jaarrond gevist op de Spaanse makreel. Meestal bevindt deze soort zich op een diepte van 0 tot 300 meter. Ook zwemt deze vis, net als de meeste andere doelsoorten van de pelagische visserij, in grote scholen. De vrouwtjes leggen tussen de 100.000 en 400.000 eitjes tijdens de paaitijd. Meestal planten ze zich voort in de periode van maart tot oktober, met een piek in de maanden april tot augustus. Aangezien de Spaanse makreel geen grote roofvis is, moet hij zich goed verstoppen voor jagers door zich te camoufleren. Bij gevaar zoeken ze vaak het wateroppervlak op om optimaal gebruik te maken van hun camouflage. Door hun donkere rug en lichtere buik zijn ze aan het wateroppervlak lastig te zien voor roofdieren van onder (zoals haaien) en boven (zoals vogels). Het vetpercentage van de Spaanse makreel ligt tussen de 8% tot 18%.

Sortering

Voor de Spaanse makreel gebruikt men de volgende sortering:

  • 20 cm+
  • 25 cm+
  • 30 cm+

3Bijvangstsoorten West-Afrikaanse wateren

De belangrijke bijvangstsoorten van commercieel belang zijn de horsmakreel, de platte sardinella (Sardinella maderensis), de haarstaartdegenvis (Trichiurus lepturus), de lange kousenband vis (Ned.) en bonito (Sarda sarda). Soms worden er ook grootkopharders (Mugil cephalus) of een enkele tonijn gevangen.

Haagstaartdegenvis

HaagstaartdegenvisOsmany

Bonito

BonitoValter Jacinto

Grootkopharder

GrootkopharderSmithsonian Institution

Verder bestaat de bijvangst uit veel andere vissoorten die niet van commercieel belang zijn. Meestal worden deze soorten in relatief kleine aantallen gevangen. Het gaat dan om de koningsvis (Lampris guttatus), roggen, haaien, schildpadden, dolfijnen en zwaardvissen. Deze grote pelagische vissen kunnen niet door de vispomp en worden daardoor pas opgemerkt als het net helemaal binnenboord is gehaald. Men probeert de vangst van deze soorten zoveel mogelijk te voorkomen door gebruik te maken van allerlei technische innovaties.

4Doelsoorten voor de Grote Oceaan

In 2005 heeft er voor het eerst een Nederlandse hektrawler in de Pacific gevist. Een jaar later heeft hetzelfde schip er het hele seizoen gevist van maart tot oktober. De positieve resultaten van deze visserij leidden ertoe dat in de daaropvolgende jaren met meerdere hektrawlers is gevist. Dit waren niet allemaal Nederlandse schepen, maar ook buitenlandse schepen van de Pelagic Freezer-Trawler Association. Er wordt gevist buiten de Chileense Exclusieve Economische Zone (EEZ) tot een lengte van 115° west. In het boek “Visstandbeheer” staat uitgebreid uitgelegd wat een Exclusieve Economische Zone precies is.

In paars zie je de EEZ van Chili die tot 200 nm vanaf de kust strekt. Het lichtblauwe vlak geeft het visgebied weer waarin de Pelagic Freezer-Trawler Association opereert (Dit loopt tot 115° west).Gi

De belangrijkste vissoorten voor de pelagische vloot in de Grote Oceaan zijn:

  • De Chileense horsmakreel (Trachurus murphyi)
  • De Spaanse makreel (Scomber japonicus)

De vangst bestaat grotendeels uit de Chileense horsmakreel (Trachurus murphyi). Een kleiner deel van de vangst bestaat uit de Spaanse makreel (Scomber japonicus) en in hele kleine hoeveelheden wordt de Braam (Brama australis) gevangen. Er wordt van april tot en met september in de Grote Oceaan gevist. De beste vangsten worden meestal in juli gerealiseerd. Het visgebied ligt in april meestal tussen de 40° en 45° zuid, buiten de EEZ van Chili. In de daaropvolgende maanden verplaatst de vloot zich, vanaf het continent gezien, in een Noordwestelijke richting. Het vissen eindigt rond september/oktober in het meest westelijke gedeelte van het gebied. Dit kan per jaar enigszins verschillen. Opvallend is dat het vetpercentage voor bovenstaande vissen in de Grote Oceaan lager is ten opzichte van hun soortgenoten in de Atlantische Oceaan.

Chileense horsmakreel (Trachurus murphyi)

De Chileense horsmakreel wordt bevist door de Peruaanse, Chileense, Ecuadoraanse en internationale vloot. Aanvankelijk werd er door Russische en Poolse schepen op deze soort gevist eind jaren 70. Sindsdien zijn er steeds meer landen op gaan vissen en werd de grootste vangst behaald in 1995 toen er 5 miljoen ton werd opgevist. Na 1995 zijn de vangsten sterk teruggelopen door het uitblijven van sterke jaarklassen en toenemende vangsten.

De Chileense horsmakreel.

De Chileense horsmakreel. Shorefishes of the tropical eastern Pacific

Kenmerken

Zijn lichaam is langwerpig en enigszins gedrongen. De bovenkant is donkerblauw en de buik is zilverwit van kleur. Er zit een zwarte vlek op de bovenste achterrand van het kieuwdeksel. De borstvin is sikkelvormig en zeer lang. Gemiddeld heeft de Chileense horsmakreel een lengte van 45cm, maar ze kunnen een maximale lengte van 70cm bereiken. De Chileense horsmakreel is verder te onderscheiden van andere horsmakrelen door zijn aantal kieuwbogen (51 tot 65) en door het aantal schubben op de zijlijn (89 tot 113).

Biologie

De Chileense horsmakreel plant zich voort tijdens de zomermaanden. Evenals bij de sardinella in de Atlantische Oceaan bestaan er bij de horsmakreel meerdere populaties. Zo is er een populatie met een terugkerende migratie van volwassen vissen van de Chileense kustwateren naar de Oceaan om te paaien. Daarna komen ze terug naar de kust om zich te voeden. Deze populatie wordt ook wel de “Chilean Stock” genoemd. Jonge vissen van deze populatie komen na ongeveer twee jaar in het kustgebied aan. In de Grote Oceaan bevindt zich ook een grote populatie horsmakreel op 120° W met een migratiepatroon van zuidelijk, koud water naar noordelijke, subtropisch water waar ze paaien. Na het paaien trekken ze weer terug naar het zuiden.

Interessante informatie over de migratie is verkregen door de geografische gegevens te koppelen aan de lengte van de vis. Zo blijkt dat bij de start van het seizoen in april het grootste deel van de populatie zich net buiten de Chileense EEZ bevindt. Tijdens deze periode worden relatief goede vangsten gedaan. In de daaropvolgende maanden trekt de vis in noordelijke tot noordwestelijke richting. Als het seizoen vordert verdwijnen de grootste vissen (>45 cm) uit de vangst. Aan het eind van het seizoen zien we een steeds meer verspreid voorkomen van de vis. De vis die gevangen wordt door de trawlers heeft een lage ontwikkeling van kuit en hom. Uitgedrukt in een cijfer van 2 of 3 op een schaal van 5. In de vangst vindt men over het algemeen geen vissen die zich in een paaitoestand bevinden. Het is daardoor waarschijnlijk dat de vis zich verspreidt in het voortplantingsseizoen. Dit kan een reden zijn dat de trawlers ze niet meer vinden. Het verklaart ook het niet vangen van de grootste vis in het tweede deel van het seizoen.

Spaanse makreel (Scomber japonicus)

Hierboven is de Spaanse makreel al beschreven.

5Bijvangstsoorten Grote Oceaan

Een van de bijvangstsoorten in de Grote Oceaan is de braam (Brama australus). Het is een pelagische vis die voorkomt op dieptes tussen de 15 tot 500 meter.