Werkwijze

Dit hoofdstuk gaat uitgebreider in op de werkwijze aan boord van een hektrawler voor het uitzetten van het net, voor het vissen, voor het halen van het net en het aan boord brengen van de vangst.

1Het uitzetten van het net

Om een school vissen te vangen, brengt de schipper het net in de waterkolom. Hij zorgt ervoor dat de netopening door de dichtste concentratie van de school vis gaat. Dat kan door het net omhoog of omlaag te brengen. Als de schipper het net omhoog moet brengen, wordt de snelheid verhoogd, waardoor de visborden meer liftkracht op het net uitoefenen.

Het kan voorkomen dat de beschikbare tijd, die bepaald wordt door snelheid en de uitgevierde lengte van de vislijn, te kort is. In dat geval probeert de schipper de vislijnen in te halen, terwijl de snelheid zoveel mogelijk gehandhaafd blijft. Dit kan alleen als de vislier sterk genoeg is en er voldoende voortstuwingsvermogen beschikbaar blijft. De vislier moet in staat zijn om het vistuig tijdens het vissen, tegen de stuwkracht van de schroef in, naar het schip te trekken. Alleen op die manier is een efficiënte beoefening van de pelagische visserij mogelijk.

Het uitzetten van het net.

Het uitzetten van het net. Visserijnieuws.punt.nl

Als de school vis zich lager in de waterkolom bevindt dan het net, dan wordt de snelheid verlaagd. Als de school zich echt veel dieper dan het net bevindt, dan wordt de vislijn uitgevierd. Via de trawlsonar kan de schipper zien of de school helemaal in de netopening komt of dat de school gedeeltelijk ontsnapt door bijvoorbeeld een neerwaartse ontwijkingreactie voor het naderende net.

Hoewel de pelagische visserij op elke positie in de waterkolom beoefend kan worden, vissen de Nederlandse hektrawlers vaak vlak boven de zeebodem. Dit doen ze omdat haring, makreel en horsmakreel zich vooral overdag bij de zeebodem ophouden. Dit vergt veel ervaring en een nauwkeurige regeling van de snelheid om het verloop van de zeebodem te kunnen volgen. De nokgewichten zijn dan in contact met de zeebodem, waardoor de naar beneden gerichte kracht van de nokgewichten op het net afneemt en het net niet verder zakt. De verticale netopening neemt hierdoor wel af.

Sommige pelagische vissoorten hebben een voorkeur voor een bepaalde watertemperatuur. Met name de ‘spronglaag’ is voor veel vissoorten een barrière. De spronglaag is een overgang tussen twee lagen water met verschillende temperatuur en dichtheid. Informatie hierover is van groot belang voor het resultaat. Daarom is er een temperatuursensor in de omhulling van de trawlsonar gemonteerd . De temperatuur van de waterlaag, waarin het net zich bevindt, kan op de trawlscan afgelezen worden. Ook zijn er kaarten beschikbaar waarop de zeewatertemperatuur is aangegeven. Deze gegevens worden door een satelliet verzameld.

De spronglaag vormt een natuurlijke scheiding tussen kouder en warmer water. Je ziet dat de temperatuur op een bepaalde diepte snel toe of afneemt, zoals te zien is aan de blauwe lijn in de linker figuur. Deze spronglaag zorgt ervoor dat er weinig uitwisseling is tussen de bovenste en onderste waterlaag, zoals te zien is in de figuur rechts.

De spronglaag vormt een natuurlijke scheiding tussen kouder en warmer water. Je ziet dat de temperatuur op een bepaalde diepte snel toe of afneemt, zoals te zien is aan de blauwe lijn in de linker afbeelding. Deze spronglaag zorgt ervoor dat er weinig uitwisseling is tussen de bovenste en onderste waterlaag, zoals te zien is in de afbeelding rechts. Slootdiertjes.nl & Carpfeeling.com

Werkwijze voor het uitzetten van het net

De ploeg die achterop het dek staat (ook wel de achterop ploeg genoemd) is verantwoordelijk voor het onderhoud van het vistuig, voor de samenstelling van het vistuig en voor de procedure bij het uitzetten en halen van het net. Deze ploeg bestaat uit vier vaste mensen: de bootsman en drie matrozen. Op grotere schepen wordt er in ploegendienst gewerkt, op kleinere schepen is er maar één ploeg voor het achterdek. Deze moeten 24 uur per dag beschikbaar zijn. Als het schip de visgronden bereikt, maakt de achterop ploeg het schip klaar om te vissen. Bij mooi weer zetten ze de borden en de gewichten buitenboord en leggen ze de kuil klaar om zo snel mogelijk te kunnen uitzetten.

Nadat het signaal voor het uitzetten of halen is gegeven, gaat de achterop ploeg naar de kleedruimte. Ze trekken het oliepak aan of als het kouder is een werkpak met beperkt drijfvermogen. Daaroverheen een werkzwemvest met een crewsafer en een veiligheidshelm. De bootsman heeft een headset om met de brug te kunnen communiceren. Dat zijn de wettelijke eisen van de scheepvaartinspectie. Naast dat het wettelijk verplicht is, is veiligheid van groot belang. Nog steeds gebeuren er (te)veel ongelukken binnen de visserijsector en is het een van de gevaarlijkste beroepen ter wereld. Meer informatie over veiligheid is te vinden in het boek ‘Visserijmethoden’ in het hoofdstuk ‘Veiligheid’. Door je aan de wettelijke eisen te houden draag je bij aan de veiligheid op het achterdek.

Zodra iedereen van de achterop ploeg klaar staat kan de kuil overboord gezet worden. De kuil en het achternet worden verder van de nettenrol gevierd. Het kuiltouw zit op een hulptrommel gedraaid. Deze trommel viert tegelijk met het achternet mee tot de plaats waar het kuiltouw bevestigd moet worden. Het net wordt verder gevierd.

Tijdens het vieren van het net staan twee man bij de nettenrol. Zij letten erop of het net niet gaat spinnen. Als het net toch begint te spinnen, dan moet er op tijd een sein worden gegeven om de nettenrol te stoppen. Er wordt verder gevierd tot de onderpees en het bevestigingspunt voor de trawlsonar (het trawlsonarnet) bij het achterschip komt. De nettenrol wordt gestopt en de trawlsonar wordt ingepikt. De trawlsonar zit op het midden van de bovenpees, aan de onderkant, ingesloten in een brievenbus. Als de trawlsonar is ingepikt, wordt hij omhoog gewonden tot aan het blok en staat dan op self-tension. Bij het uitvieren van het net zal de trawlsonar winch vanzelf mee gaan vieren.

De trawlsonar

Het uitvieren van het net gaat door tot de nokken van het net van de nettenrol komen. De nettenrol stopt als de nokken ingepikt kunnen worden. Aan de nokken zijn ringen bevestigd. In de bovennok wordt met een haak de bovenkabel en een wartel voor het uitdraaien ingepikt. In de ondernok wordt de verlenging (sleep) met een haak en een wartel ingepikt. Deze verlenging zit vast aan het gewicht, dat op zijn beurt weer vastzit aan de onderkabel.

De trawlsonar (links) en het inpikken van de haken van de kabels (rechts).

De trawlsonar (links) en het inpikken van de haken van de kabels (rechts).

De nettenrol wordt weer verder gevierd zodra alle haken zijn ingepikt. Daardoor komen de nokken in de kabels te hangen en vallen de thuishalers slap aan dek. De nettenrol stopt en de thuishalers worden uitgepikt en in een ketting, die aan de kabel hangt, ingepikt. Met het halen kan de thuishaler weer gemakkelijk gepakt worden. Vervolgens wordt, als het vistuig goed hangt, het vermogen van de motor van langzaam naar halve kracht opgevoerd. De kabels kunnen goed strak gevierd worden. In het begin vieren de kabels iets langzamer, zodat goed gecontroleerd kan worden of de gewichten en/of ketels goed vrij van elkaar en van de bordenstroppen wegvieren.

Een overzicht van de verbindingen van de borden (links) en netten (rechts).

Een overzicht van de verbindingen van de borden (links) en netten (rechts).

Als de stoppers van de kabels in de brillen van de bordenstroppen vallen, dan wordt de winch op langzaam vieren gezet. Daardoor komen de kabels strak aan het visbord te hangen. Het bord komt in de borgketting te hangen. De patentschalm, die aan de vislijn zit, komt daardoor slap te hangen. De patentschalm wordt in de G-haak van het visbord ingepikt en de winch wordt gestopt. Vervolgens wordt de vislijn opgedraaid, zodat de borgketting vrij komt te hangen en uitgepikt kan worden. Daarna wordt het vermogen van de motor verhoogd. De achterop ploeg is klaar met uitzetten.

Het uitvoeren van de kabels.

Het uitvoeren van de kabels.

De G haak.

De G haak.

Draaien van het schip.

Draaien van het schip.

Vaak moet het schip weer 180° draaien om op de juiste koers te komen. In dat geval laat men het binnenste visbord in de hanger. Het buitenste visbord wordt ongeveer tien meter gevierd. Het schip draait om en draait maximaal 20° verder dan de beoogde koers voor het vissen. De automatische piloot wordt op de juiste koers ingesteld en ingeschakeld. Hierdoor draait het schip weer iets terug. Het net komt dan sneller recht achter het schip te hangen.

Als laatste wordt het vistuig gelijkmatig weggevierd. De vislijnen worden tot 50 meter handmatig gevierd en dan overgezet op het marelec systeem. Dat systeem zorgt ervoor dat het vistuig uitgevierd wordt tot de ingestelde vislijnlengte. De lengte en de trekkracht van de vislijnen zijn te zien op het scherm van het marelec systeem.

De procedure voor het uitzetten van het net kan als volgt kort samengevat worden:

  • Kuil overboord
  • Achternet en kuiltouw uitvieren tot de strop
  • Kuiltouw in de strop pikken
  • Net verder vieren totdat de trawlsonar en de blazen bevestigd kunnen worden
  • Net verder vieren totdat de nokken van de nettenrol af zijn
  • Verlenging inpikken en bovenkabels inpikken
  • Net uitvieren en de twee onder thuishalers uitpikken van de wineinden
  • De kabels uitvieren tot de kracht op de bordenstroppen komt te staan
  • G-haak in patentschalm van de vislijn pikken
  • Borden iets opdraaien, totdat de borgkettingen slap vallen en deze uitpikken
  • Vistuig vieren

Een schematische weergave van het uitzetten van het net

Een schematische weergave van het uitzetten van het net

2Het vissen

De snelheid van het schip wordt verminderd zodra de ingestelde vislijnlengte is uitgevierd. Het net kan daardoor goed zakken en uitspreiden. De motor wordt harder gezet op het moment dat de onderpees de zeebodem nadert. Daardoor kan het net goed kan spreiden. Vervolgens wordt er gecontroleerd hoe het net staat. De kracht op de vislijnen wordt via het marelec systeem gecontroleerd. Door die informatie kan de juiste vislijnlengte worden ingesteld.

Het vermogen kan ook aangepast worden. Het marelec systeem wordt op automatisch vissen gezet. Als er teveel krachtsverschil op de vislijnen komt, dan laat het marelec systeem een vislijn vieren of juist opdraaien, totdat de kracht weer gelijk is. Hierdoor ontstaat er wel een lengteverschil in de beide vislijnen, maar het zorgt ervoor dat het net wel recht blijft staan. De oorzaak van dit krachtsverschil ligt aan veranderingen in de koers, het tij en de wind. Het net is intussen naar de bodem gezakt.

Als het net goed staat, vaart het schip naar het merk dat in de plotter is gezet tijdens het zoeken naar vis. Ondertussen wordt op de sonar gelet. Op de apparatuur is te zien dat de diepte tot de grond bijvoorbeeld 130 meter is en er 375 meter vislijn is gevierd. Het schip houdt contact met de andere schepen in de buurt. Zo kan er geïnformeerd worden of die nog vis waarnemen. Er wordt recht naar het merk gevist, maar de sonar geeft geen echo. De stand van het net wordt gecontroleerd. De pees ligt iets vrij van de bodem, maar om de vis te vangen moet de pees op de bodem liggen. Er zijn twee manieren om de pees op de bodem te laten zakken. De eerste manier is door het vieren van de vislijn. De tweede manier is door het vermogen van de motor te verminderen. Een combinatie van beide kan ook.

Het omgekeerde kan ook voorkomen. Als er onverwachts een piek of een wrak onder het schip komt, dan moet het net snel hoger in de waterkolom komen. De vislijn wordt dan snel opgedraaid en het vermogen wordt verhoogd.

Een vissende pelagische hektrawler.

Een vissende pelagische hektrawler. Scheveningen-haven.nl

Op de sonar verschijnen een paar echo’s. Het schip vist in die richting met een vissnelheid van ongeveer 3,5/5,5 mijl per uur, afhankelijk van de vissoort. De echo wordt onder het schip waargenomen op de echometer. Het blijkt bijvoorbeeld dat de vis dicht tegen de bodem zit. De onderpees van het net komt op de bodem, zodat de meeste vis van de echo in het net terecht komt. Met de sonar wordt de echo naar achteren gevolgd. Het schip volgt de school vis tot in het net. Ook wordt er goed gekeken of er nog meer echo’s komen, want dan kan men de koers verleggen om ook die vis proberen te vangen. De echo komt nu op het net en de vis gaat goed het net in.

Op het achternet zitten een aantal (catch)sensoren. Na een bepaalde hoeveelheid vis in het achternet wordt de sensor geactiveerd en geeft hij een signaal af, dat op de trawlscan monitor zichtbaar is. Als er voldoende sensoren geactiveerd zijn, dan geeft dat een goede indicatie van de hoeveelheid vis die in het achternet zit. Bij voldoende vis wordt het sein om te halen gegeven.

3Het halen van het net

Het halen van het net gebeurt in opdracht van de kapitein of de 1e stuurman. Hierbij zijn de volgende mensen aanwezig:

  • Degene die de winch bedient op de brug
  • Twee vaste stuurlieden op het achterdek
  • Twee matrozen van dienst

Het halen van het vistuig is in principe het tegenovergestelde van het uitzetten. Als het haalsein wordt gegeven, dan komt de bemanning op het achterdek. Het vermogen van de motor wordt tot 60% verminderd en de vislijnen moeten gelijk staan. Tot de laatste 50 meter vislijn gaat het halen via het marelec systeem. Daarna wordt op handbediening overgegaan.

Zodra de borden boven water zijn wordt het vermogen van de winch weer teruggebracht naar langzaam. Hierdoor voorkom je dat de visborden te hard tegen het hangerblok komen, wat gevaarlijk zou kunnen zijn voor de bemanning op het achterdek. Daarna wordt de snelheid teruggebracht naar langzaam vooruit. De borgketting wordt ingepikt en de vislijn wordt een stukje gevierd. Daarna kan de G-haak worden uitgepikt. Vervolgens wordt er een sein gegeven en kunnen de kabels langzaam opgedraaid worden.

Een schematische weergave van het halen van het net.

Een schematische weergave van het halen van het net.

Zodra de gewichten en de ketels verschijnen, pakt een bemanningslid de thuishaler van de ondernok en pikt deze in het wineind van de nettentrommel. Een ander bemanningslid pakt de bovenste thuishaler en pikt deze ook in het wineind van de nettentrommel. Na een sein wordt de nettenrol in werking gezet.

De thuishalers worden opgedraaid tot de nokken en de bovenkabels en de verlenging wordt uitgepikt. Het net wordt verder opgedraaid tot aan de trawlsonar. Die wordt uitgepikt en aan een strop bevestigd en met de trawlsonarlier strak getrokken, zodat hij vrij hangt. Het achternet wordt verder opgedraaid, zodat er een strop om gedaan kan worden. Die wordt ingepikt aan de jumper. Het kuiltouw word uitgepikt en op een hulptrommel verder opgedraaid tot de kuil aan boord is. Het laatste deel van de kuil is leeg als hij aan boord komt, omdat er iets boven de verdeelstrop een bendel om de kuil is aangebracht. Dat maakt het bevestigen van de vispomp makkelijker.

4Het aan boord brengen van de vangst

Dit kan op twee manieren gebeuren:

  • Doormiddel van het pakken (niet veel schepen doen dit meer)
  • Door het aan boord pompen van de vis

Het pakken

Je slaat een strop bij de hekrol om het netwerk van het achternet en haakt een jumper in deze strop. Dan schakel je de hulptrommel in van de winch waarop de jumper zit en zet deze draad stijf. Daarna laat je de nettentrommel iets uitvieren, zodat de jumper het hele gewicht van de vangst opvangt. Vervolgens kan men het kuiltouw met een aan de tweede hulptrommel bevestigde wineind inhieuwen totdat de verdeelstrop de hekrol bereikt. Dan volgt het inpikken van de jumper.

Vervolgens kan men beurtelings de deksels van de RSW tanks afhalen. De jumper is ingepikt in de verdeelstrop en achter de verdeelstrop bevindt zich een hoeveelheid vis (=een pak), dat over de hekrol aan boord komt en in de kuilvanger valt. Daarna kan de kuilklem losgemaakt worden. Hierdoor komt de pooklijn los en stort de vis via de glijgoot in de RSW tank.

Een schematische weergave van het pakken.

Een schematische weergave van het pakken.

Tenslotte sluit je de kuil met de kuilklem weer af. Je viert de jumper uit, waardoor de kuil en kuiltouw door de belasting van de nog in het achternet aanwezige vis overboord getrokken wordt. Dan moet je de jumper aan het achternet inhieuwen, waardoor nog in het achternet aanwezige vis naar de kuil gedwongen wordt en deze zich weer met vis vult. Daarna kan men de kuil met jumper weer dichttrekken, naar het achterschip trekken en over de hekrol hijsen. Het tweede pak komt aan boord en valt in de kuilvanger. Tegelijkertijd wordt de andere jumper bevestigd aan het achternet bijgevierd door de rem op te lichten. Dit doe je om te voorkomen dat er een te grote belasting op het achternet komt. Vervolgens kan het kuiltouw met de hand ingehaald worden.

Gebruik van de vispomp

Het aan boord pompen van de vis vereist veel aandacht en ervaring. De stuurman regelt de pompdruk waarmee de vis uit het net wordt gepompt. Hij moet erop letten dat de druk waarmee de vis binnenboord wordt gepompt niet te hoog wordt. Bij een te hoge pompdruk of een slechte water/vis verhouding kan de vis snel beschadigen. De druk is afhankelijk van de soort vis. Daarbij gebruikt men overwegend de volgende druk voor onderstaande vissoorten:

  • 100 bar voor haring en grote makreel
  • 125 bar bij horsmakreel, kleine makreel (<500 g), zilversmelt en blauwe wijting

Er is overleg met de chef op het achterdek over de juiste druk. Hij kan de situatie het best overzien en beoordelen. Voor de procedure van het aan boord brengen van de vis met een vispomp begint men met het optrekken van het kuiltouw. Daarna wordt de lege kuil aan boord gehaald. De kuil is leeg doordat er een bendel op zit. Hierdoor kan de vispomp makkelijker worden vastgemaakt. De bendel wordt doorgesneden en de kuil wordt aan de pomp vastgemaakt.

Bij het opstarten van de pomp mag er geen vis in de kuil zitten. Er moet eerst een straal water uitkomen voordat men het kuiltouw en de vispomp laat zakken. De haak van de hijskraan is inmiddels in de vispomp gepikt en die wordt overboord gezet. Dat gebeurt na het teken van de stuurman aan degene die de kraan bedient. De communicatie met de brug en de kraanmachinist gebeurt via helmen met ingebouwde zend- en ontvangapparatuur.

Een gevuld pelagisch net (links).

Een gevuld pelagisch net (links).IMARES

Vispomp

Vispomp

De vispomp zakt in het water en de slang gaat overboord. Zodra de slang is uitgedraaid, kan het water zonder belemmering doorstromen. Door het kuiltouw te vieren kan de kuil zakken. Ondertussen viert de kraan tegelijk met de hydroliekslangen mee. Deze hydroliekslangen zorgen voor de aandrijving van de pomp.

De benodigde lengte die van het kuiltouw wordt gevierd is afhankelijk van de hoeveelheid vis in de kuil. Als het kuiltouw voldoende is uitgevierd, wordt de nettentrommel nog iets opgedraaid totdat het achterstuk wijd gaat staan. De lengte van het kuiltouw wordt dan weer aangepast. Het kuiltouw wordt altijd zo gezet dat deze door de deining strak staat en dan weer slap valt. Hierdoor weet je dat het kuiltouw niet onnodig ver is uitgevierd. Daarmee verklein je de kans dat het om de kuil heen slaat en een draai in het achterstuk veroorzaakt. Het zorgt er ook voor dat de pomp niet in een keer de volle lading vis voor de pompopening krijgt.

Als het kuiltouw niet te strak staat, stroomt er voldoende vis naar de pomp. Het bemanningslid dat de vispomp bedient, regelt ook de klep waarmee de vis naar bakboord of stuurboord wordt gepompt. Dit gebeurt hydraulisch. Vervolgens komt de vis in de waterseparatoren. Daar wordt de vis van het zeewater gescheiden. De vis gaat via de goten de koeltanks in en het overtollige water gaat overboord. De koeltanks zijn gevuld met 35% water dat gekoeld is tot 1˚C. Deze tanks worden RSW tanks genoemd (‘Refrigerated seawater tanks’).

Een RWSTeknotherm