Aanlandplicht

Vissers hebben verschillende redenen voor het teruggooien van vangst in zee (discards), waarvan de belangrijkste:

  • De vangst heeft geen of weinig waarde. Bijvoorbeeld: zeesterren worden niet gegeten en voor schar is een krappe markt wat invloed heeft op de prijs (vraag/aanbod).
  • De vangst is beschadigd.
  • De vangst mag niet aangeland worden:
    • De vis is te klein (er zijn wettelijke minimum maten).
    • De visser heeft geen quotum (meer) voor de vis.
    • Er zijn wettelijke afspraken over de samenstelling van de vangst per 24 uur.
    • De vis is beschermd (bijvoorbeeld steur of bepaalde haaien).
  • Soms gooien vissers bepaalde maten vis terug omdat andere maten interessanter zijn (die meer geld opbrengen, zeker bij een knellend quotum). Dit wordt ‘high graden’ genoemd, en is verboden.

Totale vangst van schol, kabeljauw, schelvis en wijting in de Noordzee. Op schol na worden voor deze soorten de vangstgegevens verzameld voor meer stukken zee dan de Noordzee alleen, omdat ICES al die delen zee beschouwd als een en dezelfde vispopulatie. Aanvoer (grijs), discards (zwart), bijvangst in industrievisserij (geel) in tonnen per jaar.

Totale vangst van schol, kabeljauw, schelvis en wijting in de Noordzee. Op schol na worden voor deze soorten de vangstgegevens verzameld voor meer stukken zee dan de Noordzee alleen, omdat ICES al die delen zee beschouwd als een en dezelfde vispopulatie. Aanvoer (grijs), discards (zwart), bijvangst in industrievisserij (geel) in tonnen per jaar.ICES

De hoeveelheid discards is niet alleen afhankelijk van het vistuig maar ook van een aantal keuzes van de visserman, zoals het visgebied, hoe lang de visser daar blijft, de vissnelheid, duur van de trek, etc. Het gedrag van een visser wordt door meerdere factoren beïnvloed, waaronder door regelgeving. Het verschil tussen vissers en de mate waarin ze discards vangen, is dus ook doordat sommigen ervoor kiezen zich niet aan de regels te houden. Daarnaast maakt een visser een aantal keuzes onder invloed van economische factoren zoals de olieprijs, (de uitputting van) de quota die hij heeft, de druk van zijn leningen en de marktprijzen.

1Discards per vissoort

Hieronder staan de totale vangsten (aanlandingen + discards) voor vier belangrijke commerciële vissoorten uit de Noordzee: schol, kabeljauw, schelvis en wijting. Daar is ook het aandeel discards ten opzichte van de totale vangst door de jaren heen te zien.

Percentages discards ten opzichte van de totale vangst kunnen berekend worden aan de hand van jaarlijkse gegeven van ICES. Een paar voorbeelden (gemiddelden voor de jaren 2010-2013):

  • 39% van alle gevangen schol werd overboord gegooid;
  • 32% van alle gevangen wijting werd overboord gegooid;
  • 15% van alle gevangen heek werd overboord gegooid;
  • 19% van alle gevangen schelvis werd overboord gegooid; (inclusief bijvangsten in de industrievisserij).

2Discards per visserijtype

Tot nu toe ging het over percentages en volumes discards per vissoort. In dit hoofdstuk staan percentages discards per visserijtype. Hier bestaan veel studies van verschillende landen over. Voor het gemak kiezen we de meest recente cijfers voor de Nederlandse visserij, onderzocht door Wageningen Marine Research.

Wageningen Marine Research heeft het over ‘grove indicaties’ van percentages discards per visserijtype, want er zitten behoorlijke verschillen in de hoeveelheid discards tussen verschillende jaren en door het jaar heen. Daarnaast zorgt ook de beperkte hoeveelheid onderzoeksgegevens over discards voor onzekerheid. Dit kan resulteren in een over- of onderschatting van de discards. Schattingen van Wageningen Marine Research staan in de tabel hieronder.

De geschatte percentages bijvangst ten opzichte van de totale vangst (in gewicht), per visserijtype.

De geschatte percentages bijvangst bij bodemvisserij ten opzichte van de totale vangst (in gewicht), per visserijtype. Wageningen Marine Research

Voor de pelagische visserij geeft Wageningen Marine Research aan dat een deel van de pelagische vangst wordt gediscard voordat de vangst wordt uitgezocht. Daarom geeft Wageningen Marine Research aan dat de discard percentages van de pelagische visserij  in onderstaande tabel onderschattingen zijn.

De geschatte percentages bijvangst bij pelagische visserij ten opzichte van de totale vangst (in gewicht), per visserijtype.

De geschatte percentages bijvangst bij pelagische visserij ten opzichte van de totale vangst (in gewicht), per visserijtype.

Discard gegevens voor bordenvisserij op Noorse kreeft bestaan ook, maar worden op een andere manier uitgedrukt dan de gegevens hierboven. Bij Noorse kreeft drukt men de discard percentages uit ten opzichte van de vangst in gewicht per soort (dus niet t.o.v. van de totale vangst, zoals de getallen hierboven):

De geschatte percentages visserij op de noorse kreeft, uitgedrukt ten opzichte van de vangst in gewicht per soort. Dus niet t.o.v. van de totale vangst, zoals de getallen van de bodem- en pelagische visserij tabellen.

De geschatte percentages visserij op de noorse kreeft, uitgedrukt ten opzichte van de vangst in gewicht per soort. Dus niet t.o.v. van de totale vangst, zoals de getallen van de bodem- en pelagische visserij tabellen. Wageningen Marine Research

3Discardban: waarom?

Hoewel discarden altijd werd gezien als de normale gang van zaken, hebben de ministers in de Landbouw en Visserijraad en het Europese Parlement samen besloten dat er een verbod komt op het discarden van gequoteerde soorten. Volgens beleidsmakers is de overlevingskans van veel gediscarde soorten namelijk klein. De EC noemt drie redenen om discards te verbieden:

  1. Discarden is verspilling van natuurlijke hulpbronnen (voedsel).
  2. Discarden staat latere voortplanting en dus de toekomstige productiviteit van visbestanden in de weg (discarden leidt tot uitdunning van de visstand).
  3. Discarden heeft ongewenste gevolgen voor het mariene ecosysteem en de biodiversiteit.

Voormalig eurocommissaris Damanaki noemde discarden in 2011 daarbij ´onethisch´ en ´een verspilling van de krachten van de visserman´. Zij noemt ook dat de hoge discard percentages, in het licht van afnemende visbestanden in Europa, niet meer te verantwoorden zijn. In meer teksten van de EC wordt verwezen naar dit feit; dat discards niet te verantwoorden zijn naar de maatschappij (en de visserman).

Een aantal belangrijke beleidsmakers steunden de invoering van de aanlandplicht, want ze waren van mening dat het teruggooien van vis niet langer verantwoord was. Maria Damanaki (ex-Europees commissaris voor Maritieme zaken en visserij, links) zei: ‘’We hebben effectieve campagnes zoals ‘Hugh’s fish fight’ nodig om mensen wakker te schudden voor verandering’’. David Cameron (Ex-premier van het Verenigd Koninkrijk, rechts) zei: “Het huidige regime, waarbij gezonde vis wordt gediscard, is niet langer acceptabel en moet veranderen’’.

Een aantal belangrijke beleidsmakers steunden de invoering van de aanlandplicht, want ze waren van mening dat het teruggooien van vis niet langer verantwoord was. Maria Damanaki (ex-Europees commissaris voor Maritieme zaken en visserij, links) zei: ‘’We hebben effectieve campagnes zoals ‘Hugh’s fish fight’ nodig om mensen wakker te schudden voor verandering’’. David Cameron (Ex-premier van het Verenigd Koninkrijk, rechts) zei: “Het huidige regime, waarbij gezonde vis wordt gediscard, is niet langer acceptabel en moet veranderen’’. fishfight

Met de aanlandplicht probeert de beleidsmaker om een oplossing te zoeken voor deze problemen. De EC verwacht dat vissers selectiever zullen proberen te vissen en ongewenste bijvangst gaan mijden wanneer zij alle gequoteerde vangsten moeten aanlanden. De aanlandplicht zal ook leiden tot meer betrouwbare vangstdata, omdat dan alle gequoteerde vangsten aangeland en geregistreerd moeten worden. Uiteindelijk neemt de EC aan dat de aanlandplicht zal leiden tot een selectievere visserij met een kleinere ecologische impact en betere visbestanden, en uiteindelijk ook een meer rendabele visserij.

4Hoe zien de regels eruit?

De aanlandplicht verplicht tot het aanlanden van alle gequoteerde vissoorten. De aanlandplicht is onderdeel van het nieuwe Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) dat is ingegaan op 1 januari 2014 en dat geldt voor de komende 10 jaar. De invoering van de aanlandplicht zal gefaseerd plaatsvinden:

  • Vanaf 1 januari 2015 geldt de aanlandplicht voor de visserij op kleine pelagische soorten (makreel, haring, horsmakreel, blauwe wijting, evervis, ansjovis, grote zilvervis, sardines, sprot) en voor visserijen voor industriële doeleinden op lodde, zandspiering en Noorse kever.
  • Vanaf 1 januari 2016 geldt de aanlandplicht voor de doelsoorten. In de Noordzee, Noordwestelijke en Zuidwestelijke wateren zijn dat de visserijen op kabeljauw, schelvis, wijting en koolvis, de visserijen op Noorse kreeft, de visserijen op tong en schol, de visserijen op heek en de visserijen op Noorse garnaal.
  • Vanaf uiterlijk 1 januari 2019 geldt de aanlandplicht voor alle andere visserijen op soorten met een quotum.

De aanlandplicht geldt niet voor:

  • Benthos (bijvoorbeeld zeesterren en wormen); en
  • Ongequoteerde soorten (zoals zeebaars, garnalen en rode poon)

Benthos, zoals krabbetjes, hoeven niet te worden aangeland.

Benthos, zoals krabbetjes, hoeven niet te worden aangeland. Stichting de Noordzee

In de visserij op ongequoteerde soorten, zoals garnaal, mul en poon, worden wel gequoteerde soorten bijgevangen. Bij visserij met als hoofddoel een ongequoteerde soort vallen de bijgevangen gequoteerde soorten vanaf 1 januari 2019 wel onder de aanlandplicht. Deze moeten dan worden aangeland.

Uitzonderingen

In een aantal gevallen gelden er uitzonderingen waarop de aanlandplicht niet van toepassing is:

  • Wanneer vissen discarden overleven; Soorten waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat zij een hoge overlevingskans hebben, mogen onder bepaalde omstandigheden worden teruggegooid. Hierbij wordt rekening gehouden met de karakteristieken van het vistuig, de visserijpraktijken en het ecosysteem. Er is nog niet precies gedefinieerd wat een ‘hoge overlevingskans is’.
  • Wanneer visserij op een soort verboden is; Soorten waarvan bepaald is dat visserij verboden is, mogen niet worden aangeland. Een voorbeeld zijn sommige haaien- en roggensoorten. Deze moeten direct worden teruggegooid.
  • Wanneer een toename in selectiviteit voor vissoorten met een quotum nagenoeg onmogelijk is. Of wanneer de kosten voor het aan boord houden van de vis onevenredig hoog zijn. Of wanneer de soort maar een zeer klein deel van de vangst is. Dan geldt de ‘de-minimis’ uitzondering. Alle vangsten onder deze uitzondering mogen tot een bepaalde hoeveelheid worden teruggegooid maar zodra deze hoeveelheid is bereikt, moeten alle vangsten aan boord worden gehouden en aangeland. De lidstaten in een regio (zoals bijvoorbeeld de Scheveningen Groep), bepalen wanneer een visserij voor een de-minimis uitzondering in aanmerking komt. Zij moeten hiervoor een unaniem voorstel doen aan de Europese Commissie. Een voorbeeld van een de-minimis uitzondering voor 2018 is het vlaams paneel:
    • Voor alle visserij met gesleepte vistuigen die in de Noordzee vissen met een maaswijdte van 80-119 mm en daarbij gebruik maken van een Vlaams paneel geldt een de-minimisvrijstelling voor tong (kleiner dan 19 cm) van maximaal 6 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort. Een Vlaams paneel is het laatste trechtervormige gedeelte van de netten van een boomkor, waarvan: de voorkant rechtstreeks aan de kuil is bevestigd; de boven- en onderkant een maaswijdte van minstens 120 mm hebben, gemeten tussen de knopen. De lengte in gestrekte toestand minstens 3 m is. Een voorbeeld van een Vlaams panel is hieronder te zien.

Een vlaams paneel. – Cor Vonk TX1

Implementatie

Nu er eenmaal besloten is dat de aanlandplicht ingevoerd gaat worden, laat Brussel het aan regionale comités van landen over om te besluiten hoe de aanlandplicht in de verschillende regio’s, zoals de Noordzee, geïmplementeerd gaat worden. Het gaat daarbij om de invulling van de uitzonderingsmogelijkheden die in de Verordening beschreven staan. Voor Nederland zijn met name de Scheveningen Groep en de Noordwestelijke Wateren Groep belangrijke regionale groepen. De Scheveningen Groep is een ambtelijk overlegorgaan van lidstaten rond de Noordzee. Het Ministerie van EZ zit daar ook bij namens Nederland.

Deze beslisboom is een instrument om vissers te helpen bij het verduidelijken van de implementatie van de aanlandplicht.

Deze beslisboom is een instrument om vissers te helpen bij het verduidelijken van de implementatie van de aanlandplicht. Platform Innofish, 2015

De regionale groepen en de Europese Commissie krijgen advies van regionale Adviesraden over de invulling van de discardplannen. Deze regionale groepen beschrijven de implementatie van de aanlandplicht per visserij in specifieke ‘discardplannen’. In deze plannen moet onder meer omgeschreven worden: om welke doelsoort(en) het gaat, onderbouwing voor de aanvraag van uitzonderingen, bepalingen over het documenteren van vangsten en minimum instandhoudingsreferentiegrootten.

Technische maatregelen

De komst van de aanlandplicht heeft grote consequenties voor de ‘technische maatregelen’, de EU verordening die tot in detail voorschrijft hoe er gevist moet worden, bijvoorbeeld met welke maaswijdte, om zo selectief mogelijk te vissen en vangst van ondermaatse vis te beperken. Met de komst van de aanlandplicht zijn de technische maatregelen voor een groot deel overbodig geworden. Een mooi moment om deze rigoureus te herzien, ook omdat de Technische Maatregelen al lange tijd door zowel vissers als beleidsmakers te gedetailleerd en onoverzichtelijk gezien worden.

De EU denkt er nu over om in de Technische Maatregelen slechts ‘kaders’ aan te geven en verder een ‘toolbox’ te creëren van maatregelen die Lidstaten kunnen gebruiken om de doelstellingen van hun beheerplannen te bereiken, zoals maaswijdte, real time closures en beschermde gebieden.

Van aanland- naar vangstquota

Momenteel geven de quota limieten aan voor het aanlanden van soorten. Onder de aanlandplicht zullen de quota moeten gaan over de hoeveelheid vis die er daadwerkelijk gevangen mag worden. Alle vangsten, inclusief ondermaatse exemplaren, moeten worden afgetrokken van de nieuwe quota. Dat betekent twee dingen:

  1. De huidige quota moeten worden opgehoogd om ruimte in te bouwen voor de toekomstige extra aanlandingen (ondermaatse doelsoorten en bijsoorten). Hoeveel hoger de quota zullen worden vastgesteld is momenteel nog onderwerp van politieke discussie. De quota moeten zo veel opgehoogd worden dat het aanlanden van bijvangst mogelijk wordt, maar de quota moeten niet te veel opgehoogd worden, want dan is er onvoldoende stimulans om selectiever te gaan vissen.
  2. De minimum aanlandingsmaat wordt vervangen door de minimum instandhoudingsreferentiegrootte: de maat van vis waaronder de aanvoer zo laag mogelijk moet blijven. Bij de minimum aanlandingsmaat was de regel dat gevangen vissen kleiner dan die maat gediscard moesten worden. Onder de aanlandplicht moeten gevangen vissen kleiner dan de minimum instandhoudingsreferentiegrootte wel aangeland worden, maar zijn ze niet bruikbaar voor directe menselijke consumptie.

Wanneer de nieuwe vangstquota eenmaal vastgesteld zijn, treden er naar verwachting ook nieuwe situaties op wat betreft het hanteren van die quota. De mogelijke praktische invulling van de nieuwe situatie is hieronder op een rijtje gezet.

  • Jaarflexibiliteit van max 10%: Een lidstaat mag tot maximaal 10% van de gestelde quota extra vangsten aanlanden. De extra vangsten zullen van de quota van het volgende jaar worden afgetrokken.
  • Soort flexibiliteit (interspecies flexibility) max 9%: Wanneer de bijvangstquota worden overschreden of wanneer een land geen quotum heeft voor bepaalde vangsten, dan mogen de vangsten van deze bijsoorten worden afgetrokken van de quota van doelsoorten, mits het gaat om niet meer dan 9% van het quotum van de doelsoort en mits het bestand van de bijsoort zich binnen veilige biologische grenzen bevindt (boven Bpa).
  • Choke species; ‘Choke species’ zijn soorten die worden bijgevangen waarvoor maar beperkt quotum beschikbaar is. Wanneer bijvangst van een bepaalde soort lastig vermeden kan worden, kan deze soort een ‘choke species’ worden: de quota van deze soorten worden dan eerder benut dan de andere quota en de visserij moet voortijdig worden gestopt. Dat betekent dat de quota voor andere soorten niet volledig kunnen worden benut. Manieren om met choke species om te gaan zijn: selectiever vissen, ruilen van quota met buurlanden, soort flexibiliteit (de 9% regel), of uitzonderingen (bijvoorbeeld de de minimis uitzondering of een uitzondering op hoge overleving).

Wetenschappers voorzien gevangen vis al jarenlang van merkjes en zetten deze weer terug in zee. Als vissers een gemerkte vis vangen wordt het merkje opgestuurd. Dit toont ook aan dat een deel van de teruggegooide vissen overleeft. Tevens kan de trek van bepaalde vissoorten worden vastgesteld.

Wetenschappers voorzien gevangen vis al jarenlang van merkjes en zetten deze weer terug in zee. Als vissers een gemerkte vis vangen wordt het merkje opgestuurd. Dit toont ook aan dat een deel van de teruggegooide vissen overleeft. Tevens kan de trek van bepaalde vissoorten worden vastgesteld. visserijnieuws.punt.nl

5Ecologische processen rond de aanlandplicht

De Europese Commissie hoopt dat de discard ban ervoor zal zorgen dat vissers selectiever gaan vissen en het vangen van ondermaatse vis zoveel mogelijk gaan mijden. Op de lange termijn zou dit goed moeten zijn voor de visstand. Het onttrekken van discards (grote hoeveelheden vis) aan het ecosysteem heeft ook andere effecten. Zo heeft discarden directe en indirecte effecten:

  • Direct: verwonding en/of sterfte van de bijgevangen vis. Dit kan leiden tot verminderde diversiteit van soorten en veranderingen in predator-prooi relaties.
  • Indirect: discarden kan effecten hebben op soorten die discards eten (aaseters) en op soorten die op hun beurt weer gegeten worden door die aaseters.

Overzicht van belangrijke predatoren en prooien in het Noordzee voedselweb. Andere prooidieren zoals schaaldieren, wormen en schelpdieren staan niet in dit schema. De kleur van de lijn laat zien welke predator welke prooien eet, de dikte van de lijn laat zien hoeveel biomassa er gegeten wordt (gemiddelde berekend tussen 1963 tot 2010).

Overzicht van belangrijke predatoren en prooien in het Noordzee voedselweb. Andere prooidieren zoals schaaldieren, wormen en schelpdieren staan niet in dit schema. De kleur van de lijn laat zien welke predator welke prooien eet, de dikte van de lijn laat zien hoeveel biomassa er gegeten wordt (gemiddelde berekend tussen 1963 tot 2010). Bron: ICES 2013 (Multi-species considerations for North Sea stocks)

Omdat er over ecologische processen rondom de discard ban veel verschillende meningen en percepties bestaan, bijvoorbeeld tussen vissers en beleidsmakers, zullen we eerst kort ingaan op die verschillende percepties (meningen) en daarna worden alle bekende feiten en onzekerheden over de ecologische processen op een rij gezet.

Percepties en meningen

De grootste perceptieverschillen zijn de volgende:

  1. Discards kunnen wel / niet in een duurzame visserij (principieel/ethisch vraagstuk)
    • Vissers: Discards maken niet uit als het bestand gezond is. Gezonde visbestanden (MSY) zijn een definitie van duurzame visserij.
    • Beleidsmakers: Discarding is een groot probleem en de aanlandplicht zal leiden tot een duurzamere visserij.
  2. Discards overleven wel / niet (ecologisch vraagstuk)
    • Vissers: Veel discards overleven. Dus bijvangst meenemen naar de wal is doodzone (dan kunnen die vissen niet meer bijdragen aan de volwassen visstand, want dan weet je zeker dat 100% dood gaat).
    • Beleidsmakers: Nagenoeg alle discards gaan dood, dus discards zijn een grote verspilling.
  3. Discards zijn onderdeel van het voedselweb (ecologisch vraagstuk)
    • Vissers: dode discards zijn een belangrijk onderdeel van het voedselweb. Haal je die discards weg, dan verstoort dat het ecologisch evenwicht in zee.

Denkstappen van een beleidsmaker en visser waar het gaat om discards en de aanlandplicht.

Denkstappen van een beleidsmaker en visser waar het gaat om discards en de aanlandplicht. M. Kraan & M. Verweij

Overleving van discards

IMARES heeft onderzoek gedaan naar de overlevingskans van tong, schol en schar discards in de Nederlandse visserij. Dit onderzoek diende meerdere doelen, waarvan het belangrijkste doel was het bepalen van de gemiddelde overlevingskans van tong, schol en schar discards in de commerciële puls en twinrig visserij. Daarbij werden vissen op verschillende plekken in het verwerkingsproces geselecteerd voor onderzoek (zie onderstaande afbeelding).

Schematische tekening van de verwerkingslijn met bemonsteringslocaties voor de overlevingsproeven. Stickers: stekers door de mazen van de kuil. Hopper: vissen uit de stortbak random verzameld direct na het storten van de vangst. Conveyor belt: dit betreft alleen vissen voor het bepalen van het effect van aanpassingen aan de stortbak op de overlevingskans van discards. Controls: dit zijn controlevissen afkomstig uit het lab in Yerseke, aangevoerd in een 600L tub. Sorting belt: sorteerband.

Schematische tekening van de verwerkingslijn met bemonsteringslocaties voor de overlevingsproeven. Stickers: stekers door de mazen van de kuil. Hopper: vissen uit de stortbak random verzameld direct na het storten van de vangst. Conveyor belt: dit betreft alleen vissen voor het bepalen van het effect van aanpassingen aan de stortbak op de overlevingskans van discards. Controls: dit zijn controlevissen afkomstig uit het lab in Yerseke, aangevoerd in een 600L tub. Sorting belt: sorteerband. Coöperatieve Visserij Organisatie

Aanvankelijk werd door de deelnemende vissers gedacht dat als vis levend overboord wordt gezet, deze vis overleeft. Deze mening wordt nog steeds door vele vissers geuit. Het onderzoek van Wageningen Marine Research naar overleving uit 2014/2015 liet zien dat dit niet het geval is. De resultaten laten zien dat op de pulsschepen inderdaad een groot percentage van de discard vis levend overboord wordt gezet; de grootste sterfte vindt echter plaats in de eerste week na het overboord zetten. Ook toonden de proeven aan dat de overleving niet gelijk is aan 0%, wat onder de aanlandplicht wél het geval zal zijn. Bovendien toonde het onderzoek ook aan dat er zeker ruimte voor verbetering van de overlevingskansen is. Verder konden ook de volgende conclusies worden getrokken uit de 11 overlevingsreizen uitgevoerd door Wageningen Marine Research voor tong en schol discards:

  • Een deel van de tong en schol discards overleeft het binnenhalen van het net, het storten van de vangst in de stortbak en de verwerking over de opvoerband en de sorteerband. Voor conventionele trekken zijn overlevingspercentages in onderstaande tabel weergegeven.

Overlevingskansen bij conventionle trekken. Onderzoek van IMARES.

Overlevingskansen bij conventionle trekken. Onderzoek van Wageningen Marine Research.
  • Voor korte trekken ligt het algehele overlevingspercentage hoger, zoals te zien in onderstaande tabel

Overlevingskansen bij korte trekken. Onderzoek van IMARES.

Overlevingskansen bij korte trekken. Onderzoek van Wageningen Marine Research.
  • Het ILVO heeft 12 overlevingsreizen gemaakt, waarvan het merendeel op boomkor Eurokotters is uitgevoerd (Z201 en O190). De gemiddelde overlevingskansen voor schol lagen hierbij op 49% (40%-58%; O190) en 13% (4%-23%; Z201). De twee overlevingsreizen aan boord van de Z483 – een schip vergelijkbaar in afmetingen en trekduur met de Nederlandse pulsvisserij- leverden een totale gemodelleerde overlevingskans op van 0%. Voor de eerste 10 dagen na de vangst was de overlevingskans 3%. Deze overlevingskans ligt lager dan de overlevingskans gevonden aan boord van de Nederlandse pulsschepen (4%-26%).
  • De overlevingskans van tong en schol discards is mede afhankelijk van omgeving of natuurlijke factoren zoals de watertemperatuur en de conditie van de vis, maar wordt ook bepaald door operationele variabelen zoals de trekduur en de diepte waarop wordt gevist.
  • De tijd tussen het aan boord komen van de vis en het moment waarop deze verwerkt is, heeft een negatieve invloed op de overlevingskans; hoe sneller de vis verwerkt wordt, hoe hoger de overlevingskans.
  • Ook de fysieke behandeling in het verwerkingsproces heeft een negatief effect op de overleving; vissen onmiddellijk gepakt uit de stortbak lijken beter te overleven dan de eerste vissen gepakt net voor de stortkoker, wanneer het verschil in verwerkingstijd minimaal is. Beide observaties suggereren dat het mogelijk is om door aanpassingen in het verwerkingsproces aan boord de overlevingskansen te verhogen.

Discards als voedsel voor andere dieren

Zeehond
Er is geen duidelijk bewijs dat discards voedsel zijn voor zeehonden. Zeehonden lijken voornamelijk levende prooien te eten. Toch kan het zo zijn dat zeehonden indirect wel voordeel hebben van discards, in het geval dat zeehonden op soorten jagen die voornamelijk discards eten. Wageningen Marine Research concludeert dat er meer onderzoek en gegevens nodig zijn om de exacte relatie tussen zeehonden en discards te kunnen bepalen.

Een gewone zeehond (phoca vitulina).

Een gewone zeehond (phoca vitulina).Stichting de Noordzee

Bruinvis
Voor bruinvissen geldt een vergelijkbaar verhaal als voor zeehonden. Analyses van maaginhouden en uitwerpselen geven geen indicatie dat bruinvissen discards eten. Maar ook bij bruinvissen kan een mogelijke interactie met discards niet uitgesloten worden.

De rugvinnen van twee bruinvissen.

De rugvinnen van twee bruinvissen. Stichting de Noordzee

Vogels
Zeevogels zijn opportunistische jagers en kunnen hun dieet aanpassen aan dat wat er aan voedsel beschikbaar is. Discards in de Noordzee kunnen in potentie een maximum van 5,9 miljoen zeevogels van voedsel voorzien, wanneer 100% van alle discards gegeten zouden worden door zeevogels (wat in de realiteit niet zo is). Andere onderzoeken schatten het aantal vogels dat daadwerkelijk ondersteund wordt door visserijdiscards in de Noordzee eerder tussen de 2,5 en 3,5 miljoen. Acht soorten zeevogels in de Noordzee eten discards op grote schaal, en ten minste tijdens een bepaald gedeelte van het jaar. Een vermindering aan discards kan de hoeveelheid aasetende zeevogels beïnvloeden, of kan leiden tot meer predatie op andere zeevogels door de aasetende vogels.

zilvermeeuw_prosea

ProSea

Volgens sommige onderzoekers zijn discards verantwoordelijk voor de groei van vogelbestanden in de Noordzee zoals de Noorse stormvogel, de zilvermeeuw en de kleine mantelmeeuw. Deze onderzoekers zeggen ook dat aasetende zeevogels 70–92% van alle rondvis discards eten, 20–35% van de platvis discards en 3–17% van de benthos discards.

Tijdens een discard experiment, bleken zeevogels 95% van het slachtafval op te eten, 80% van de gediscarde rondvissen, 20% van de gediscarde platvissen en 6% van de gediscarde benthos. Volgens Wageningen Marine Research zijn deze getallen waarschijnlijk een overschatting, omdat de hoeveelheden discards tijdens het discard experiment hoger waren dan in de realiteit. De grootte van de aasetende vogels bleek ook iets uit te maken: grotere zeevogels, zoals Jan van Genten, Grote jagers en Grote mantelmeeuwen consumeren grotere discards en kunnen makkelijk hele vissen opslokken. Kleinere vogels zoals Drieteenmeeuwen selecteren kleinere gediscarde vissen, pikken stukjes van grotere vissen, of eten het slachtafval. Daarbij zijn kleinere vogels minder succesvol in het eten van discards, omdat veel discards van hen gestolen worden door grotere vogels.

Een Jan van Gent kan makkelijk een hele vis opslokken.

Een Jan van Gent kan makkelijk een hele vis opslokken.Stichting de Noordzee

De ruimtelijke verdeling van de Noorse Stormvogel en van de grote- en kleine mantelmeeuw lijken voor een groot deel af te hangen van de aan- of afwezigheid van commerciële vissersschepen. Drie van de acht discard-etende zeevogels staan op de lijst van vogels die bescherming genieten onder de Vogelrichtlijn en binnen het kader van Natura 2000: de Grote Jager, de kleine- en de grote mantelmeeuw. Als discards voor deze soorten een belangrijke voedselbron zijn, zou een discardvermindering kunnen zorgen voor een afname van deze soorten vogels. Dat zou in tegenspraak zijn met specifieke Natura 2000 doelen voor deze soorten.

Bodemdieren

Voor de zuidelijke Noordzee wordt geschat dat discards 1–10% bijdragen aan de jaarlijkse voedselinname van benthische carnivoren en demersale vissen. Verschillende bodemsoorten (aaseters), zoals zwemkrabben, heremietkrabben en zeesterren eten discards. Bewijs dat populaties van deze soorten groeien dankzij discards is zwak.

De oprolkreeft is een voorbeeld van een typische aaseter in de Noordzee.

De oprolkreeft is een voorbeeld van een typische aaseter in de Noordzee. Stichting de Noordzee

Ecosysteemeffecten hangen af van visgedrag

De effecten van de aanlandplicht op het ecosysteem hangt nogal af van wat vissers aan hun visserijgedrag veranderen op het moment dat de aanlandplicht in werking treedt bleek uit een recent onderzoek.

Volgens die modelstudie levert de aanlandplicht geen voordeel op voor visbestanden en kan het negatieve gevolgen hebben voor zeevogels, zeezoogdieren en bodemdieren, wanneer er onder de aanlandplicht gevist gaat worden zoals er nu ook gevist wordt (dus wanneer de hoeveelheid ongewenste bijvangst niet verminderd zal worden).

Maar, zeggen de onderzoekers, wanneer er onder de aanlandplicht op een andere manier gevist gaat worden (met als resultaat minder ongewenste bijvangst), dan kan dit resulteren in positieve sneeuwbal-effecten in het voedselweb die voordelig kunnen zijn voor vogels, zeezoogdieren en meeste visbestanden.

Uiteindelijk zullen de beslissingen van de visser bepalen wat het effect van de aanlandplicht zal zijn. Past een visser zijn tuig of visgebieden aan? Past hij zijn trekduur of verwerkingslijn aan, wat weer van invloed zal zijn op de overleving? Al dat soort zaken zullen invloed hebben op het uiteindelijke effect van de aanlandplicht.

Uiteindelijk zullen de beslissingen van de visser bepalen wat het effect van de aanlandplicht zal zijn. Past een visser zijn tuig of visgebieden aan? Past hij zijn trekduur of verwerkingslijn aan, wat weer van invloed zal zijn op de overleving? Al dat soort zaken zullen invloed hebben op het uiteindelijke effect van de aanlandplicht.Masterplan Duurzame Visserij

6Economische uitdagingen rond de aanlandplicht

Binnen de oude regelgeving heerste er een economische stimulans om bijvangst terug te gooien. Het verschil tussen de kosten voor het aanlanden en de kosten van het teruggooien van de bijvangsten maakte dat het economisch rendabeler was om de bijvangsten terug te gooien. Het gaat bijvoorbeeld om vis die niet of moeilijk te vermarkten is en daardoor niets of weinig opbrengt. Als voorbeeld: een visser wil liever een extra kistje tong in het ruim, dan een kistje schar, omdat tong op de afslag per kilo veel meer geld oplevert. Daarnaast is het aanlanden van ondermaatse vis volgens de oude wet- en regelgeving ook wettelijk verboden, wat discarden verplicht.

Onder de nieuwe regelgeving zal de situatie drastisch veranderen, omdat het discarden van gequoteerde soorten niet langer toegestaan zal zijn. Dit zal ook economische consequenties hebben.

Gezien de doelstelling van de aanlandplicht is het de uitdaging om het aanlanden van discards (a) dusdanig economisch aantrekkelijk te maken dat het daadwerkelijk gebeurt en tegelijkertijd (b) dusdanig economisch onaantrekkelijk te maken dat het extra vangen van bijvangst niet wordt gestimuleerd. Er moet dus een balans gevonden worden tussen compensatie voor de moeite van het aanlanden en het bevorderen van de handel. Op die manier kan er voor de vissers voldoende reden gecreëerd worden om selectiever te willen vissen, zonder bijvangsten illegaal terug te gooien.

Kosten voor vissers

Het is niet mogelijk om een overzicht te geven van wat de aanlandplicht de vissers precies gaat kosten. Daar spelen (nog) te veel onzekerheden een rol bij. De kosten zullen onder andere afhangen van de hoeveelheid bijvangst die er extra aangeland moet worden. Het is wel mogelijk om indicaties te geven van potentiële kostenposten en van scenario’s op basis van resultaten uit het verleden. Het rapport van Wageningen Economic Research uit 2011 en de update van 2013 tonen twee kosten-batenanalyses en zijn twee van de weinige rapporten die een kosteninschatting geven van de nieuwe aanlandplichtregelgeving.

De volledige invoering van de aanlandplicht in 2019 zal in de huidige vorm consequenties hebben voor de verwerkingstijd aan boord, de hoeveelheid arbeiders aan boord en op de markt. Zo schat men dat de aanlandplicht zal lijden tot een verlies van 80 tot 170 euro per 1000 kilogram vis.

De volledige invoering van de aanlandplicht in 2019 zal in de huidige vorm consequenties hebben voor de verwerkingstijd aan boord, de hoeveelheid arbeiders aan boord en op de markt. Zo schat men dat de aanlandplicht zal lijden tot een verlies van 80 tot 170 euro per 1000 kilogram vis. Wageningen UR

Het meest recente rapport van Wageningen Economic Research werkt met verschillende scenario’s aangaande de ophoging van de quota. In scenario 1 zijn de quota verhoogd met het bijvangstpercentage in het jaar 2011. In scenario 2 worden de vangstquota in omvang gelijkgesteld aan de aanlandingsquota in het jaar 2011. Daarnaast zijn twee verschillende tarieven ingeschat voor de afzetprijs voor aangelande bijvangsten (0,15 en 0,30 €/kg). Op basis van deze gegevens zijn de netto kosten van de invoering van de aanlandplicht voor de Nederlandse visserij (demersaal en pelagisch) geschat op 6 tot 28 miljoen euro. Daarbij is verondersteld dat het gedrag van de vissers niet door de aanlandplicht wordt beïnvloed en dat dus de selectiviteit van de visserijen niet verandert (in vergelijking met 2011). De belangrijkste te verwachten kostenposten onder de aanlandplicht zijn:

  • Extra arbeidskosten vanwege meer sorteerwerk aan boord. Het is nog onbekend of het sorteren van de bijvangst aan boord of aan de wal (op de afslag) zal gaan gebeuren. Wanneer het sorteerwerk aan boord moet gebeuren, dan zal er meer bemanning nodig zijn en mogelijk meer ruimte om die bemanning te huisvesten. Dat laatste heeft een verbinding met het volgende punt.
  • Kosten verbonden aan capaciteit (ruimte op het schip). Wanneer de ruimen vroegtijdig vol zijn, dan kost dat extra stroomkosten. Maar denk ook aan het ombouwen van schepen om extra laadruimte te creëren.
  • Investeren in selectievere vismethoden, waardoor er minder ongewenste bijvangst zal worden gevangen (deze kosten zijn niet meegenomen in het rapport, omdat ervan uit is gegaan dat de vissers hun gedrag niet zouden veranderen).
  • Kosten door beperkte quota, waaronder door:
    • choke species waardoor de visserij gestopt moet worden, quota van doelsoorten niet vol gevist kunnen worden en daardoor inkomsten worden misgelopen. Ook zal de vraag naar quota voor choke species sterk toenemen en daarmee ook de huurprijs.
    • quota bijkopen (Nationaal: vissers onderling / Internationaal).
    • interspecies flexibility (9% regel): wanneer een niet-doelsoort goedkoper is dan de doelsoort, dan zal de visser hierdoor opbrengsten missen.
  • Hogere kosten voor controle en handhaving.

De rapporten van Wageningen Economic Research geven geen voorspellingen van de kosten en baten weer, maar ze schetsen vooral uitdagingen voor de visserijen. Het is de uitdaging voor de visserijen om hun activiteiten dusdanig te veranderen dat hun kosten lager uit zullen komen dan de inschattingen van Wageningen Economic Research. Dat is waarschijnlijk mogelijk, omdat er in de berekeningen vanuit wordt gegaan van geen enkele gedragsverandering en daardoor ook geen verandering in selectiviteit.

Tijdens een bijeenkomst op de visafslag van Scheveningen met Europarlementariër Peter van Dalen over de aanlandplicht vertelden vissers over hun eerste ervaringen met de aanlandplicht. De invoering van de aanlandplicht heeft namelijk grote gevolgen voor hun bedrijfsvoering en roept veel vragen en onzekerheden op.

Tijdens een bijeenkomst op de visafslag van Scheveningen met Europarlementariër Peter van Dalen over de aanlandplicht vertelden vissers over hun eerste ervaringen met de aanlandplicht. De invoering van de aanlandplicht heeft namelijk grote gevolgen voor hun bedrijfsvoering en roept veel vragen en onzekerheden op. Eurofractie ChristenUnie SGP

Baten voor vissers

Volgens Wageningen Economic Research zullen de baten (voordelen) van de aanlandplicht niet groter zijn dan de kosten en zal de aanlandplicht onder de huidige omstandigheden dus geld gaan kosten en niet gaan opleveren. Mogelijke baten voor de vissers zijn:

  • Extra opbrengsten op korte termijn door het (verplicht) aanlanden van de bijvangst;
  • De bijvangst mag niet verkocht worden voor directe humane consumptie, maar er zijn andere afzetmogelijkheden te bedenken;
  • Interspecies flexibility (9% regel): wanneer een niet-doelsoort duurder is dan de doelsoort, dan zal dat meer geld op kunnen leveren. Het is echter de vraag of dit soort situaties zich in de praktijk zullen voordoen; en
  • Extra opbrengsten op de lange termijn wanneer er een positief ecologisch effect is van de aanlandplicht op de visbestanden. Wanneer ondermaatse vis gemeden gaat worden, krijgt die vis de kans om groter te groeien, zich voort te planten, en kan deze later opgevist worden door de visserij.

Verhouding tussen kosten en baten

Wageningen Economic Research schat dat, onder scenario 1, de jaarlijkse kosten per schip (met de baten verrekend) voor de grotere kotters uiteen lopen van 23.000 tot ruim 82.000 euro. Voor de eurokotters bedragen de kosten 22.000 tot 28.000 euro per schip en voor de pelagische vriestrawlers 44.000 tot 109.000 euro per schip. De precieze kosten en baten voor iedere visser zijn moeilijk te schatten. Ter vergelijking: een visser heeft in een persoonlijk document uitgerekend dat hij uitkomt op een eenmalige investering van 5 miljoen (verbouwing van verwerkingsdek, visruim en accommodatie) en jaarlijkse terugkerende kosten (extra bemanning nodig om bijvangst te hanteren) van 240.000 tot 360.000 euro. Hij heeft geen baten meegerekend.

De kosten-batenanalyse voor kotters groter dan 300 pk.

De kosten-batenanalyse voor kotters groter dan 300 pk. Wageningen Economic Research

De kosten-batenanalyse voor eurokotters.

De kosten-batenanalyse voor eurokotters. Wageningen Economic Research

7Situatie in het buitenland

Al sinds 1987 geldt er in Noorwegen een discard ban. Eerst werd deze regel ingevoerd voor kabeljauw, omdat het slecht ging met de kabeljauwstand. Later volgden tien andere gequoteerde vissoorten. Sinds 2009 moeten alle vissen worden aangeland, maar levensvatbare vis mag overboord. Voor elk type visserij wordt vastgesteld hoeveel bijvangst aanvaardbaar is voor een gemiddelde visser. Als de hoeveelheid bijvangst in de demersale visserij boven die limiet uitkomt, dan moet de visser het nog steeds aanlanden, maar dan krijgt hij slechts 20% van de opbrengst van de vis uitgekeerd. Dit bedrag dient ter compensatie van het aanlanden en als stimulans om het te veel aan vis niet terug te gooien. De Noorse quota worden per soort verdeeld over de individuele vergunninghouders. Een deel van het quotum wordt achter gehouden ter compensatie van onbedoelde bijvangst.

Het Noorse vissersschip Stokke Senior uit Ålesund.

Het Noorse vissersschip Stokke Senior uit Ålesund.H. Barrison

Het flankerende beleid van Noorwegen verschilt (gedeeltelijk) van het huidige EU-beleid. In Noorwegen zijn er geen beperkingen van het aantal zeedagen. Wel wordt er gewerkt met vergunningen voor elk type visserij, minimale vangstgroottes (in plaats van aanlandingsgroottes) en ‘real-time closures’. Met het hanteren van real-time closures kan een gebied tijdelijk gesloten worden wanneer er procentueel gezien te veel ondermaatse vis wordt gevangen. Vissers die te horen krijgen dat een gebied gesloten wordt, hebben een uur de tijd om het gebied te verlaten.

De aanlandplicht in Noorwegen heeft een positief effect gehad op de schattingen van de visserijsterfte (dus ook op de bestandsschatting), omdat alle vangsten geregistreerd zijn. Het effect van de aanlandplicht op de visbestanden is moeilijk aan te tonen en wordt door verschillende bronnen anders ingeschat. Eén van de redenen waarom het effect van de discard ban in Noorwegen moeilijk is in te schatten is de gelijktijdige invoer van andere visserijbeheersmaatregelen. Daardoor is de directe link tussen oorzaak en gevolg van de discard ban moeilijk te leggen.

Wanneer (het succes van) de aanlandplicht in de Noorse visserij wordt vergeleken met de mogelijke effecten van de aanlandplicht in de EU, is het belangrijk om rekening te houden met de verschillen in het flankerende beleid. Daarnaast lijken er verschillen te zijn in de ondersteuning van de aanlandplicht door de visserijsectoren. In Noorwegen werd de aanlandplicht door vissers positief ontvangen en vrijwillig opgevolgd, terwijl de sector in Nederland met verzet heeft gereageerd. Bovendien verschillen de vlootsamenstelling en de doelsoorten van Noorwegen en Nederland van elkaar.

Een ander verschil tussen het EU- en het Noorse beleid is de afzetmarkt. In Noorwegen mag alle aangelande vis (dus ook ondermaatse) worden gebruikt voor menselijke consumptie, maar in de EU mag alleen de maatse vis daarvoor worden gebruikt. Deze verschillen maken het moeilijk om de Noorse en Europese aanlandplicht te vergelijken en dus om te voorspellen of de aanlandplicht ook in Nederland een succes kan zijn.

Overige landen met een aanlandplicht

De discard ban in Noorwegen is veruit het bekendste en meest beschreven voorbeeld van een reeds geïmplementeerde discard ban. Er zijn echter ook andere landen waar een discard ban geldt, elk met iets andere regels. De landen die een discard ban hebben ingevoerd zijn onder andere IJsland, Rusland, Faeröer eilanden, Nieuw-Zeeland en Canada. In Namibië geldt geen aanlandplicht, maar een bijvangst ban. De verschillen tussen de landen zitten hem bijvoorbeeld in de uitgeschreven boetes voor het illegaal discarden, in de gehanteerde waarde van aangelande bijvangst, in de verdeling van de opbrengsten van bijvangst, in controle en handhaving en in flankerend beleid.