Gemeenschappelijk visserijbeleid

Voor de toekomst van de visserij is het belangrijk om verstandig met de visbestanden in zee om te gaan. Dat betekent bijvoorbeeld: op termijn niet meer vis uit zee halen dan er bijkomt. Want als de vangsten elk jaar groter zijn dan de natuurlijke aangroei van het bestand, is de kans groot dat de visstand zal gaan dalen.

De visstand in zee is niet altijd even hoog, die kan van jaar tot jaar verschillen. Dat komt omdat de zee niet altijd hetzelfde is en omdat de visserij niet elk jaar evenveel vis vangt. Met visstandbeheer wordt geprobeerd om de visserij te sturen, zodat de hoeveelheid vis in zee op een bepaald gewenst niveau blijft, en zodat vissers optimale hoeveelheden vis aan de wal kunnen brengen zonder dat daarbij de visstand te hard bevist wordt. Zo kan er ook in de toekomst gevist blijven worden.

Om dit te bereiken is er Europees visserijbeleid nodig, want vissen houden zich natuurlijk niet aan de landsgrenzen die wij mensen in de zeeën hebben bepaald. De eerste grote stappen naar een Europees visserijbeleid werden gezet in 1946 en 1959. Toen werden onder andere bepaalde minimum maaswijdten en minimum aanlandingsmaten vastgesteld. In 1971 werd er voor het eerst nagedacht over vangstquota. Want toen was er grote zorg over de toestand van de haring-, kabeljauw- en schelvisbestanden. In 1975 werden de vangstquota voor het eerst officieel geïntroduceerd.

Het invoeren van vanstquota om de visstanden te beheren ging niet zonder slag of stoot. Hier zitten vissers in de rechtszaal i.v.m. het overschrijden van het vangstquotum.

Het invoeren van vanstquota om de visstanden te beheren ging niet zonder slag of stoot. Hier zitten vissers in de rechtszaal i.v.m. het overschrijden van het vangstquotum.Bogaerts, Fotocollectie

Het geheel van Europese regels voor de visserij en de aquacultuur heet het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Dit bestaat sinds 1983 en wordt elke tien jaar herzien. Het GVB werd in het leven geroepen om een gemeenschappelijke hulpbron te beheren, en geeft alle Europese visserijvloten toegang tot de wateren van de EU. Het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) is de geldpot van het GVB. Dit fonds geeft financiële steun voor de uitvoering van de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

Europees commissaris Karmenu Vella is momenteel is momenteel onder andere verantwoordelijk als commissaris voor Milieu, Maritieme Zaken en Visserij voor het gemeenschappelijk visserijbeleid in Europa.

Europees commissaris Karmenu Vella is momenteel is momenteel onder andere verantwoordelijk als commissaris voor Milieu, Maritieme Zaken en Visserij voor het gemeenschappelijk visserijbeleid in Europa. Worldfishingnet

In het algemeen willen de Europese lidstaten met het GVB bereiken dat:

  • de levende rijkdommen van de zee in stand worden gehouden en worden beschermd;
  • de visserij en de aquacultuur ecologisch, economisch en sociaal duurzaam zijn en een bron van gezond voedsel voor de burgers van de EU vormen;
  • een op de lange termijn dynamische en winstgevende visserijsector bevordert wordt;
  • een goede levensstandaard voor de visserijgemeenschappen wordt gewaarborgd;
  • vissers selectiever gaan vissen, waardoor er geleidelijk een einde komt aan het teruggooien van ongewenste vis.

1Verschil tussen beleid en beheer

Beleid is iets anders dan beheer. Beleid is een ruim begrip waarin plannen en doelen voor de komende jaren uitgestippeld staan. Beheren betekent dat we de visstand en de visserij sturen in een afgesproken richting. Bij visserijbeheer sta je als het ware aan het stuurwiel en kijk je steeds of op je op koers zit richting het afgesproken doel.

Die koers kan zo nodig van jaar tot jaar bijgesteld worden. Dat kan nodig zijn, als er in de natuur grote veranderingen plaatsvinden, waar je in het visserijbeheer rekening mee moet houden. Denk bijvoorbeeld aan de opwarming van de Noordzee, die nu al zorgt voor verschuivingen in de visgemeenschap. Nu wordt bijvoorbeeld jaarlijks bijgestuurd via vangstquota en een maximum aantal zeedagen. Je kunt beheer zien als de praktische invulling van beleid.

2Beheer binnen de EU

De doelen van het GVB worden vastgesteld door Europese beleidsmakers. Soms worden deze doelen vormgegeven door internationale afspraken, dus gemaakt door meer landen dan alleen de Europese lidstaten. Visbestanden in Europese zeeën worden voornamelijk beheerd met twee verschillende doelen:

  • Voldoende ouderdieren (paairijpe vissen) in zee overhouden.
  • Zoveel mogelijk kilo’s vis uit zee te oogsten, zonder dat daarbij de visstand, en dus de visserij, in de toekomst in gevaar komt.

Beheer van visbestanden – Paaistand

Er moeten genoeg ouderdieren in zee overblijven, die voldoende jonge vissen kunnen produceren om het visbestand en de visserij in de toekomst veilig te stellen. Wetenschappers geven aan bij welke hoeveelheid aan ouderdieren er serieus gevaar bestaat dat er te weinig jonge vis wordt geboren en dat de visstand in een neerwaartse spiraal terechtkomt. Die hoeveelheid wordt het limietniveau genoemd. Maar omdat wetenschappers de hoogte van dit niveau niet met zekerheid kunnen vaststellen, past de Europese Unie de ‘voorzorgsbenadering’ toe.

Omdat het vaak onzeker is hoe natuurlijke bronnen, zoals bijvoorbeeld visbestanden, zullen reageren op menselijke activiteiten, maken beheerders in deze gevallen vaak beslissingen met behulp van de voorzorgsbenadering. In de praktijk kan dit betekenen dat beheerders het menselijke gebruik maar in zoverre toestaan, dat het risico dat de natuurlijke hulpbron zich niet meer kan herstellen erg klein is.

Voor visserijbeheer betekent dit dat de EU stelt dat de minimale hoeveelheid ouderdieren in zee nog een factor hoger moet liggen dan het limietniveau (Blim). Dit niveau heet het ‘voorzorgsniveau’, en wordt in bijvoorbeeld Visserijnieuws ook wel beschreven als de ‘veilig biologische grens’, of het ‘veilig biologisch minimum’ (Bpa). Wanneer een bestand zich boven het voorzorgsniveau bevindt, is het dus redelijk zeker dat er nog voldoende volwassen vis in zee overblijft om ervoor te zorgen dat de populatie zich kan blijven voortplanten en het bestand weer kan aangroeien. Voor schol is dit niveau bijvoorbeeld 230.000 ton, voor tong 37.000 ton.

Om ervoor te zorgen dat de paaistand voldoende hoog blijft, heeft men 2 grenzen ingesteld voor de hoeveelheid volwassen vis in zee. Deze grenzen zijn het limietniveau en het voorzorgsniveau.

Om ervoor te zorgen dat de paaistand voldoende hoog blijft, heeft men 2 grenzen ingesteld voor de hoeveelheid volwassen vis in zee. Deze grenzen zijn het limietniveau en het voorzorgsniveau. Prosea

De hoogte van het vangstquotum of de TAC (Total Allowable Catch) en het aantal zeedagen worden zodanig vastgesteld dat het bestand in het jaar daarop hoogstwaarschijnlijk niet onder dit voorzorgsniveau zal komen.

Naast het voorkomen dat er te weinig ouderdieren overblijven, wil de beheerder bij dit doel ook voorkomen dat de visserijdruk te groot wordt. Daarom heeft de beheerder ook grenzen gesteld aan de toegestane visserijsterfte (F). Met visserijdruk wordt vaak hetzelfde bedoeld als met visserijsterfte F. Kort door de bocht kun je stellen: hoe meer er gevist wordt (dus met hoe meer schepen, motorvermogen en netten), hoe hoger de visserijdruk.

Beheer van visbestanden – MSY

Een belangrijk doel van het visserijbeheer in het kader van het GVB is het garanderen van hoge lange termijn opbrengsten, dus zoveel mogelijk kilo’s vis uit zee oogsten, zonder dat daarbij de visstand – en dus de visserij – in de toekomst in gevaar komt. Dit wordt de Maximum Sustainable Yield (MSY) genoemd of in het Nederlands Maximaal Duurzame Oogst (MDO). Voor de MSY-benadering heeft de EU niet zelf gekozen. In 2002 is tijdens de Wereldtop voor Duurzame Ontwikkeling in Johannesburg op wereldschaal afgesproken dat in 2015 alle visbestanden op zodanig niveau moeten zijn dat ze jaar na jaar de Maximaal Duurzame Oogst kunnen leveren.

MSY geeft het punt aan waarop je de hoogste vangst hebt per eenheid visserij-inspanning. Als je visserijdruk hoger wordt dan MSY, dan neemt je vangst per schip af. Als je visserijdruk lager wordt dan MSY, dan vang je niet alle vis die je zou mogen vangen.

MSY geeft het punt aan waarop je de hoogste vangst hebt per eenheid visserij-inspanning. Als je visserijdruk hoger wordt dan MSY, dan neemt je vangst per schip af. Als je visserijdruk lager wordt dan MSY, dan vang je niet alle vis die je zou mogen vangen. Prosea

Hierbij gaat het niet over een ondergrens van de hoeveelheid ouderdieren, maar over hoeveel kilo’s vis je aan wal brengt. Bij MSY is het doel om zoveel visserij toe te staan waarbij de totale vangst (oogst) van alle vissers samen de hoogste vangst is die jaar na jaar van een bestand kan worden opgevist, zonder dat het bestand in gevaar komt. Om deze maximale hoeveelheid kilo’s aan wal te kunnen zetten moet je de vis niet te vroeg vangen met te kleine mazen of teveel PK’s. Maar je moet ook niet met te weinig schepen en te grote mazen gaan vissen. Je moet dus per vissoort uitzoeken wat de beste combinatie is van bijvoorbeeld de hoeveelheid schepen, pk’s en de maaswijdte.

Beheer van visbestanden – Ecosysteembenadering

Ook over de ecosysteembenadering hebben landen op wereldschaal afspraken gemaakt. De ecosysteembenadering betekent dat we niet kijken naar het beheren van één afzonderlijke vissoort, zoals een schol en ook niet naar één bepaald soort habitat, zoals een rif of een zandbank. Bij het beheren van de Noordzee volgens de ecosysteembenadering gaat het over het beheren van het hele ecosysteem, van plankton tot worm tot schol, die in verschillende soorten gebieden kunnen voorkomen. Maar hoe kan de beheerder dat voor elkaar krijgen? Welke doelen stel je dan? En welke maatregelen zijn nodig om die doelen te bereiken? Over deze vragen wordt momenteel diep nagedacht.

Bij het beheren volgens de ecosysteembenadering kijk je niet alleen naar 1 soort, maar ook naar andere visbestanden, het klimaat, het habitat en de predatoren binnen een gebied.

Bij het beheren volgens de ecosysteembenadering kijk je niet alleen naar 1 soort, maar ook naar andere visbestanden, het klimaat, het habitat en de predatoren binnen een gebied. NOAA

De wens om het ecosysteem als geheel te beheren is op zich heel logisch, want alle organismen zijn met elkaar verbonden in voedselwebben en voedselketens in een ecosysteem. En ook al bevissen sommige vissers maar één soort vis, dan kan dit nog grote invloed hebben op het ecosysteem. Want als er een schakel in de voedselketen wordt beïnvloed, kan dit gevolgen hebben voor de andere schakels in die keten.

Beheer van visbestanden – De aanlandplicht

De Europese Commissie (EC) wil met het GVB ook een einde maken aan discards door de stapsgewijze introductie van een aanlandingsverplichting. Naast de vis die vissers naar de afslag brengen, vangen vissers immers op zee ook vis die ze niet willen of mogen meenemen naar land. Deze vissen werden in het verleden allemaal weer teruggegooid. Met de aanlandplicht probeert de EU een einde te maken aan de praktijk van teruggooien. De EC verwacht dat vissers selectiever zullen proberen te vissen wanneer zij alle vangsten onder quota moeten aanlanden.

Beheer van visbestanden – Meerjarenplannen

Doelen en maatregelen worden steeds vaker afgesproken voor meerdere jaren achtereen in zogenaamde meerjarenplannen. In deze plannen ligt de nadruk op het beheren van visbestanden op de lange termijn en krijgen korte termijn invloeden minder de overhand. Meerjarenplannen kunnen de sector een hoop onzekerheid besparen. Zo worden er bijvoorbeeld grenzen gesteld aan de maximale schommeling van de TAC van jaar op jaar, om de visserijsector meer economische stabiliteit te geven. Meerjarenplannen gaan niet alleen over TAC. Ook andere maatregelen kunnen daarin worden vastgelegd, zoals afspraken over gesloten gebieden of minimum maaswijdtes. Daarnaast kunnen er afspraken in staan over inspectie en controle van de regelgeving.

3Beheermaatregelen

Om ervoor te zorgen dat de doelen uit het GVB behaald kunnen worden moeten er maatregelen afgesproken worden. We hebben gezien dat de visstand continu verandert, zowel onder invloed van de mens als de natuur. De natuur valt helaas niet te sturen, maar de mens wel. Dat probeert de beheerder in het visserijbeheer te doen.

De EU gebruikt een aantal ‘instandhouding-maatregelen’ die eigenlijk over over drie dingen gaan, het sturen van de:

  1. Vangsthoeveelheid: ‘hoeveel vis haal je uit zee’ (gereguleerd door vangstquota);
  2. Visserij-inspanning: ‘hoe hard vis je’ (met hoeveel boten, met hoeveel pk’s, gedurende hoeveel zeedagen, etc.);
  3. Vangstselectiviteit: dit zijn de zogenaamde ‘technische maatregelen’ die ervoor zorgen dat de vis niet te jong gevangen wordt en dat er zo min mogelijk ongewenste bijvangst is (bijvoorbeeld gereguleerd door minimum maaswijdtes, of het sluiten van gebieden waar veel jonge vis zit).

De belangrijkste beheermaatregelen zullen nu worden behandeld.

Vangstquota/Total Allowable Catch

Het sturen van de visserijdruk door vangstquota of een Total Allowable Catch (TAC) is voor bijna alle vissoorten, zeker vanaf 1990, de belangrijkste beheermethode geweest. Veel soorten worden al sinds halverwege 1975 beheerd met TAC’s.

Voor bijna alle vissoorten wint de Europese Commissie (EC) als beheerder een biologisch TAC-advies in bij ICES en laat dat vervolgens controleren door haar eigen sociaaleconomische wetenschappelijke comité (STECF). Voor gedeelde bestanden als kabeljauw, schol en haring maakt de EC afspraken met Noorwegen. De visserijministers van de Europese Unie bepalen elk jaar in december hoeveel er van een bepaalde vissoort in het volgende jaar gevangen mag worden – de TAC.

De Nederlandse vangstrechten voor demersale soorten.

De Nederlandse vangstrechten voor demersale soorten.Agrimatie

De EU spreekt één TAC voor de hele Noordzee af. Vervolgens wordt deze volgens een vaste verdeelsleutel onder de afzonderlijke landen verdeeld. De TAC is dus een soort taart en elke lidstaat krijgt een taartpunt. Die taartpunten worden de quota genoemd en zijn gebaseerd op historische rechten. Zo heeft Nederland ruim 30% van de Europese schol-TAC en ruim 70% van de Europese tong-TAC in handen. Vangstquota kunnen ook door landen onderling worden geruild. De lidstaten mogen daarna zelf bepalen hoe zij de nationale quota onder hun vissers verdelen. Dat is een taak van de PO’s (Producenten Organisaties). De hoeveelheid vis die een visser van een soort mag vangen heet contingent.

TAC-beheer in Nederland: De Biesheuvelgroepen
In Nederland worden de nationale platvisquota onderverdeeld in zogenaamde individuele overdraagbare contingenten of ITQs (Individual Transferable Quota). Deze kunnen schippereigenaren onderling ruilen, verhuren of verkopen. Dat gebeurde binnen bepaalde vissersgroepen: de Biesheuvelgroepen. Deze Biesheuvelgroepen zijn sinds 2007 geïntegreerd in de Producenten Organisaties voor een effectiever en efficiënter beheer.

De Biesheuvelgroepen zijn als volgt ontstaan. Na 1985 voerden Noordzeevissers veel meer vis aan dan was toegestaan; de vangstquota werden flink overschreden. Er ontstond toen een ‘grijze markt’ aan schol en de geregistreerde vangstgegevens waren niet volledig. Spanningen in de visserijsector liepen destijds hoog op. Controles van de Algemene Inspectie Dienst moesten begeleid worden door de mobiele eenheid. De overschrijdingen van de quota leidde tot flinke boetes voor de visserij. En in 1990 zorgde deze ‘visserijfraude’ tot het aftreden van de toenmalige Minister van Visserij, Dhr. Braks.

De visfraude leidde uiteindelijk tot het aftreden van Minister Braks.

De visfraude leidde uiteindelijk tot het aftreden van Minister Braks. Reformatorisch Dagblad, 10 juni 1987
 Vlak na deze periode werd de Commissie Biesheuvel ingesteld, die het Ministerie moest adviseren over hoe in de toekomst overschrijding van de vangstquota kon worden voorkomen. Deze Commissie stelde een nauwere samenwerking tussen vissers voor. Want een visser was destijds te sterk afhankelijk van zijn collega’s. Als die hun quota overschreden, werd het visserijseizoen voor alle vissers vroegtijdig gesloten. Daarom visten alle vissers in de praktijk zo snel mogelijk hun quota op. En dat had invloed op de visprijzen, want dit had tot gevolg dat de aanvoer in het begin van het seizoen erg hoog was, en de prijs dus laag.

In 1993 werden de Biesheuvelgroepen in het leven geroepen. In deze groepen werkten vissers samen en maakten ze afspraken. In de Biesheuvelgroepen legden vissers hun contingenten bij elkaar en spraken ze met elkaar af hoe ze deze hoeveelheid vis verspreid over het jaar wilden vangen. Dat gebeurde voor het vissen op tong, schol, rondvis en ook voor soorten pelagische vis.

De onderlinge controle binnen de Biesheuvelgroepen was groot. Als een visser zijn quotum overschreed of andere regels overtrad, dan legde de Biesheuvelgroep zélf boetes op. Een quotumoverschrijding door een groepslid werd namelijk automatisch afgetrokken van het quotum van andere leden. Sinds de invoering van het Biesheuvelsysteem zijn nationale quotaoverschrijdingen niet meer voorgekomen. Ook de aanlandingen worden nu beter verspreid over het jaar en dat leidt tot betere prijsvorming.

Zeedagenregeling

Vanaf 2001 worden de meeste Noordzeevisserijen beperkt in het aantal zeedagen. Wanneer een visser een dag op zee doorbrengt, dan wordt dat geteld als een zeedag – of hij nou vist of vaart. De beheerder probeert net voldoende zeedagen uit te geven die nodig zijn om het quotum op te vissen. Zeedagen kunnen daarom gezien worden als aanvullende maatregelen op het quotum. Maar er bestaan ook visserijen die alleen gereguleerd worden door een maximaal aantal zeedagen.

Vangstcapaciteit

Een van de meest logische manieren om de vangstcapaciteit (en daarmee de visserij-inspanning) te sturen is door het maximum aantal schepen te reguleren. Sinds 1992 is de Europese vloot in grootte afgenomen.

Ook de Nederlandse vloot is door de jaren heen gekrompen. Schepen zijn ‘gesaneerd’ en/of verdwenen uit de vloot. Met name een groot deel van de boomkorvloot is gesaneerd. Het effect dat deze saneringen op de visstand hebben is echter onzeker. Want gesaneerde vissers kunnen hun visrechten behouden die de overblijvende vissers kopen of huren. Zo worden jaarlijkse quota ondanks saneringen nog steeds over evenveel vissers verdeeld. Er zijn wel minder schepen, maar er wordt nog steeds even veel vis uit zee gehaald.

De inzet van de Nederlandse vloot is de laatste jaren afgenomen. Ook hebben een aantal nieuwe visserijtechnieken hun intrede gedaan.

De inzet van de Nederlandse vloot is de laatste jaren afgenomen. Ook hebben een aantal nieuwe visserijtechnieken hun intrede gedaan.Agrimatie

Hoeveel vis een schip kan vangen (de vangstcapaciteit) hangt ook af van het tonnage, het motorvermogen, en het soort tuig. Zo zal een heel groot net meer vis vangen dan een heel klein net. Hierover bestaan ook allerlei regels, maar daar gaan we hier verder niet op in.

Overcapaciteit en subsidies
Wanneer visbestanden zwaar onder druk staan door een te grote visserij-inspanning, dan zal deze vloot op een bepaald moment niet meer winstgevend zijn. Want als er weinig vis in zee zit, wordt er weinig aangeland en verdiend. Dan zal de vloot vanzelf inkrimpen. Maar visserijsubsidies kunnen er voor zorgen dat vloten onder zulke omstandigheden tóch winstgevend blijven. Zo kan een vloot groot blijven en een visbestand overbevist raken.

De Europese Commissie (EC) schreef in haar document over de herziening van het Gemeenschappelijk Visserij Beleid in 2009 (het ‘Groenboek’) dat dit in Europa waarschijnlijk gebeurd is. Sinds de jaren ’70 heeft de EC sterk geïnvesteerd in de bouw van nieuwe en steeds efficiëntere schepen. Mede hierdoor heeft de vloot te lijden gehad aan een ‘structurele overcapaciteit’. Daarmee bedoelt de EC dat de vloot te groot was en teveel kon vangen in vergelijking met de beschikbare natuurlijke hulpbronnen van de zee. Dat is ongunstig voor de visbestanden, maar ook voor de inkomsten van de visserij.

De Europese vloot bestond in 2014 uit 86.283 schepen. Daarvan behoorden 74% van de schepen tot de kleinschalige visserij, 25% tot de grootschalige visserij en 1% tot de vloot in verre wateren. De kleinschalige visserij had een bruto tonnage van 8%, de grootschalige visserij 25% en de vloot in verre wateren 18%. Bron: Scientific, Technical and Economic Committee for Fisheries (STECF).

De Europese vloot bestond in 2014 uit 86.283 schepen. Daarvan behoorden 74% van de schepen tot de kleinschalige visserij, 25% tot de grootschalige visserij en 1% tot de vloot in verre wateren. De kleinschalige visserij had een bruto tonnage van 8%, de grootschalige visserij 25% en de vloot in verre wateren 18%. Bron: Scientific, Technical and Economic Committee for Fisheries (STECF). The 2014 Annual Economic Report on the EU Fishing Fleet

Momenteel is voor iedere lidstaat een maximum aan de vlootcapaciteit gesteld. Dat betekent dat er voor elk nieuw schip ergens anders uit de vloot een schip van vergelijkbaar motorvermogen en tonnage moet verdwijnen. Hoe de EC de overcapaciteit verder gaat aanpakken is nog niet duidelijk. De EC vraagt hierbij ook om advies van de visserij zelf.

Selectiviteit vistuig

De selectiviteit van het tuig bepaalt hoeveel ongewenste bijvangst er opgevist wordt. Dit kan gaan over bijvangst van ongewenste soorten, of bijvangst van ondermaatse vis. Wanneer het gaat over ondermaatse vis valt dit bijvoorbeeld te sturen met de maaswijdte.

Minimum maaswijdte
We nemen als voorbeeld de boomkorvisserij op tong. Welk formaat vis je met welke maaswijdte vangt hangt af van de vissoort. Of beter gezegd, van de lichaamsvorm van die vissoort, slank of breed. Tongvissers vangen met netten met een maaswijdte van 12 cm nauwelijks nog tong (zelfs geen ‘Tong I’ of ‘lappen’ van groter dan 38 cm). Dat komt omdat tong een slanke vis is, zeker in vergelijking met de brede en stugge schol. Daarom glipt tong gemakkelijk door grotere mazen en kun je meer maatse tong vangen wanneer je nauwere mazen van bijvoorbeeld 8 cm gebruikt. Aan de andere kant mis je met 12 cm mazen niets aan maatse schol van 27 cm en groter.

De vis die nog nét in de mazen achterblijft noem je stekers. Vissen die groter zijn dan de stekers blijven zeker in het net achter; kleinere vissen glippen meestal door de mazen heen. Voor iedere vissoort bestaat een vast verband tussen de maaswijdte van het net en de lengte van de steker. De relatie tussen de lengte van de steker en de maaswijdte van het net wordt bepaald door de selectiefactor:

Selectiefactor_c1_prosea

In de tabel hieronder staan selectiefactoren voor een aantal soorten. Je kunt voor elke maaswijdte berekenen wat de minimum grootte van de verschillende soorten vis is die je met die maaswijdte vangt. Bijvoorbeeld: met mazen van 8 cm blijven kabeljauwen van 24 cm en groter in het net achter, want 3 × 8 = 24 cm.

De selectiefactor voor een aantal vissoorten.

De selectiefactor voor een aantal vissoorten.Prosea

Regels over minimum maaswijdten kunnen gekoppeld zijn aan het visgebied, het vistuig, de netconstructie, en aan eerder gevangen vis aan boord.

Vissers vangen vaak meerdere soorten tegelijk, omdat verschillende soorten vissen op dezelfde plek voorkomen. Daarom zijn technische maatregelen zoals maaswijdtevoorschriften nooit ideaal en probeert de beheerder vaak een compromis te vinden. Want de maaswijdte die precies goed is om maatse vis van de ene soort te vangen, is soms te klein is voor de andere soort. Met 8 cm mazen vang je bijvoorbeeld goed tong, maar deze maaswijdte is te klein voor schol. Maatse tong komt vooral in de Zuidelijke Noordzee en redelijk dicht op de kust voor. Dat zijn ook de plekken waar relatief veel ondermaatse schol voorkomt. Dat betekent dat de 8 cm boomkorvloot daar veel ondermaatse schol bijvangt.

Als je de formule voor het bepalen van de lengte van een steker invult voor schol en tong, dan zie je dat je pas vanaf een maaswijdte van 13 cm geen ondermaatse schol meer zal bijvangen. Nadeel is dan wel dat je sowieso op de korte termijn ook veel minder tong vangt, terwijl dit financieel de meest aantrekkelijke soort is voor vissers om te vangen.

Als je de formule voor het bepalen van de lengte van een steker invult voor schol en tong, dan zie je dat je pas vanaf een maaswijdte van 13 cm geen ondermaatse schol meer zal bijvangen. Nadeel is dan wel dat je sowieso op de korte termijn ook veel minder tong vangt, terwijl dit financieel de meest aantrekkelijke soort is voor vissers om te vangen. Prosea

De Europese Unie maakt zich ernstige zorgen over zulke discards. Dan gaat het niet alleen om bijvangst van ondermaatse schol, maar ook om kabeljauw en andere soorten. Eén van de nieuwe speerpunten in het toekomstige Visserij Beleid wordt waarschijnlijk het terugdringen van het percentage discards. Dat kan op verschillende manieren, met verschillende beheerinstrumenten, waarvan de invoering van de aanlandplicht de belangrijkste is.

Tijdelijk gesloten gebieden

Ook door gebieden tijdelijk te sluiten kan de bijvangst van ondermaatse vis beperkt worden. Dit kunnen gebieden zijn waar bijvoorbeeld elk jaar in een bepaald seizoen veel ondermaatse vis zit. Dan kan de visserij in dat gebied in dat seizoen aan banden gelegd worden. Maar het kunnen ook wisselende gebieden zijn die voor kortere periodes gesloten worden, wanneer vissers onverwacht stuiten op de aanwezigheid van veel jonge vis. De plaats van deze gebieden kan verschillen. Ze heten Real Time Closures (RTC’s).

Een overzicht van enkele RTC’s in februari 2016.

Een overzicht van enkele RTC’s in februari 2016. C. Bartholomew

Deze RTC’s zorgen voor een op maat gemaakt gesloten gebied in “real time”. Een RTC is vaak niet langer dan een paar weken achtereen gesloten. RTC’s werken alleen als de jonge vis in hoge dichtheden en voor langere tijd in een duidelijk aan te wijzen gebied voorkomt.

In Schotland geven vissers bijvoorbeeld aan wanneer er in bepaalde gebieden tijdelijk veel jonge kabeljauw voorkomt. Vissers die deze gebieden vervolgens vrijwillig mijden kunnen beloond worden met extra zeedagen. De Schotse RTC’s zijn maximaal 50 vierkante zeemijl groot en worden op zijn langst voor 3 weken achtereen gesloten. Na deze periode zijn de jonge kabeljauwen meestal weer uit het gebied weggetrokken. Naar schatting is de visserijsterfte op kabeljauw door deze maatregelen met 10% gedaald.

In de visserij op tong en schol worden soms op vrijwillige basis RTC’s ingesteld. Wanneer vissers onverwachts veel ondermaatse schol tegenkomen, kunnen ze de coördinaten van deze gebieden doorgeven aan hun visserijorganisatie. Bij meerdere meldingen van hetzelfde gebied kan het centrale coördinatiepunt van de Europese Producentenorganisatie besluiten het gebied voor twee weken te sluiten voor visserij.

Niet vissen in de paaitijd

Selectief vissen kan ook inhouden dat je vissen tijdens hun paaitijd niet stoort. Nederlandse platvisvissers hebben ook een aantal jaren vrijwillig afgesproken om in de kuitzieke periode minder te vissen. Zo werd in het eerste kwartaal van 2008 de visserij-inspanning tot 25% teruggebracht. Er werd dus tijdens de paaitijd niet helemaal gestopt met vissen, opdat de aanvoer niet zou opdrogen.

Het idee daarachter is dat vissen zich dan in alle rust kunnen voortplanten en dat dit mogelijk de visstand ten goed komt. Tong en schol bijvoorbeeld planten zich in de eerste maanden van het jaar voort. Dit is de zogenaamde kuitzieke periode. Dan is de vis mager omdat ze veel energie steekt in de voortplanting. Niet of minder vissen tijdens de paaitijd kan economische voordelen hebben, want magere vis brengt niet veel op. Dan kun je je quotum beter later in het jaar opvissen, wanneer de vis weer vetter is.

In het geval van tong en schol is het twijfelachtig of het stoppen met vissen in de paaitijd ook gunstig is voor de visstand. Natuurlijk is het goed mogelijk dat er meer bevruchte eitjes in zee komen wanneer schollen zich in alle rust kunnen voortplanten. Maar hoeveel er van die eieren uitkomen en hoeveel larven tot volwassen platvis opgroeien hangt van allerlei factoren af, zoals de temperatuur, het aantal roofvissen dat eieren en jonge larven eet, en de hoeveelheid voedsel. Je kan dus nog zoveel eieren in zee hebben, dat wil voor sommige vissoorten nog niet zeggen dat er over een paar jaar gegarandeerd veel maatse vis in zee zit. Daar komt nog eens bij dat je vissen wel kunt sparen tijdens de paaitijd, maar als je die vis dan een maand later toch opvangt, blijft de visserijdruk in dat jaar even hoog.

Een tonglarve (Solea solea).

Een tonglarve (Solea solea). Hans Hillewaert

Permanent gesloten gebieden

De beheerder kan er ook voor kiezen om bepaalde gebieden permanent voor de visserij te sluiten. Over het algemeen zijn vissen in beschermde gebieden gemiddeld groter en is de diversiteit aan levende organismen hoger. Bij sommige beschermde gebieden profiteert de visserij in de omringende vissersgronden ook van een verhoogde visopbrengst.

Permanent gesloten gebieden worden ook wel ‘boxen’ genoemd. In de Noordzee bestaan verschillende boxen die allemaal als doel hebben om ondermaatse vis te beschermen tegen visserij. Al deze boxen liggen in gebieden waar veel jonge vis voorkomt – de zogenaamde kraamkamers. De scholbox is een van de bekendste in Nederland. Sinds 1994 mogen kotters met een vermogen van meer dan 300 pk (221 kW) er helemaal niet meer vissen. De visserij-inspanning in de scholbox is toen met 90% gedaald. Maar de scholbox is dus niet een volledig gesloten gebied voor alle visserij.