De spieren

De spieren zorgen voor alle bewegingen van de vis. Ze vormen het visvlees. De grootste spieren zijn de rompspieren. Zij liggen aan beide zijden van het lichaam. Ze beginnen bij de kop en eindigen bij de staartvin. Minder sterk ontwikkelde spieren bevinden zich bij de vinnen. Met deze spieren worden zwembewegingen gemaakt. Door de spieren van een vis loopt minder bloed dan door de spieren van zoogdieren. Daarom is de kleur van het visvlees bleek. Het witte spierweefsel is slechts in staat tot kortstondige prestaties. De hartspier van de vis bestaat uit roodgekleurd spierweefsel. Deze spier is dan ook nooit in rust.

Bij vissen kan je onderscheid maken tussen rode en witte spieren. Rode spieren gebruiken het opgeslagen vet of eiwit als energiebron. Voor het omzetten van brandstof in spierenergie is alleen nog zuurstof nodig, die de vis met zijn kieuwen uit het water haalt. De zuurstof bereikt via het bloed het spierweefsel. Hoe meer rood spierweefsel een vis heeft, des te hoger is de snelheid waarmee de vis vrijwel onbeperkt kan blijven zwemmen. Voorbeelden van vissen met veel rode spieren zijn onder andere tonijn, zalm, makreel en haring.

De tonijn heeft veel rood spierweefsel.

De tonijn heeft veel rood spierweefsel.Nederlands Visbureau

De witte spieren gebruiken als energiebron een chemische substantie (glycogeen). Glycogeen is in dit spierweefsel opgeslagen. Door een chemische reactie kan dit glycogeen in melkzuur omgezet worden, waarbij energie vrijkomt voor het snel en krachtig samentrekken van de spieren. De in het spierweefsel opgeslagen hoeveelheid glycogeen is beperkt, waardoor vissen maar twee tot drie minuten op topsnelheid kunnen zwemmen. Daarna moeten de vissen weer overschakelen op de rode spieren. Als het glycogeen op is, duurt het minstens een dag voordat de aanwezige hoeveelheid glycogeen weer op peil is en er weer op topsnelheid gezwommen kan worden. Die dag is de vis extra kwetsbaar. Hij kan immers gemakkelijk worden gevangen.

Het spierweefsel van schol is veel lichter ten opzichte van de tonijn. Ze leggen minder kilometers af dan tonijn waardoor ze minder rood spierweefsel nodig hebben.

Het spierweefsel van schol is veel lichter ten opzichte van de tonijn. Ze leggen minder kilometers af dan tonijn waardoor ze minder rood spierweefsel nodig hebben.Nederlands Visbureau

Het aandeel rode spieren in de totale spiermassa is bij pelagische vissen groter dan bij rondvissen. Je ziet dit in de mate van roodkleuring van het visvlees. Het voordeel van de veel betere stroomlijning van pelagische vissen wordt dus te niet gedaan door de ten opzichte van rondvissen relatief geringe hoeveelheid witte spieren. Rondvissen van gelijke lichaamslengte gebruiken meer wit spierweefsel als ze op topsnelheid zwemmen.
Bij een dode vis stopt de bloedsomloop. De spieren kunnen nog enige tijd natrekken. De afvalproducten van de spieren die bij de levende vis worden afgevoerd, blijven nu in het lichaam zitten. Deze afvalproducten hopen zich op in de spieren. Het gevolg hiervan is de lijkstijfheid.