Vast afval in zee

Als je na een flinke storm een wandeling op het strand maakt, zie je wat voor afval er vanuit zee aanspoelt: eigenlijk alles wat je maar kunt bedenken. Van plastic drinkbeker tot oliedrum, van klein plastic korreltje tot hele koelkasten. Zelfs kopieerapparaten, televisies en bureaustoelen worden op het strand aangetroffen.

Inschatting van een aantal producten over hoe lang het duurt voordat het in zee afgebroken is. — NOAA

Terwijl het overal ter wereld verboden is om plastic afval in zee te dumpen, is zeker 60 tot 80 procent van al het afval in de zee plastic. Plastic brengt onze maatschappij veel voordelen, want het is heel sterk en licht. Het zijn deze twee eigenschappen die plastic als afval ook juist zo problematisch maken: het verspreidt zich makkelijk (want het weegt weinig) en het vergaat maar heel langzaam (want het is sterk). Het duurt ongeveer 450 jaar voordat een plastic fles in het zeemilieu afgebroken is.

Nederland

Op Nederlandse stranden is van 2002 tot 2012 bijgehouden hoeveel en wat voor afval er ligt.

  • 38% van het afval op de Nederlandse stranden is afkomstig van de visserij en de scheepvaart. Je kunt daarbij met name denken aan netten en touwen.
  • 19% bestaat uit stukjes plastic en polystyreen zonder duidelijke bron.
  • 25% is afkomstig van mensen aan land.

De overige bronnen zijn onzeker en kunnen zowel van het land komen als vanaf de zee. Een deel van het afval dat in de zee terecht komt (ongeveer 70%) zinkt naar de bodem, 15% blijft drijven en 15% spoelt aan land aan. Dat laatste blijkt bijvoorbeeld wanneer aan het einde van het winterseizoen het strand wordt schoongemaakt. Op het Texelse strand is 1 ton afval per kilometer strand geen uitzondering. Voor heel Texel komt dit neer op 750 viskisten afval per jaar.

Een groot deel van het afval in zee zinkt naar de bodem, zoals ook gebeurd is met deze gedumpte banden voor de kust van Florida. — Navy Combat Camera Dive Ex-East

1 Problemen met plastic in zee

Afvalstoffen zijn niet altijd een probleem. Soms gebruiken zeevogels het afval als nestmateriaal. En het blijft leuk om naar de stoere verhalen van strandjutters te luisteren. Helaas heeft plastic erg veel nadelen. Niet alleen voor zeedieren, maar ook voor mensen. Voor zeedieren zijn twee problemen belangrijk: ze raken in afval verstrikt of ze slikken het in en verhongeren daarna. Voor mensen kan de economische schade heel groot zijn en kan plastic gevaarlijke situaties opleveren, bijvoorbeeld wanneer de scheepsschroef verstrikt raakt in afval.

Verstrikking

Dieren kunnen verstrikt raken in allerlei plastic materiaal, zoals netten, belijning, blikjes en verpakkingsmateriaal. Diverse soorten vogels en ook zeezoogdieren zijn vaak het slachtoffer. Van 25% van de zeevogelsoorten en 42% van de zeezoogdiersoorten zijn gevallen van verstrikking bekend.

Dode Jan van Gent met plastic in z’n snavel. — Henk Strietman

Vogels zoals de Jan van Gent gebruiken soms plastic netmateriaal om zijn nest te bouwen, in plaats van zeewier. Helaas sterven hun jongen wanneer ze in dit plastic blijven hangen. Ook kunnen vogels tijdens het eten zoeken met hun kop of snavel verstrikt raken in plastic. Hierdoor wordt eten onmogelijk en sterven ze een langzame dood.

Zeehond met plastic verpakkingsband om middel (moest worden afgemaakt vanwege de ernstige verwondingen). — Salko de Wolf

Regelmatig worden in oude (vis)netten gewikkelde zeehonden, schildpadden of dolfijnen op het strand gevonden. Zeehonden en dolfijnen spelen ook met bijvoorbeeld verpakkingsbanden die in het water drijven. Als dat plastic vast blijft zitten, heeft het dier een probleem. Het dier groeit, maar het plastic rekt niet mee. Zo raakt het dier langzaam steeds strakker ingesnoerd.

Een zeehond verstrikt in een net afkomstig uit de scheepvaart. — Ecomare

Verhongering door inslikken

Afval in zee ziet er soms uit als eten. Kleine stukjes plastic lijken op viseitjes, een plastic zak ziet eruit als een kwal. Schildpadden en vogels eten hierdoor regelmatig afval. Gewoon omdat ze denken dat het eten is. Alle zeeschildpadsoorten blijken wel eens plastic in te slikken en ook bij 40% van de zeevogelsoorten en bij 50% van de zeezoogdiersoorten is er wel eens plastic in hun magen gevonden.

Zeeschildpadden eten regelmatig plastic, want onderwater lijkt dit vaak op hun natuurlijke prooi de kwal. — Yamamoto Biology

De albatros staat erom bekend enorme afvalvoorwerpen in te slikken. Aanstekers en golfballen zijn geen uitzondering voor deze grote vogels. Vaak wordt het plastic ook aan de jongen gevoerd. In verlaten nesten kun je dode jongen en het door hen gegeten plastic vinden.

Albatrossen brengen het grootste deel van hun leven door op zee. Ze voeden hun jongen met allerlei prooien die ze op zee vinden, maar helaas zit daar tegenwoordig ook plastic bij. De jongen verhongeren vervolgens door plastic in de maag. — Chris Jordan

Dichter bij huis, in onze eigen Noordzee, leeft de Noordse Stormvogel. Deze vogel is familie van de albatros en leeft en voedt zich uitsluitend op zee. Daarbij slikt deze vogel regelmatig plastic in. Tijdens een groot Europees onderzoek is aangetoond dat bijna alle vogels die dood op stranden worden gevonden (meer dan 95%) meerdere stukken plastic in hun maag hebben. Dat is niet gezond, want plastic is onverteerbaar, dus blijft in de maag aanwezig. Hierdoor neemt het hongergevoel van de stormvogels af. De maag blijft immers altijd een beetje gevuld. Als gevolg hiervan verzwakken dieren en gaan ze soms dood door verhongering.

Buiten het broedseizoen zijn het volledig pelagische vogels, die zich voeden met vis, pijlinktvissen, plankton en visafval. De prooi wordt meestal van het wateroppervlak opgepikt, maar duikend doen ze dit ook wel. Recent onderzoek rond de Noordzee heeft uitgewezen dat noordse stormvogels gevoelig zijn voor plastic zwerfvuil op zee, dat zich ophoopt in het spijsverteringsysteem van de vogels. — Andreas Trepte

Daarnaast kunnen dieren in plastic voorwerpen stikken, wanneer die bij het inslikken in de luchtpijp terecht komen.

Economische schade

Afval in zee kost ook veel geld, bijvoorbeeld door:

  • schoonmaakkosten van stranden.
    Dit is een aanzienlijke kostenpost voor kustgemeenten en strandtenten. De gemeente Den Haag bijvoorbeeld betaalt in het hoogseizoen 18.000 euro per dag om het strand schoon te maken.
  • schade voor de visserij. Doordat je afval uit het net moet sorteren verlies je vistijd. Op de Shetland eilanden bleken vissers 1-2 uur per week te besteden aan het schoonmaken van hun netten. Ook kan het afval de netten beschadigen.
  • schade voor de scheepvaart en visserij. Soms raakt afval verstrikt in de scheepsschroef. Dat kan een dure reparatie betekenen. In 2007 leidde verstrikking van de schroef van de NG15 in een vistouw tot een zeer kostbare droogdokbeurt.
Scheepsschroef verstrikt in afval. — KIMO

1 Problemen op wereldschaal

Afval in zee is inmiddels een wereldwijd probleem. Je komt het overal ter wereld tegen, zelfs op plekken waar mensen nauwelijks komen, zoals op de poolgebieden, of midden in de Stille Oceaan. Dat komt doordat veel vast afval (meestal plastic) licht materiaal is, dat makkelijk door de zeestromingen vervoerd kan worden.

Afval op zee is niet alleen een Nederlands probleem, maar een internationaal probleem. Waar je ook komt, overal is afval te vinden. — ProSea

Plastic soep

Enkele jaren geleden, in 1997, ontdekte de Amerikaanse kapitein Moore vanaf zijn zeilschip een enorme poel van drijvend plastic. Een gebied in zee met een verhoogde concentratie aan kleinere en grotere plastic voorwerpen. Toen hij dit nader onderzocht kon hij zijn ogen niet geloven. Meerdere onderzoeksinstituten stelden vast dat er aan de westkust van Amerika een afvalconcentratie op zee drijft met een afmeting van ongeveer het continent Europa! Deze plek bleek niet de enige, want in totaal zijn er wereldwijd vijf van dit soort ophopingen te vinden: onder andere één dichter bij huis in de Atlantische Oceaan. Zeestromingen zorgen ervoor dat het afval op deze plekken samenkomt.

Plastic wordt door de wind en de stroming meegevoerd naar vijf grote zeegebieden, waar het wordt gevangen in de grote oceaanstromingen, de zogenoemde gyren. Hierboven zie je de vijf grote gyren (ringvormige zeestromingen), met linksonder de Indische Oceaan, in het midden de Grote Oceaan en rechts de Atlantische Oceaan. De concentratie plastic in deze gyren is wel 25 keer hoger dan daarbuiten. — NOAA

De meeste stukjes plastic in deze ‘plastic soep’ zijn zo klein dat ze nauwelijks waarneembaar zijn met het blote oog. Er is geschat dat er op sommige plekken in deze plastic soep zes keer zoveel plastic dan plankton zit (in gewicht).

Met name de kleine stukjes plastic, ook wel microplastics en nanoplastics genoemd, zijn lastig om op te ruimen. — The 5 Gyres Institute

Plastic soep leeg scheppen?

De afvalsoepen zijn moeilijk op te ruimen, want de meeste afvaldeeltjes zijn heel klein en opruimen midden op de oceaan is logistiek moeilijk en kost veel geld. Steeds meer oplossingen worden er aangedragen, waaronder die van de Ocean Cleanup. Zij willen proberen installaties met vangarmen in de oceanen te plaatsen die het plastic kunnen wegvangen. Het idee is dat het afval vanzelf de vangarmen bereikt, omdat het door de stromingen naar ze toegevoerd wordt.

Om het probleem te beperken moeten we in elk geval zorgen dat er niet nog meer afval in de oceanen terechtkomt!

1 Microplastics en nanoplastics

Ook minuscuul kleine plasticdeeltjes kunnen schade veroorzaken. Zulke kleine deeltjes heten microplastics (kleiner dan 5 mm in diameter) of nanoplastics (kleiner dan 100 nanometer). Ze kunnen op twee manieren ontstaan. Als eerst doordat ze in bijvoorbeeld cosmeticaproducten (zoals scrubs en tandpasta) gebruikt worden en na gebruik in het mariene milieu terecht komen. Als tweede doordat grotere stukken plastic niet of nauwelijks verteren, maar afbreken tot steeds kleinere stukken plastic. Omdat ze gegeten worden door kleine dieren onderaan de voedselketen, is het mogelijk dat micro- en nanoplastics de hele voedselketen beïnvloeden.

Micro- en nanoplastics kunnen worden opgenomen door zoöplankton, zoals duidelijk te zien is aan de oplichtende plastic deeltjes in bovenstaande afbeelding. — Reprinted with permission from M. Cole, P. Lindeque, E. Fileman, et al. Copyright 2013 American Chemical Society

Opstapeling in de voedselketen

Plastic bestaat voor een deel uit chemicaliën, zoals vlamvertragers en weekmakers. Sommige daarvan zijn giftig. Als hele kleine dieren microplastics opeten, komen de chemische stoffen in hun weefsels en bloed terecht. Dan is de concentratie van deze stoffen misschien nog niet zo hoog. Maar naarmate deze dieren gegeten worden door dieren hoger in de voedselketen, hopen de chemische stoffen zich op: de concentratie wordt steeds hoger. Dit proces heet bioaccumulatie. Zo kan het zijn dat deze chemicaliën hun weg vinden in de hele voedselketen – tot naar de vis die op ons bord ligt!

Naarmate je hoger in de voedselketen komt, neemt de concentratie aan chemicaliën toe. Chemische stoffen die door plankton aan de basis van de voedselketen worden opgenomen kunnen daardoor uiteindelijk terecht komen in de top van de voedselpiramide. — ProSea

Nanoplastics kunnen nog grotere problemen veroorzaken dan microplastics. Ze kunnen zelfs door celmembranen heen dringen en daar schade veroorzaken, zoals ontstekingen.

Microplastics en nanoplastics zijn inmiddels wijdverspreid over alle wereldzeeën. Ook kan je in bijna elk schepje strandzand, dat je waar ook ter wereld verzamelt, kleine stukjes plastic vinden. De gevolgen van de kleine plasticdeeltjes worden op dit moment volop onderzocht.

1 Wat zijn de regels?

Net als alle andere zeevarende schepen zijn vissersschepen gebonden aan de lozingsregels van het MARPOL verdrag. Dat verdrag is vastgesteld door de Internationale Maritieme Organisatie, de IMO. In bijlage 5 (Annex V) staan de regels voor vaste afvalstoffen. Als gevolg daarvan is overal op zee lozing van afval verboden, behalve fijngemalen voedselafval.

Van dit type afval is de herkomst makkelijk te herleiden, want een vissershandschoen is afkomstig van de visserijsector. Het overboord gooien van afval is verboden, maar in dit geval ook nog eens heel slecht voor het imago van de visserijsector. — Stichting de Noordzee

De IMO heeft de Noordzee aangewezen als speciaal gebied waar strengere milieueisen gelden, op de Noordzee gelden daarom extra regels waar het fijngemalen voedsel overboord mag. Dit betekent dat al het afval dat je op de Nederlandse en andere Noord-Europese stranden aantreft illegaal in zee is geloosd of op het strand is achtergelaten!

1 Hoe gaat het in de Nederlandse visserij?

Aan boord van schepen worden afvalstoffen verzameld in bakken, zakken (‘bigbags’) of containers. Er kan een aparte opslagruimte zijn. Soms wordt afval per type gescheiden bewaard. In alle Nederlandse havens waar vissersschepen komen zijn ‘Haven-Ontvangst- Installaties’ (HOI’s) ingesteld. HOI’s zamelen vaste en vloeibare afvalstoffen tegen betaling in en verwerken deze verder.

Een Haven-Ontvangst-Installatie (HOI). — Rijkswaterstaat

Voor Klein Gevaarlijk Afval (KGA: filters, poetslappen, vetten, verfresten en tl-lampen) bestaat een speciale regeling, de ‘SFAV-regeling’. SFAV staat voor Stichting Financiering Afvalstoffen Visserij en is een initiatief vanuit de sector zelf. Dit is een abonnement systeem, waarbij elk vissersschip dat lid is een vaste bijdrage betaalt, waarna het een bepaalde hoeveelheid afval zonder verdere kosten kan afgeven. Die hoeveelheid is gekoppeld aan het aantal PK’s van het schip.

Green Deal Visserij voor een Schone Zee

De visserij werkt actief mee aan het verminderen van afval in zee, onder andere door het tekenen van de Green Deal ‘Visserij voor een schone zee’. Hierin hebben vissers, visserijhavens, afvalverwerkers, NGOs en de overheid afgesproken om samen te werken aan een schone zee. In de Green Deal ligt de focus op praktische oplossingen zoals betere afvalvoorzieningen aan boord van schepen en in de havens, maar ook aan meer bewustwording wordt gewerkt.

Tijdens het HavenVistijn op 13 augustus 2016 ondertekenden de gemeente Texel, CIV Texel, KIMO Nederland/België en de ECNC Land & Sea Group drie belangrijke overeenkomsten, waaronder een Green Deal Visserij. Hiermee spreken Texelse vissers, havens en de gemeente af de hoeveelheid afval die door de visserijsector in zee belandt, te verminderen. — Jacqueline van Dongen

De visserij wil werken aan een toekomst waarbij de sector goed en economisch maatschappelijk aanvaardbaar kan functioneren. De visserij zoekt daarom bewust naar manieren om bij te dragen aan verdere verduurzaming van de visserij. Met het ondertekenen van de Green Deal werkt de visserij aan de aanpak van afval binnen de sector. Hieronder valt niet alleen afval uit de bedrijfsvoering en vistuig, maar ook huishoudelijk en opgevist afval. De overheid maakt zich binnen de deal sterk voor uitwisseling van kennis en zorgt voor financiering van projecten.

Fishing For Litter

Vissers krijgen tijdens het vissen veel afval in hun netten dat eerder door andere zeegebruikers in zee is gedumpt of via rivieren en land in zee is gespoeld. Vroeger werd dat afval gewoon weer terug in zee gegooid, maar sinds 2006 doet de visserij in Nederland mee aan het project Fishing for Litter. Vissers die meedoen aan dit project nemen dit zwervuil mee naar land, waar het zonder kosten voor de vissers wordt ingenomen, afgevoerd en verwerkt. Zo werken vissers actief mee aan het schoonmaken van de zee.

Afval aan boord van een schip dat deelneemt aan Fishing For Litter. — KIMO

In 2014 deden in Nederland 75 visserschepen mee aan het project en werd 224 ton afval uit zee gehaald.

VisPluisVrij

Pluis is een mooi product, dat goed helpt de netten te beschermen. Helaas komt tijdens het vissen ook een gedeelte van de plastic pluisdraadjes in zee en op het strand terecht; en dat is voor velen binnen en buiten de visserijsector een ongewenste situatie.

Gebruik van pluis in de visserij. — www.vispluisvrij.nl

Jaarlijks schaft de Europese visserij ongeveer 100.000 kilo pluis aan. Daarvan is het aandeel van de Nederlandse vissers ongeveer 40.000 kilo. Van het pluis slijt ongeveer 10-25% tijdens het vissen af, een onbekend gedeelte komt tijdens onderhouds-werkzaamheden in zee terecht. Dit blijkt ook uit de monitoringsgegevens van Rijkswaterstaat van afval op stranden. Pluisdraadjes zijn daarbij één van de meest aangetroffen typen afval: meer dan 100 stukjes pluisdraad per 100 meter strand.

In het project Vispluisvrij werkt de visserij samen met Stichting De Noordzee en het ministerie van I&M om de hoeveelheid pluis die jaarlijks in zee terechtkomt te verminderen. Er wordt onder andere gekeken naar het gebruik van alternatieven voor pluis. Materialen die net zo goed werken, maar duurzamer zijn. Ook wordt gekeken naar alternatieve netontwerpen, waardoor er minder slijtage (en dus pluis nodig) is.

Er worden meerdere materialen in de praktijk getest door vissers om te kijken of er een geschikt alternatief voor pluis te vinden is. — VisPluisVrij

Veel winst valt echter ook te halen op andere vlakken, die wellicht zelfs nog dichter binnen handbereik liggen. Zo kunnen er stappen gemaakt worden in de manier waarop aan boord met pluisresten omgegaan wordt. Het project zorgt er daarom ook voor dat vissers goede informatie krijgen en zich bewust zijn van het probleem en van mogelijke oplossingen.

Door pluis netjes te bewaren en aan de wal af te geven kun je al behoorlijk bijdragen aan het verminderen van het probleem. — VisPluisVrij

1 Vissen met korren

In deze lesmodule ‘Vissen met korren’ zullen diverse korvisserijmethoden worden behandeld. Iedere kormethode is gericht op het vangen van demersale soorten. Dat zijn soorten die je vooral dichtbij-, op- of in de zeebodem aantreft.

Een tekening van de boomkor. Op de tekening is ook duidelijk te zien dat deze visserijmethode zich richt op soorten vlak boven-, op en in de zeebodem. — Lindsay G. Thompson

2 Boomkor

Vanaf de jaren zestig is een groot deel van de Nederlandse vissers overgeschakeld van de bordentrawl naar de boomkor voor het vangen van platvis. De boomkormethode is namelijk een effectieve methode voor het vangen van platvis. Tot 2010 was de boomkor de meest gebruikte visserijmethode binnen de Nederlandse kottervloot.

Schematische weergave van de boomkormethode. — Seafish

2.1 Beschrijving

De boomkor bestaat uit drie stalen pijpen die samen de boom vormen (Engels: ‘beam’). Vandaar ook de naam boomkor (beam trawl in het Engels). Een kor heeft een vangopening die door de vaste constructie van de boom niet van vorm verandert. De vangopening wordt dus niet beïnvloed door de snelheid waarmee je het vistuig sleept. Meestal hangt de boom ongeveer 0,6 tot 0,8 meter van de zeebodem. De middenpijp wordt tijdens het vissen het meest op buiging belast en is daarom dikker uitgevoerd dan de zijpijpen. Deze zijpijpen schuif je aan beide kanten in de middenpijp.

Slede of slof

Beide uiteinden van de boom worden door een slede/slof ondersteund. Hieronder zie je zo’n slede/slof.

Een slede/slof van een boomkor. — Wageningen Economic Research

Het net is met vier sluitingen aan de achterkant van de sloffen vastgemaakt. Daarbij zit de bovenpees vast aan de bovenkant van de sloffen en de onderpees aan de onderkant. De wekkerkettingen (ook wel wekkers genoemd) worden aan de onderkant van de sloffen bevestigd. Deze wekkerkettingen worden gebruikt om de platvis uit het zand op te schrikken.

De verschillende onderdelen van een boomkor. — VLIZ Fotogalerij

Aan de voorkant van de sloffen bevindt zich een stalen strip met gaten waaraan je de boomkor voortsleept. Tevens worden aan die strip de spruiten met sluitingen bevestigd. De stand van de sloffen over de zeebodem kan veranderd worden door te variëren met het bevestigingspunt van de spruiten aan de sloffen. Zo kun je bijvoorbeeld voorkomen dat je op de hak van de slof vist.

Bovenaanzicht van de achterkant van de slof. De bevestigingspunten voor de wekkerkettingen, spruit, net en onderpees zijn hierop te zien. De witte cirkel toont een ketting die gebruikt wordt om het tuig via de slof naar het schip te trekken.

Spruit

De spruit bestaat uit drie of vijf delen en is gemaakt van ketting of staaldraad. Twee delen lopen naar de sloffen en het derde deel zit aan het midden van de middenpijp vast. Doordat het derde deel zo lang is, is het onwaarschijnlijk dat je deze tijdens het vissen onder normale omstandigheden belast. Het vistuig sleep je aan de sloffen. Bij een hoge weerstand van het vistuig, bijvoorbeeld wanneer deze vastloopt, zal de boom doorbuigen. Als dat gebeurt, dan zal ook het derde deel van de spruit belast worden. Zo wordt verder doorbuigen van de boom verhinderd.

Vangvermogen

Het vangvermogen van een boomkor wordt bepaald door het beviste zeebodemoppervlak in een bepaald tijdsbestek. Dit is afhankelijk van:

  • de breedte van het vistuig;
  • de snelheid waarmee je het vistuig sleept;
  • het aantal wekkerkettingen;
  • het gewicht van de wekkerkettingen.

De breedte van het vistuig en het totale gewicht van de wekkers wordt vooral bepaald door het voortstuwingsvermogen van de kotter en door de regelgeving. Daarnaast hangt de breedte en het aantal wekkers af van de bodemgesteldheid. Zo is het aantal wekkers kleiner bij de visserij in de onderzeese duinen (de punten) dan op vlakke grond. De punten komen in grote delen van de zuidelijke Noordzee voor.

Boomkornet van 9 meter breed met steennet (uit ijzeren kettingen bestaande netwerk; vermijdt dat stenen in het net terecht komen en het net beschadigen). — VLIZ Fotogalerij

Daarnaast worden bij de visserij op tong meer wekkers en lichtere kettingen gebruikt dan bij de visserij op schol. Tong is namelijk een vissoort die zich moeilijk uit de zeebodem laat jagen. Bij het vissen op schol worden wel weer zwaardere netten met wijdere mazen gebruikt dan bij het vissen op tong. Op harde grond kun je met zwaardere tuigen vissen dan op zachte grond.

Grondpees met rubberschijven en tongflap.

Grondpees

Het is noodzakelijk dat de grondpees goed in contact blijft met de zeebodem. Dit is belangrijk om te voorkomen dat platvis onder het net door ontsnapt. Dit doe je door een zware ketting als grondpees te gebruiken. In het midden van deze kettinggrondpees zit een breekschalm die ervoor zorgt dat je bij het vastlopen grote schade of zelfs verlies van het vistuig voorkomt. Als je vist in een gebied met een zachte bodem, dan kun je de kettinggrondpees in het midden verstevigen met touwwerk of rubberschijven. Op die manier verklein je de kans om het vistuig vast te laten lopen in de grond.

De doorsnede van de rubberschijven wordt vanuit het midden naar buiten toe steeds iets kleiner. Tussen de kettinggrondpees en de achterste wekker lopen een aantal lichtere kettingen over de zeebodem. Deze kettingen noem je ook wel ‘kietelaars’. Deze korte kettingen zitten vast aan de kettinggrondpees en moeten voorkomen dat platvissen zich vlak voor de naderende kettinggrondpees opnieuw ingraven. Vooral tong probeert op die manier aan het net te ontsnappen. Om dit te voorkomen gebruik je de tongflap. Dit stuk netwerk loopt vanaf de laatste kietelaar tot achter de grondpees. Door het gebruik van een tongflap kun je als visser goede vangsten behalen op verschillende visgronden.

Ronde onderpees met 5 m lange tongflap (links), en rechte onderpees met korte 2.5 m tongflap (rechts). — Coöperatie Westvoorn/Arie Lokker

Bij het vissen in een gebied met stenen kun je een kettingmat aanbrengen tussen de boom en de kettinggrondpees. Die kettingmat voorkomt dat grote stenen in het net komen.

Vislier

Moderne boomkorkotters zijn uitgerust met een vislier die uit tien trommels bestaat:

  • twee grote vislijntrommels voor het vieren en inhalen van de vistuigen;
  • twee giekbloktrommels om bij gevaarlijke situaties het giekblok te vieren;
  • vier jumpertrommels om de kuilen binnenboord te hijsen.
  • twee hangerdraadtrommels voor het strijken en toppen van de gieken;
Een vislier.

In het verleden werden de kotters gebouwd met twee jumpertrommels en twee verhaalkoppen. Om het halen en zetten van de netten veiliger te maken worden op nieuwe kotters geen verhaalkoppen gebruikt. Aan boomkorkotters worden zware stabiliteitseisen gesteld. Dit is nodig om kapseizen te voorkomen.

De vislier moet je vanaf de brug kunnen bedienen en moet een omkeerbare aandrijving hebben. Ook moet je het blok in de top van de giek, waaraan je de boomkor sleept, kunnen vieren. Op die manier verklein je het risico op kapseizen, want door de kracht vanuit de top van de giek naar de zijkant van het schip te verplaatsen verklein je de arm. De meeste kotters hebben een Marelec systeem dat de vislijnen bij overbelasting automatisch laat vieren, zodat de overbelasting wegvalt.

Invloed zeebodem op vislier

De uitgevierde lengte van de vislijnen is drie tot vier keer de waterdiepte. Als de zeebodem zacht of modderig is, dan vier je minder vislijn uit. De vislijn staat dan steiler, waardoor de boomkorren lichter over de bodem gaan. Hierdoor heb je minder kans om de tuigen in de bodem te trekken. Op een harde zandbodem vier je meer vislijn uit. Als je in hoge ‘punten’ vist, dan moet je de lengte van de vislijn steeds aan de variërende diepte aanpassen.

De wachtsman schakelt de vislier in als er tegen een ‘punt’ wordt opgevist. De vislijn wordt dan ingekort. Hiervoor moet de vislier in staat zijn om de vislijnen bij vol vermogen tegen de stuwkracht van de kotter in te korten. Deze methode kan door veel kotters ook bij slechte weersomstandigheden beoefend worden door de toename in de afmetingen van boomkorkotters en het gestegen motorvermogen.

Hoge belasting vislijn

Door scheepsbewegingen kun je de vislijnen zwaar belasten. Tijdens een slingerbeweging van de kotter is een vislijn het ene moment vrijwel zonder spanning, terwijl er een hoge piekbelasting optreedt wanneer de kotter naar de andere kant overhelt. Op deze piekbelasting is ook het stampen van invloed. Door de dan optredende onregelmatige snelheid van het vistuig neemt het vangvermogen af.

Ook tijdens het vastlopen en gedurende pogingen om los te komen kan een hoge belasting op de vislijnen optreden. Om die reden worden er zware vislijnen gebruikt.

Slijtage en schade aan de vislijnen kun je zoveel mogelijk beperken door schijven te gebruiken met een grote diameter. Ook het gebruik van vislijntrommels met een grote kerndiameter kan slijtage en schade beperken.

Dunnere vislijn

Het gebruik van vislijntrommels met een grote kerndiameter is voor veel kotters geen optie. Vandaar gebruiken grote kotters een dunnere vislijn. Deze dunnere vislijn loopt over een dubbelschijfsblok in de top van de giek via een aan de spruit bevestigd éénschijfsblok weer terug naar het blok in de top van de giek. Door het gebruik van deze dubbel ingeschoren vislijn wordt de belasting in de vislijn met de helft verminderd en kun je een dunnere vislijn gebruiken. Tegelijkertijd halveer je de trekkracht die de lier moet leveren, zodat de aandrijving een kleiner draaimoment kan leveren.

De tandwielkast en lieras hoef je minder zwaar uit te voeren. Ook fricties en remmen worden hierdoor een stuk minder belast. Wel moet de lier tweemaal zo snel draaien om dezelfde haalsnelheid van het vistuig te kunnen bereiken. De dubbel ingeschoren vislijn moet ook langer zijn en dat is dan weer van invloed op de afmetingen van de trommels.

In de nok van de giek zit de kracht van de vislijn. Het hellinggevend moment is gelijk aan de afstand van de nok van de giek tot aan het vlak van kiel en stevens. Dit is een groot moment. Als je de vislijn zou blijven inhalen, dan kan het moment zo groot worden dat het schip omslaat. Dat kan ook gebeuren als je bij het vastlopen niet snel genoeg het vermogen van de motor terugneemt.

Vastgelopen vistuig

Als een schip vast zit aan een obstakel, trek het dan niet los over de nok van de giek. In zo’n situatie gebruik je de slipdraad-installatie. Bij de slipdraad-installatie hangt het slipvisblok aan de slipdraad in de nok van de giek (zie onderstaande afbeelding).

Het slip visblok in gewoon vissende situatie: 1. Loshangend slipdraad, 2. Slip visblok, 3. Vislijn, 4. Voortuig, 5. Achtertuig.

Het slipvisblok bestaat uit twee delen in één blok. Door het bovenste deel loopt het slipdraad en door het onderste deel de visdraad. Het vaste part van de slipdraad zit aan de nok van de giek. Deze slipdraad wordt geschoren over een aantal schijven in de nok van de giek en een aantal schijven op het slipvisblok. Daarvandaan gaat de slipdraad langs de giek naar beneden. Via twee geleide blokken loopt het slipdraad naar een trommel op de winch en deze trommel wordt ook wel de “slipdraadtrommel” genoemd.

Er is dus een extra trommel op de winch nodig voor een slipvisblok-installatie. In de gewone vissende situatie hangt het slipvisblok in de nok van de giek, zoals is te zien in bovenstaande afbeelding. De arm van het koppel dat de helling veroorzaakt, is de afstand van de nok van de giek tot het vlak van kiel en stevens.

Als het vistuig vastloopt aan een obstakel onderwater, dan laat je het slipvisblok vieren zoals te zien is in onderstaande afbeelding. Het slipvisblok komt dan onder het klapblok op de bak van het schip te hangen. Er staat geen kracht meer op het loshangende slipdraad en op de giek. Het helpt niet om het slipdraad slechts een beetje te vieren, want de kracht blijft dan in de top van de giek.

Het slip visblok in een situatie waarin het vistuig is vastgelopen: 1. Loshangend slipdraad, 2. Slip visblok, 3. Visdraad, 4. Voortuig, 5. Achtertuig.

Van Damme-patent

Op kleinere schepen, zoals eurokotters, is meestal geen ruimte voor een grote winch met een extra trommel. In dat geval maken vissers nog weleens gebruik van het Van Damme-patent. Dit Van Damme-patent is te zien in onderstaande afbeelding. Bij dit systeem is in de nok van de giek een installatie gemaakt die het visblok ook uit de giek kan vieren.

Het Van Damme patent aan boord van een kotter (links): 1. Giekdraad, 2. Giek, 3. Voortuig, 4. Vaste part, 5. Bevestiging vaste part aan scharnierplaat, 6. Visblok, 7. Beugel waar het visblok aanhangt, 8. Giekdraadblok. Tekening van het Van Damme patent (rechts): 2. Giek, 5. Bevestiging vaste part aan scharnierplaat, 7. Beugel waar het visblok aanhangt, 9. Bevestiging visdraad aan de beugel, 10. Stootnok voor de beugel, 11. Bevestigingsplaat van een giekblok, 12. Bevestigingsplaats van het achtertuig.

Zodra een schip met zijn vistuig vast zit aan een obstakel onder water, dan laat je de giekdraad vieren. Als het vaste part strak komt te staan, dan zal de beugel in zijn scharnier naar beneden draaien. Als gevolg daarvan zal het visblok eerst over het scharnier schuiven en daarna over de giekdraad. Uiteindelijk komt het visblok achter de bak aan het blok in de galg te hangen. In deze situatie is de arm van het koppel ook verkort tot de afstand van het blok in de galg.

Overzicht van een vastgelopen kotter met een Van Damme patent: 1. Slip visblok Van Damme patent, 2. Vislijn, 4. Voortuig, 5. Achtertuig, 6. Loshangende giekdraad.

2.2 Werkwijze

In dit hoofdstuk bespreken we de wijze waarop je de boomkor normaal gesproken gebruikt. De hier beschreven werkwijze kan afwijken van de praktijk. Het belangrijkste is dat een visser ten alle tijden rekening houdt met de veiligheid.

Uitzetten net

Bij het uitzetten van het visnet volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met boomkor:

  • zodra de gewenste positie is bereikt breng je de  snelheid terug tot zeer langzaam vooruit;
  • onder goede weersomstandigheden breng je de kotter met de kop in de wind en bij slecht weer juist voor de wind;
  • je maakt de sjorringen los waarmee de boomkorren zeevast zijn gezet;
  • de giek wordt verticaal gezet en je hijst het tuig boven de verschansing;
  • nu laat je de giek vieren en door deze beweging zal het tuig de wekkers overboord trekken. De langste wekkers moet je misschien over de verschansing tillen;
  • de jumper zal ook worden gehesen. Doordat deze in een strop achter het midden zit zal ook de pees van dek komen;
  • het kuiltouw zet je vast op de voorbolder om het draaien van het tuig tegen te gaan;
  • de kietelaars worden over de verschansing getild. Zorg ervoor dat ze niet in de war raken;
  • omdat het gewicht van het tuig aan het net trekt, zal bij het vieren van de jumper de onderpees overboord zakken;
  • de andere jumper zit in de staartstrop. Om de jumperhaak open te trekken zal deze jumper worden gehesen en aan het vaste part op de giek worden bevestigd;
  • nu zal de schipper vaart vermeerderen en de tuigen en gieken iets laten vieren;
  • de kuilen worden één voor één losgegooid door de jumper op vrije val te zetten;
  • tegelijkertijd kan de schipper de vaart vermeerderen en kun je het kuiltouw van de voorbolder losmaken;
  • als beide kuilen zijn losgegooid en de kotter op koers ligt, dan zullen de tuigen verder worden gevierd.

Binnenhalen net

Bij het binnenhalen van het net volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met boomkor:

  • je verlaagt het toerental van de motor tot een snelheid waarop je nog voldoende druk op het roer hebt om de kotter tussen de vislijnen te houden (ca. 1/3 maximum motortoerental);
  • de vislijnen worden ingehaald tot de spruit het visblok in de top van de giek nadert;
  • als de vislier stopt, dan vermeerder je gedurende korte tijd vaart om de vissen die nog in het voornet zitten in de kuil te brengen;
  • de giek moet in een stand worden gebracht die het mogelijk maakt voor een bemanningslid om het kuiltouw van de binnenste slof te pakken;
  • nu moet je de hoofdmotor op een nullast–toerental brengen en de schroef stilzetten;
  • daarna kun je het kuiltouw in de hulpjumper pikken en opzetten;
  • vervolgens moet het kuiltouw doordraaien totdat de verdeelstrop naar voren komt. Daar moet je dan de andere jumper inpikken. Daarna kun je de staart boven de bak draaien;
  • je kunt de pooklijn losmaken, waardoor de vangst in de vangstverwerkingsinstallatie valt;
  • het netwerk van de kuil kan worden nagekeken op schade. Vervolgens kun je de pooklijn weer aantrekken en de kuil dichtmaken;
  • daarna kan de kuil gehesen worden en kan het vaste part vanuit de giek aan de jumper worden bevestigd. Alles is dan weer gereed om uit te zetten.

Beëindigen van het vissen

Bij het beëindigen van het vissen volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met boomkor:

  • na de laatste trek laat je de kuilen open en spoel je de netten;
  • het kuiltouw wordt zo vastgezet dat de kuil niet ongewild overboord getrokken kan worden;
  • de giek breng je in een verticale positie zodat de boomkor zoveel mogelijk boven de verschansing komt. Ondertussen trekt de bemanning met behulp van een stroptouw zoveel mogelijk netwerk binnenboord;
  • met behulp van de thuishaler wordt de boomkor via de lier tot de binnenkant van de verschansing getrokken en zeevast gesjord;
  • de bemanning brengt zowel de buitenboord hangende grondpees met kietelaars, als ook de wekkers, met behulp van de jumper binnenboord;
  • na het vissen controleer je het hele net op schade. Je controleert de sleeplappen en de kuil op gaten en kapotte mazen;
  • je meet ook de grondpees en de korte kietelaars. De lange kietelaars kun je om de week meten.
Binnenhalen van het visnet. — ProSea
De netten worden nagekeken en hier worden nieuwe stukken net aan de onderkant van de kor genaaid. — VLIZ Fotogalerij

Vastlopen vistuig

Bij een vastgelopen vistuig volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met boomkor:

  • de motor direct stoppen;
  • om te voorkomen dat het schip gaat draaien, kun je een beetje kracht op de schroef houden;
  • als het schip is uitgerust met het Marelec systeem, dan treedt dat in werking. Dit zorgt ervoor dat de draad wordt uitgevierd en de motor wordt teruggenomen. Dit systeem reageert veel sneller dan wij kunnen;
  • daarna zal de schipper het overnemen. De schipper zal het proberen te klaren zoals beschreven in de volgende stappen;

Alles wat nu gedaan wordt moet zeer voorzichtig gebeuren!

  • je haalt het niet vastgelopen tuig boven water en laat dit buitenboord hangen;
  • daarna zet je de kuil goed vast zodat deze niet in de schroef komt;
  • zet de giek iets lager, zodat deze bij slagzij niet kan overslaan;
  • je moet veel vislijn steken en het slipvisblok gebruiken. Als je geen vislijn steekt, dan zal de vislijn snel breken doordat de opwaartse kracht van het schip veel groter is dan de breeksterkte van de vislijn;
  • zodra je voortij vissend bent vastgelopen, dan kun je proberen om op tegengestelde koers te komen. Dit lukt zelden;
  • als je voortij vissend bent vastgelopen, dan kun je ook wachten tot het tij omkeert. Soms komt het dan los.

2.3 Doelsoorten en bijvangsten

In dit hoofdstuk gaan we uitgebreider in op de doelsoorten van de boomkor. Naast de doelsoorten vang je met de boomkor ook soorten waar je niet gericht op vist. Dit deel van de vangst noem je bijvangst. Een deel hiervan is gewenst en nemen vissers graag mee.

Daarnaast vang je ook ondermaatse vis (te kleine vis) en ongewenste soorten zoals zeesterren en krabben (benthos). Ondermaatse vis en benthos noem je ook wel ”ongewenste bijvangst” of ”discards” (Engelse term voor ongewenste bijvangst). Dit deel van de vangst laat je liever in zee.

De vangst van een visser is opgebouwd uit drie categorieën. Je hebt de doelsoort (bij boomkor platvis) waar je gericht op vist. Er komen ook soorten in het net terecht waar je niet gericht op vist genaamd de bijvangst. Sommige soorten die bijgevangen worden neemt de visser graag mee als de regelgeving dat toelaat, zoals de kabeljauw in dit voorbeeld. Daarnaast vang je ook vissen die ondermaats (te kleine vis) of ongewenst zijn (benthos zoals zeesterren). — ProSea

Doelsoort

De doelsoorten van de boomkor zijn:

  • Tong
  • Schol

Bijvangst

Soorten waar je niet gericht op vist met de boomkor, maar die wel vaak worden gevangen als bijvangst zijn:

  • Schar
  • Griet
  • Tarbot
  • Bot
  • Tongschar
  • Heilbot
  • Rog
  • Kabeljauw
  • Schelvis
  • Wijting
  • Langoustines / Noorse kreeftjes
De vangst van een boomkor te zien in een opvangbak. — ILVO

De boomkorvisserij is een gemengde visserij. Dat wil zeggen dat je een mix van soorten vangt. Als gevolg hiervan vang je met de boomkor dus ook ongewenste bijvangst (ondermaatse vis en benthos).

Voor iedere soort is er een specifieke maaswijdte waarmee je ze het beste kunt vangen. Denk hierbij aan het verschil in lichaamsvorm tussen tong en schol. Met een maaswijdte van 80 mm kun je goed tong vangen, maar tegelijkertijd vang je ook veel ondermaatse schol. Als je gaat vissen met een maaswijdte van 100 mm, dan vang je minder ondermaatse schol maar ook minder tong.

Zoals duidelijk te zien is op deze foto’s is schol (links) een veel grotere, bredere vis dan tong (rechts) die een smaller uiterlijk heeft. Als gevolg van deze verschillen worden er veel schollen bijgevangen in de tongvisserij met de boomkor. — Visned

De maaswijdte heeft dus een grote invloed op de samenstelling van de vangst. Met een fijne maaswijdte kun je meer tong vangen, maar daarmee vang je ook meer ongewenste bijvangst.

Overleving

Sommige soorten in de ongewenste bijvangst hebben een goede overlevingskans, terwijl er ook veel soorten zijn die het teruggooien niet overleven. De grote hoeveelheid ongewenste bijvangst met de boomkor is zowel vanuit een economisch als ecologisch oogpunt niet wenselijk. Economisch is het bijvoorbeeld niet wenselijk omdat:

  1. Bijvangst het sorteringsproces vertraagt.
  2. Bijvangst kan een negatief effect hebben op de kwaliteit van de vangst.
  3. Een deel van de ondermaatse vis in de bijvangst sterft na het teruggooien en is daarmee verloren voor de toekomst.

Ook vanuit ecologisch oogpunt is er een hoop kritiek op de bijvangst van de boomkor omdat:

  1. De wekkerkettingen van de boomkor schade toebrengen aan de ongewenste bijvangst en daarmee de overlevingskans verkleinen.
  2. Er veel soorten worden bijgevangen die geen directe waarde hebben voor de visser (zeesterren, zee-egels, hydropoliepen), maar die wel belangrijk zijn voor het ecosysteem.
  3. Niet alleen de ongewenste bijvangst beschadigd wordt door de wekkerkettingen, maar ook alles wat op- of rond de zeebodem leeft en in het trawlspoor achterblijft.
Hierboven zie je bijvangst van een boomkor, zoals een zeester, een zee egel (koetenei) en een hydropoliep (neteldier). Deze worden weleens bijgevangen met de boomkor, maar hebben geen directe waarde voor de visser. — Wikipedia & Flickr

De hoeveelheid ongewenste bijvangst van de boomkor zorgt voor veel kritiek vanuit de maatschappij. Mede door die maatschappelijke druk is er veel onderzoek naar andere visserijmethoden en netaanpassingen die selectiever vissen. Verschillende netaanpassingen die zijn getest kun je vinden in het kennisdossier ‘Netinnovaties‘.

2.4 Gedrag van de vis ten opzichte van het tuig

De meeste vissoorten hebben als gedragskenmerk dat ze al het mogelijke doen om een naderend voorwerp op afstand te houden. Als een naderend voorwerp, zoals een vistuig, te dichtbij komt, dan zwemmen ze weg om het te ontwijken. Vistuigen jagen vissen dus op.

Veel platvissen verbergen zich graag in de zeebodem. — ProSea

De boomkor maakt gebruik van dit vluchtgedrag. Met behulp van wekkerkettingen en kietelaars kun je de platvissen uit de zeebodem jagen. Als de platvissen dan op de vlucht slaan, dan kun je ze vangen zodra ze door de vangopening van het net zwemmen. De vissnelheid bij de boomkor is ongeveer 6-7 mijl, waardoor de vis niet meer de kans krijgt om voor het tuig uit te ontsnappen.

2.5 Verwerking

Het verwerken van de vangst gebeurt met een vangstverwerkingsinstallatie. Eenmaal aan boord komt de vis in opvangbakken terecht. Dit zijn twee bakken die met elkaar in verbinding staan en die gevuld zijn met water.

Daarna voert de opvoerband de vangst tot onder de bak. Hier staat de bemanning klaar om de marktwaardige vis te scheiden van de ongewenste bijvangst. De vangst kun je dan strippen, spoelen en koelen. Het koelen gebeurt door viskisten te vullen met vis en ijs. Daarna stapel je de gevulde viskisten in het visruim.

De vangst wordt gesorteerd en gestript aan boord. — ProSea

2.6 Duurzaamheid

Brandstofverbruik

Het brandstofverbruik van de boomkor ligt hoog. Dit is één van de kritiekpunten die maatschappelijke organisaties (ngo’s) hebben op de boomkor. Hierdoor stoot je veel CO2 uit. Voor vissers is het ook belangrijk om het brandstofverbruik te verlagen, want het is een hoge kostenpost voor veel visserijbedrijven.

Bodemberoering

Daarnaast kaarten ngo’s vaak ook het punt bodemberoering aan. Met name de boomkorvisserij met kettingen of zware matten wordt bekritiseerd om zijn bodemberoering. Zo hebben de sleepnetten invloed op de structuur van de zeebodem en de samenstelling van het bodemleven. Bodemsoorten die kort leven en veel nakomelingen produceren hebben hier weinig last van, maar soorten die langzaam groeien en zich traag voortplanten zijn hier wel kwetsbaar voor.

Ten opzichte van vroeger bevat de Noordzee nu meer wormen, zeesterren en krabben op sommige plekken als gevolg van de bodemberoerende visserij. Sommige soorten zijn verdwenen of in aantal afgenomen in bepaalde gebieden ten opzichte van bijvoorbeeld 100 jaar geleden.

Een voorbeeld van een kwetsbare soort is de noordkromp. De noordkromp is een langzame groeier met een lage voortplantingssnelheid. Noordkrompen kunnen last hebben van de boomkorvisserij doordat de kor de bodem omwoelt en de schelpen kapotmaakt. — Hans Hillewaert

Veel vissers zien bodemberoering juist als iets positiefs en noemen het belangrijk voor een gezonde platvisstand. Er zijn ook wetenschappelijke onderzoeken die dit ondersteunen. Zo is er een onderzoek dat aantoont dat schol inderdaad meer voedsel kan vinden op zeebodems die vaker worden bevist. Dit komt volgens het onderzoek doordat bepaalde wormen goed gedijen bij bodemberoering en juist die wormen eet de schol graag.

Ngo’s willen daarentegen niet alleen schol in zee. Ze pleiten voor een zo divers en ongerept mogelijk ecosysteem. Daar horen dus ook langlevende- en traag groeiende bodemdieren. Juist die groepen dieren zijn kwetsbaar voor de boomkor.

Ongewenste bijvangst

Er is ook kritiek op de hoeveelheid ongewenste bijvangst van de boomkorvisserij. Aangezien boomkorvisserij een gemengde visserij is, worden naast doelsoorten ook ongewenste soorten bijgevangen. Een deel van deze ongewenste soorten overleeft nadat ze overboord worden gezet, maar een ander deel sterft.

Ngo’s zien ongewenste vangst die dood overboord gaat als verspilling. Schattingen over de ernst van het probleem verschillen. Veel NGO’s zeggen dat de overlevingskans van ongewenste bijvangst die terug naar zee gaat klein is. Vissers zijn het daar vaak niet mee eens. Zij denken dat de overlevingskans hoog is. Daarnaast is de ongewenste bijvangst die wel dood overboord gaat voedsel voor andere dieren, zoals zeevogels.

Selectiviteit en overleving

Toch moet je als visserijsector iets met de kritiek op de ongewenste bijvangst in de boomkorvisserij. Niet alleen omdat ngo’s kritiek hebben, maar ook omdat hier politiek veel aandacht voor is. Zeker na het invoeren van de aanlandplicht. Hierover kun je meer lezen in het kennisdossier ‘Aanlandplicht‘.

Daarom lopen er meerdere onderzoeken de selectiviteit van de visserij te verbeteren en om de overlevingskans van gevangen vis te verhogen. Zo hebben enkele vissers tests gedaan met een ander soort overlevingsbakken aan boord, zoals te zien is in de afbeelding hieronder.

De ‘discard-stortbak’ is een innovatie die is getest aan boord van de GY-57 om de overlevingskans van gevangen discards te verbeteren. — Visserijnieuws

De Nederlandse visserijsector onderzoekt ook allerlei nieuwe ideeën om de hoeveelheid ongewenste bijvangst te verminderen. Hierbij kun je denken aan netinnovaties, het beter delen van informatie om bepaalde gebieden tijdelijk te vermijden en totaal nieuwe vistechnieken.

Om oplossingen te bedenken is het ook goed om samen te werken met andere partijen. Zo is onder andere een Vishack georganiseerd waarbij vissers, techneuten, onderzoekers en ngo’s gezamenlijk na hebben gedacht over mogelijke oplossingen en innovaties. Deze Vishack duurde twee dagen en er werden veel nieuwe ideeën aangedragen.

3 Pulsvisserij platvis

Tegenwoordig zijn er verschillende vismethoden die elektriciteit gebruiken. Deze visserijmethoden zijn verschillend qua doelsoort, constructie en impact. In dit hoofdstuk bespreken wij de pulsvisserij op platvis met de pulskor en de pulswing.

Een kotter die vist met de pulswing. — ProSea

3.1 Overgang van boomkor naar pulsvisserij

De pulsvisserij is ontwikkeld als gevolg van de maatschappelijke kritiek op de boomkor in combinatie met het hoge brandstofverbruik van de boomkortechniek. Vanaf de jaren ’70 is in Nederland onderzoek gedaan naar vissen met elektriciteit op garnaal en platvis. Deze onderzoeken toonden aan dat je efficiënt kan vissen met elektriciteit op platvis. Daarnaast was de hoeveelheid ongewenste bijvangst lager en daalde het brandstofverbruik.

Vanaf de jaren 70 werd al onderzoek gedaan naar elektrisch vissen, zoals blijkt uit dit patent voor elektrische visserij op garnalen. — James Lee Newman

Rond 1986 is er een poging gedaan om het eerste elektrische pulstuig op de markt te brengen. Dat ging helaas niet door, want de Europese Unie besloot in 1988 een verbod in te voeren op elektrisch vissen. Een belangrijke reden voor dit verbod in Nederland was de angst voor hogere vangsten met het pulstuig. Dit was destijds niet wenselijk omdat de visbestanden op dat moment al onder hoge druk stonden.

Hervatten ontwikkeling

In 1992 besloot het bedrijf Verburg Holland BV de ontwikkeling van een elektrisch vistuig weer op te pakken. Na jaren van onderzoek resulteerde dit in de pulskor gericht op het vangen van platvis (dus niet te verwarren met de pulskor op garnaal).

Deze pulskor is voor het eerst getest op een commerciële kotter in 2004 (de UK-135). In het begin waren er veel technische problemen met de pulskor, waardoor de resultaten tegenvielen. Daarop besloot de Nederlandse visserijsector eind 2006 de steun voor het pulskorproject op te zeggen.

De eerste prototypes van de pulskor werden getest aan boord van de Tridens en later op de UK-153. — Wageningen Marine Research

Ontwikkeling pulstuig zet door

De UK-153 bleef daarna nog een tijdje doorvissen met de pulskor en behaalde uiteindelijk goede resultaten:

  • technische problemen werden opgelost;
  • het brandstofverbruik nam af met 45% ten opzichte van de boomkor;
  • de kwaliteit van de vis was beter; en
  • er werd minder ongewenste bijvangst gevangen.

Na deze positieve verhalen besloot een groep vissers verder te werken aan de pulskor in de kenniskring puls & SumWing. Deze kenniskring werd ondersteund door wetenschappers van het Landbouw Economisch Instituut (LEI, tegenwoordig Wageningen Economic Research) en IMARES (tegenwoordig Wageningen Marine Research). Na een aantal verdere aanpassingen aan de pulskor en het regelen van een pulsontheffing bij de Europese Unie, besloot de TX-68 in 2009 als eerste met de pulskor van Verburg Holland BV (tegenwoordig Delmeco) te vissen.

Pulswing

De overige vissers in de kenniskring puls & SumWing hadden plannen gemaakt om de puls in te bouwen in een andere succesvolle innovatie, namelijk de SumWing. Een combinatie van de pulskor met de SumWing zou namelijk nog meer brandstof besparen en nog minder bodemberoering hebben. Ze besloten samen met HFK Engineering een pulswing te bouwen en het eerste prototype werd eind 2009 getest aan boord van de TX-36.

Ook bij de pulswing waren er veel technische problemen in het begin, maar uiteindelijk bleek ook deze vismethode goed te werken. Een vergelijkend onderzoek werd gedaan tussen de TX-68 (pulskor), TX-36 (pulswing) en de GO-4 (boomkor) die gedurende een week samen visten. De resultaten van dat onderzoek staan in onderstaande tabel.

Uit een vergelijkend visonderzoek tussen de TX-68, TX-36 en GO-4 werden na 1 week de volgende resultaten behaald. Ondanks de lagere vangsten aan boord van de TX-68 en TX-36 houden ze meer over onder de streep dan de GO-4 door de enorme brandstofbesparingen. — IMARES

Mede door de resultaten van dit onderzoek werd de Nederlandse visserijsector enthousiaster over de pulsvisserij. Dat kwam ook doordat de boomkorvisserij onder druk stond door de hoge olieprijs, de lage visprijzen en de toenemende maatschappelijke kritiek op de boomkor.

Overstap van boomkor naar puls

De Nederlandse overheid had ondertussen 22 ontheffingen geregeld om met elektriciteit te mogen vissen bij de Europese Unie. Vissers mochten zich inschrijven voor zo’n ontheffing, maar dit liep niet echt storm. Dit veranderde nadat rederij Jaczon een grote order plaatste voor vier pulswings. Hierdoor gingen andere vissers ook overstag.

Uiteindelijk bleek het aantal aanvragen voor een pulsontheffing groter dan 22, waardoor niet alle geïnteresseerde vissers konden overstappen op de pulsmethode. Als gevolg van deze grote hoeveelheid aanvragen besloot de Nederlandse overheid, onder druk van de visserijsector, meer ontheffingen te regelen bij de Europese Unie. Dat lukte, want het aantal pulsontheffingen werd uitgebreid naar 42. De 20 extra ontheffingen werden verleend onder de voorwaarde dat de vissersschepen mee moesten doen aan een onderzoeksprogramma en waren op tijdelijke basis.

Groeiende kritiek binnen Europa

Op het moment dat het aantal pulsontheffingen werd uitgebreid naar 42 stuks begon de kritiek op de pulsvisserij ook steeds luider te worden. Doordat de pulsvisserij een compleet nieuwe en onbekende techniek was voor de meeste Europese lidstaten, waren er ook veel vragen. Deze vragen gaan voornamelijk over het effect van de pulsvisserij op het ecosysteem. Veel partijen willen weten of de puls gevaarlijk is voor het onderwaterleven. Zo is de puls misschien niet direct schadelijk, maar misschien kunnen er op de lange termijn wel negatieve effecten optreden door de elektrische pulsen.

Ook zijn er vragen over de effecten van de pulsvisserij op de handel. Nederlandse vissers bezitten het grootste deel van het platvisquotum op de zuidelijke Noordzee. Hierdoor kunnen ze de overstap van de boomkor naar de pulsvisserij financieren. Andere Europese landen die in de zuidelijke Noordzee vissen hebben niet altijd genoeg platvisquotum om zo’n overstap te financieren. Daardoor ontstaat er in sommige gevallen oneerlijke concurrentie waarbij vissers uit andere Europese landen wel willen pulsvissen, maar dat niet altijd kunnen. Dit zorgt dan voor onderlinge frustraties tussen vissers.

Verder kun je met de puls ook vissen in gebieden die onbereikbaar zijn voor de boomkor. Hierdoor is ook concurrentie ontstaan tussen vissers in die gebieden. Daarnaast hebben ontwikkelingen rond de garnalenpuls ook invloed gehad op het proces, al is dit een heel ander tuig met een andere achtergrond.

Kortom zijn er veel processen en belangen die door elkaar zijn gaan spelen omtrent de pulsvisserij. 

Er zijn meerdere bakken zeewater in omloop met daarin pulsmodules om mensen de puls te laten voelen, zoals minister Schouten van LNV. — Visserij-innovatiecentrum Zuidwest-Nederland

Effect op andere partijen

Een ander belangrijk punt is dat het overstappen van de boomkor naar de puls grote gevolgen heeft gehad voor de controle en handhaving en voor het visserijonderzoek. Inspecteurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) moesten namelijk bijscholing krijgen over hoe ze de puls kunnen controleren. Dat geldt natuurlijk ook voor de inspecteurs uit andere Europese landen rondom de Noordzee.

Ook voor visserijonderzoekers was het lastig om goed onderzoek te doen naar de effecten van de pulsvisserij op het ecosysteem doordat de pulstechniek zich verder bleef ontwikkelen. Dit maakt onderzoek heel ingewikkeld, omdat aanpassingen aan het tuig effect kunnen hebben op het elektrische veld. Veranderingen in het elektrische veld zorgen ook weer voor andere effecten.

Laatste ronde pulsontheffingen

De Nederlandse overheid besloot uiteindelijk om nog meer ontheffingen te regelen bij de Europese Unie. Dit kwam doordat de 42 pulsontheffingen nog niet voldoende waren voor het aantal vissers dat wilde overstappen van de boomkor naar de puls.

Nadat de eerste poging mislukte in het Europees Parlement begin 2014, is er een nieuwe poging gedaan door Sharon Dijksma (destijds Staatssecretaris voor het ministerie van Economische Zaken). Uiteindelijk is het haar gelukt om het aantal pulsontheffingen te verdubbelen naar 84. Daarbij is wel afgesproken dat er een onderzoeksprogramma zou worden opgezet in samenspraak met andere Europese landen. Deze ontheffingen werden afgegeven in het kader van de aanlandplicht, waarbij er onderzoek gedaan kan worden naar selectievere vismethoden. Ook is destijds de afspraak gemaakt dat je niet boven de 55°N mag vissen met een pulstuig.

Onderzoeksprogramma pulsvisserij

Het onderzoeksproject pulsvisserij had twee doelen:

  1. Het op brede schaal onderzoeken hoe de pulstechniek, al dan niet in combinatie met bepaalde voorzieningen en aanpassingen van het netdesign, kan bijdragen aan een hogere selectiviteit van de Nederlandse platvisvloot en daarmee de gevolgen van de implementatie van de aanlandplicht op een aanvaardbaar niveau kan brengen.
  2. Het vergaren van de ontbrekende/aanvullende data en kennis met het oog op een volledige toelating van de pulsvisserij op de Noordzee.

Nederland is vanaf dat moment ook actief bezig geweest om kennis over de puls te delen met andere Europese landen. Zo zijn er verschillende internationale bijeenkomsten over de puls georganiseerd voor visserijorganisaties, wetenschappers, politici en ngo’s uit andere Europese landen. Via die bijeenkomsten is kennis over de puls gedeeld. Daarnaast konden deze partijen ook onderzoeksvragen indienen voor het onderzoeksprogramma. Van alle ingediende onderzoeksvragen is een selectie gemaakt en aan de hand daarvan is het meerjarig onderzoeksprogramma opgesteld. Ook is er een website opgericht (www.pulsefishing.eu/nl) waarop alle informatie over de puls staat.

Nederland wil transparant zijn naar andere EU-lidstaten over de puls. Zo organiseren ze bijeenkomsten waarbij mensen geïnformeerd worden over de laatste stand van zaken en kunnen ze zelf meevaren om de puls in de praktijk te zien. — VisNed

Verbod pulsvisserij

Ondanks verwoede pogingen vanuit Nederland om andere Europese lidstaten te overtuigen van de voordelen van de puls ten opzichte van de boomkor, werd de weerstand op Europees niveau alleen maar groter. Begin 2019 volgde een definitief verbod op de pulsvisserij vanaf 1 juli 2021. Tot die tijd wordt het aantal kotters dat met de puls vist langzaam afgebouwd.

Vlak voor de laatste stemming over de puls werd er nog geprotesteerd door Nederlandse vissers in Straatsburg. — EMK

3.2 Beschrijving

Momenteel zijn er twee verschillende pulstuigen die gebruikt worden in de Nederlandse platvisvloot, namelijk de pulskor en de pulswing.

Pulskor

Qua uiterlijk verschilt de pulskor niet veel van de traditionele boomkor. De bestaande sloffen en de tussenpijp zijn aangepast. In de tussenpijp kan de elektrische apparatuur geplaatst worden voor de elektrodes die de plaats innemen van de wekkerkettingen. Deze zijn vervangen door ongeveer 24 kunststof elektrodedragers met een lengte van ongeveer zes meter. In de laatste drie meter bevinden zich zes bronzen elektroden. Rubberen slijtringen dienen als bescherming van de elektroden.

De ruimte tussen het wekveld en de grondpees is opgevuld met een netwerk. Door kettingen wordt de grondpees aan de zeebodem gehouden. Het net is korter dan een traditioneel boomkornet. De vissnelheid is lager, ongeveer 5 mijl per uur. Doordat het net minder slijt, kan met dunner netwerk worden gevist. Dit zorgt voor minder waterweerstand van het tuig en daarmee weer voor een lager brandstofverbruik.

Pulswing

Voor het pulsverbod was de pulswing de meest gebruikte elektrische vismethode binnen de Nederlandse visserij. Bij de pulswing is de boom van de boomkor en pulskor vervangen door het vleugelmodel van de SumWing. Voor het vangen van platvis gebruikt de pulswing de pulstechniek, waarbij elektrische pulsen worden gebruikt om de platvis op te laten krullen.

De pulswing in werking — Wetec

Ten opzichte van de SumWing zijn dit de belangrijkste veranderingen bij de Pulswing:

  • de trekpunten zijn verzonken in de vleugel om minder weerstand te creëren en een beter gedrag te bewerkstelligen in de ‘punten’ (zeer ongelijke visgronden);
  • dikkere RVS slijtpanelen aan de onderzijde van de vleugel;
  • onderplaat is van 10 mm naar 12 mm staal gegaan;
  • aangepaste trek-ontlaste ogen, om de 415 mm;
  • aangepaste bevestigingslippen in de cassette om de puls-modules aan te kunnen zetten.

Pulstechniek

Wat betreft de pulstechniek zijn er in de pulswing wel een aantal veranderingen ten opzichte van de pulstechniek die gebruikt wordt in de pulskor. Zo is de keuze gevallen op losse pulsmodules in de pulswing. Het idee om met losse pulsmodules te werken zorgt ervoor dat problemen makkelijker op te lossen zijn op zee.

De pulswing. — Seafish

Alle modules worden in de wing geklikt en vormen samen het gehele pulssysteem. Wanneer er een defect aan het systeem is, dan kan een defecte module makkelijk worden opgespoord en op zee worden vervangen. Uitgangspunten voor de ontwikkeling van een pulsmodule in 2009 waren:

  • maximaal 15V tussen de elektrodes;
  • maximaal 1.5 keer de boomlengte in kW.

3.3 Werkwijze

Er zijn regels opgesteld waaraan de pulstuigen moeten voldoen. Deze regels staan beschreven in de technische voorschriften. In deze technische voorschriften staan de volgende punten:

  • de piekspanning is maximaal 60 volt;
  • het uitgaande effectieve vermogen bedraagt ten hoogste 1 kW per meter boomlengte;
  • de pulsinstelling moet tussen de 20 en 180 pulsen per seconde liggen;
  • het wekveld heeft een maximale breedte van twaalf meter;
  • ieder vaartuig dient uitgerust te zijn met een automatisch computergestuurd beheerssysteem inclusief datalogger, waar alleen de autoriteiten en fabrikanten toegang toe hebben;
  • het systeem registreert tenminste de laatste zes maanden en laatste honderd trekken de pulsinstellingen waarmee is gevist;
  • per trek wordt een diagram opgesteld dat de spanning op de elektrodeparen weergeeft.
Tekening van het pulswekveld. — Harmen Klein Wolthuis

Pulskarakteristieken

Binnen deze grenzen kan een puls (en daarmee het wekveld) alsnog verschillen. Hoe een puls is opgebouwd noemt men ook wel de pulskarakteristieken. De volgende zaken zijn van invloed op de pulskarakteristieken:

  • amplituden in volt (V): het potentiaal dat gemeten wordt tussen twee geleidende delen;
  • elektrische veldsterkte (V/cm): de logische consequentie van de amplitude en de elektrode afstand;
  • pulsfrequentie (Hz): het aantal pulsen per seconde;
  • pulsduur (µs): de duur van de puls;
  • steilheid van de voorste en achterste rand van de puls;
  • de vorm van het elektrische veld (het directe gevolg van de pulsvorm, maar ook afhankelijk van soort en aantal elektroden, de afstand tussen de elektroden en de lengte/combinatie van geleidende en isolerende delen).

    {{image id=”5556″ name=”verschillende-golfvormen-elektrisch-vissen_c3_maarten-soetaert” url=”https://vistikhetmaar.nl/app/uploads/2016/10/Verschillende-golfvormen-elektrisch-vissen_C3_Maarten-Soetaert.png”}}

Natuurlijke factoren

Naast de pulskarakteristieken zijn er ook veel natuurlijke factoren die van invloed zijn op het wekveld, zoals:

  • verschillen in geleidbaarheid van het zeewater en de zeebodem;
  • de samenstelling van de zeebodem (een slibrijke bodem heeft een betere geleiding dan een zandbodem);
  • het zoutgehalte van het water (zout water heeft een hoger geleidend vermogen dan zoet water);
  • de watertemperatuur (warm water heeft een hogere geleidbaarheid dan koud water).

Pulskor

De elektronica die de vorm en de sterkte van de puls regelt, is in een waterdichte kist op de boom geplaatst. Het systeem is qua hard- en software beveiligd tegen overbelasting. Elektroden die te dicht bij elkaar in de buurt komen worden door de software uitgeschakeld. Vanuit de brug kan dat weer worden hersteld.

Tijdens het halen wordt de spanning automatisch uitgeschakeld. Dit voorkomt dat het vistuig onder spanning aan boord wordt gehaald. Via een beeldscherm op de brug en waarschuwingslampen aan dek is er altijd inzicht in de toestand van het systeem. Storingen zijn direct waarneembaar op het beeldscherm in de stuurhut.

De pulskor (Delmeco) aan boord van de GO-48 (links), de elektronica aan boord (midden) en Extra liertrommels voor de elektrische voedingskabels op het achterschip. — Delmeco & K. Taal

Er is een aparte E-kabel die vanaf de extra lieren op het achterdek meegaat naar de pulskor. Deze kabel zorgt ervoor dat het elektrische vermogen, de voedingsspanning, in de zeebodem komt. Ook vindt via deze kabel een constante communicatie plaats tussen de sturing en regeling van het wekveld en het beeldscherm in de stuurhut. Hierdoor is er altijd zicht op het gedrag van het wekveld.

Al die informatie wordt ook opgeslagen zodat je na een visweek direct kunt zien of het systeem nog correct functioneert. Die informatie wordt automatisch via e-mail naar een centrale database gestuurd. Elk weekend kijken technische specialisten ernaar. Zout water is een uitstekende geleider voor elektrische stroom. In het pulssysteem van Delmeco zijn drie lagen aan beveiliging ingebouwd. Die voorkomen dat per ongeluk een deel van de stroom via het net of via de metalen romp terugstroomt naar de kotter.

Pulswing

De pulsmodule van de pulswing verschilt ten opzichte van de pulskor. Om een pulsmodule te maken die makkelijk vervangen kan worden op zee, is gezocht naar waterdichte connectoren en een montagemethode waarbij er bij voorkeur geen gereedschap nodig is.

Er is een kliksysteem ontworpen voor het monteren van de modules in de wing. Dit kliksysteem kan met twee schroevendraaiers worden losgemaakt. Er is veel tijd gaan zitten in de ontwikkeling hiervan omdat het systeem direct toegepast zou worden in de praktijk. Elke pulsmodule heeft bij de pulswing dus een eigen elektrode. Deze elektrode loopt vanaf de module drie meter naar achteren en komt daar boven de zeebodem. Er is veel aandacht besteed aan het voorkomen van het kapot trillen van de elektrode.

Een enkele pulsmodule met hoofdmaten (links) en de ophanging van de Pulswing (rechts). — LEI

Alle modules in de wing zijn hydrodynamisch en gemakkelijk te (de)monteren. De keuze om voor optimale stroomlijning te gaan leidde ertoe dat de vleugel niet zonder speciale steunen aan dek kan worden geplaatst. Daarom worden de wings aan weerskanten voorzien van ‘klauwen’. Hierdoor kunnen de wings in beugels worden gehangen die boven op de ‘potdeksel’ of ‘railing’ zijn gemonteerd. De elektroden die aan de achterkant van de vleugel zijn bevestigd blijven hiermee vrij van het werkdek. In bovenstaande afbeelding is te zien hoe de wing wordt opgehangen aan de ‘zij’ van het schip.

3.4 Doelsoorten en bijvangsten

De doelsoort van de platvispuls is tong. Met de puls vang je minder schol dan met de boomkor. Qua bijvangst is de puls gelijk aan die van de boomkor. Enige verschil is dat er met de puls minder ondermaatse vissen en bodemdieren gevangen worden in vergelijking met de boomkor.

Verder zou de puls ook grotere vissen vangen doordat deze sterker gestimuleerd worden door een puls dan kleine vissen. Hierdoor zou de hoeveelheid bijvangst van ondermaatse vis afnemen (zie onderstaande afbeelding). Dit punt is nog niet zeker, want onderzoeken laten verschillende resultaten zien.

Op dit plaatje staan 2 kabeljauwen afgebeeld. De zwarte verticale lijnen zijn de elektroden, de horizontale lijnen zijn de veldlijnen die de stroom tussen de twee elektroden tonen. Hoe groter de afstand tussen de kop en de staart van de vis, des te hoger is het potentiaalverschil over het lichaam. Daardoor ervaart de grote vis het elektrisch veld sterker dan de kleine vis. Als je bijvoorbeeld uit zou gaan van een potentiaalverschil tussen de elektroden van 80 V, dan heeft ieder vierkantje een potentiaalverschil van 10 V. Dat zou betekenen dat de grote vis 60 V voelt, terwijl de kleine vis 30 V voelt. Het is wel belangrijk om te vermelden dat de positie van de vis ten opzichte van het elektrisch veld van invloed is op het potentiaal over z’n lichaam. — M. Soetaert

Benthos

De bijvangst van benthos (bodemdieren) is lager doordat deze dieren nauwelijks/niet worden gestimuleerd door het elektrische veld. Er worden ook minder bodemdieren gevangen met de puls doordat het tuig minder diep doordringt in de zeebodem. Hierdoor worden ook minder bodemdieren uit de zeebodem opgeschept.

Ook zorgt de lagere sleepsnelheid van de puls ervoor dat er minder oppervlak per uur bevist wordt ten opzichte van de boomkor. Daarmee komt de puls ook minder doel- en bijvangstsoorten per uur tegen, waardoor er dus ook minder bijgevangen wordt.

Er zijn onderwaterbeelden gemaakt van het gedrag van vissen in het pulsnet. Deze zijn te vinden op youtube bij ‘platvis in beeld’ of door te kijken op de website van WMR. — Wageningen Marine Research

Tot slot zorgt de verminderde sleepsnelheid van de puls er ook voor dat er een grotere kans is voor dieren om uit het net te ontsnappen. De bijvangst van vis (gemeten in kg per uur) is met 30% tot 50% afgenomen met de puls ten opzichte van de boomkor. Ook de bijvangst van bodemdieren (gemeten in kg per uur) is met 48% tot 73% afgenomen met de puls.

3.5 Gedrag van vis ten opzichte van het vistuig

Door met deze pulskarakteristieken te spelen kun je ook de vangst beïnvloeden. De spieren van ieder zeedier reageren weer verschillend op de puls. Zo wordt met de platvispuls gebruik gemaakt van een puls die de platvis doet verkrampen en opkrullen, terwijl de garnalenpuls een puls gebruikt die de garnaal opschrikt.

De platvis ligt tussen 2 elektroden (boven). Nadat de elektroden pulsen afgeven trekken de spieren van de platvis samen waardoor deze opkrult van de bodem. De garnalen liggen op de bodem van een aquarium met 2 elektroden (onder). Nadat de elektroden pulsen afgeven schrikken de garnalen op van de bodem. — Pulsefishing.eu & Delmeco

Bij schol en tong trekken de rugspieren krom door de elektrische pulsen. Ze komen daardoor uit de zeebodem omhoog. Het visnet schept de vis daarna als het ware op van de zeebodem. Na de prikkel graaft de vis zich weer snel in. De hersteltijd na de prikkel is 0,1 seconde. Om de vis te vangen moet de grondpees van het net op korte afstand van het wekveld volgen. De afstand mag niet meer zijn dan 0,3 meter.

Breuken

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de krampreactie tot verwondingen kan leiden bij een deel van de gevangen kabeljauw en wijting. Het gaat dan om breuken in de wervelkolom. Het gaat hierbij om een klein deel van de marktwaardige kabeljauw en wijting (lengte waarbij vissers ze mogen aanlanden). Deze vissen zouden sowieso gevangen worden, dus dat maakt het vooral een ethische discussie of het breken van de rug erg is of niet. De handel is hier wel minder blij mee, want deze breuken hebben invloed op de kwaliteit van de vis. 

Er zijn ook onderzoeken gedaan naar de effecten van de puls op verschillende levensstadia van o.a. de kabeljauw. — ILVO

Er is ook onderzoek gedaan naar het effect op kleinere kabeljauw en wijting. Je wil namelijk ook weten wat het effect is van de puls op vissen die door een 80 mm net ontsnappen. Geen van de onderzochte kleine vissen liep verwondingen op. Deze tests zijn ook uitgevoerd met zeebaars, tong en schar. Bij geen van deze soorten zijn verwondingen gevonden. De vissoort, de grootte van de vis, de positie van de vis in het wekveld en het type puls bepalen uiteindelijk in hoeverre vissen kans maken om gewond te raken.

3.6 Verwerking

De vangstverwerking is bij de puls makkelijker dan bij de boomkorvisserij. Dit komt doordat er minder bijgevangen wordt met de puls, waardoor je schonere boxen hebt (zie tabel hieronder). Ook neemt de overlevingskans voor ondermaatse vis en ongewenste bijvangst hierdoor toe. Ze komen met minder vistuig en materiaal in aanraking en door de efficiëntere verwerking kunnen ze ook sneller overboord ten opzichte van de boomkor. Het meeste werk in de haven zit in de afstelling van de pulsdragers, want die moeten op één lijn staan.

Deze tabel toont de hoeveelheid discards voor de boomkor (Conv.) en de pulskor (puls) die in kilo’s per uur worden gevangen. De laatste kolom geeft aan hoe groot het verschil is in discards tussen de conventionele boomkor en de pulskor. Zo zie je dat de pulskor in dit onderzoek slechts 64% van het totaal aantal bodemdieren vangt zoals met de boomkor het geval zou zijn geweest per uur. — M. Rasenberg & F. Quirijns

3.7 Duurzaamheid

De pulstuigen vissen lichter en met een lagere vissnelheid. Hierdoor is er minder motorvermogen nodig en kun je brandstof besparen. Door het afgenomen brandstofverbruik is er ook een aanzienlijke daling in CO2 uitstoot met de puls. Dit is ook beter voor het milieu.

De CO2-emissie per kotter en per kg vis. Belangrijke oorzaken van afname van brandstofverbruik (en daardoor ook CO2-emissie) in de afgelopen jaren zijn: krimp van de Nederlandse kottervloot; verbod op motoren van meer dan 2.000 pk; innovatie in meer zuinige vistuigen; en schepen introductie nieuwe visserijmethoden; en verandering in handelswijze van ondernemers (er wordt energiebewuster gevist). De uitstoot per kg. vis is sinds 2015 gestegen doordat voor bijna alle vistakken gemiddeld lagere vangsten zijn gerealiseerd per dag op zee. — Wageningen Economic Research

De tongvangsten zijn met de puls hoger dan met de boomkor. Daarentegen zijn de scholvangsten weer lager ten opzichte van de boomkor. Tarbot en griet laten zich ook goed vangen met de puls.

Besparen kosten en kwaliteit

Het brandstofgebruik daalt met ongeveer 45% en er is minder slijtage aan het materiaal. De puls heeft een positieve invloed op de winstgevendheid van de kottervisserij (Profit P).

De goede resultaten in de afgelopen jaren zijn behaald door toenemende opbrengsten (hogere visprijzen) met afnemende kosten (lager brandstofverbruik en lagere brandstofprijzen). — Wageningen Economic Research

Bij de puls zijn er minder kosten aan het materiaal dan bij het gebruik van een boomkor. Er is minder slijtage van het vistuig en de kosten voor motoronderhoud vallen ook lager uit. Natuurlijk is er wel slijtage aan de elektroden doordat deze over de zeebodem worden gesleept, maar dat wordt makkelijk terugverdiend door de brandstofbesparing en de betere tongvangsten.

Ook heeft de aangevoerde vis een betere kwaliteit doordat deze niet meer in aanraking komt met de wekkerkettingen. Er kan dus geconcludeerd worden dat een lonende visserij mogelijk is met de puls.

Kwaliteit van de vis heeft ook invloed op de prijs die je voor je vis krijgt. Hier zie je het verschil in kwaliteit van een tong gevangen met de boomkor (links) en de pulskor (rechts). Dit staat los van de voedselveiligheid. — ProSea

Maatschappij

Daarnaast scoort de puls ook goed op een aantal kritiekpunten die leven binnen de maatschappij. Zo is de bodemberoering van de puls lager doordat de wekkers zijn vervangen door elektroden.

Hier zie je het verschil qua bodemberoering tussen de boomkor en de puls. De boomkor gaat veel dieper door de zeebodem dan de puls (dikte disturbed layer). — Benthis

De bijvangst van ongewervelde bodemdieren die rondom de zeebodem leven (zoals krabben en zeesterren) en ondermaatse vis is gedaald ten opzichte van de boomkor.

Er zijn ook zorgen over eventuele negatieve effecten van een elektrisch veld in zee. Hiervan zijn de effecten onderzocht op het bodemleven, rondvissen (zoals kabeljauw) en kraakbeenvissen (zoals haaien en roggen). Het onderzoeksprogramma heeft geen zorgwekkende resultaten gevonden op dit gebied. Zo blijkt de pulsfrequentie bijvoorbeeld buiten het bereik van haaien en roggen te liggen. Ze kunnen dit dus niet voelen.

Verbod pulsvisserij

Vooralsnog scoort de pulsvisserij qua ecologische impact op alle onderzochte punten beter dan de traditionele boomkor. Toch volgde in 2019 een verbod op de pulsvisserij per 2021. Met name op Europees niveau blijven er nog veel negatieve verhalen hangen rond de pulsvisserij. Het is moeilijk om een enkele oorzaak voor deze negatieve houding tot de pulsvisserij aan te wijzen. Soms heeft het te maken met politiek, zo zijn er bijvoorbeeld tegenstanders die vinden dat Nederland de extra ontheffingen er te snel doorheen heeft gedrukt.

Ook zijn er partijen die per definitie tegen de visserij met sleepnetten zijn. Ze vinden de boomkor slecht, maar in hun ogen is de puls alleen minder slecht en dus niet duurzaam. Andere tegengeluiden hebben weer te maken met toegenomen concurrentie. Zo kan er met de puls worden gevist op visgronden die vroeger niet toegankelijk waren voor de boomkor. Hierdoor is de puls op deze visgronden gaan concurreren met andere visserijen.  

Rondom de stemming van het Europees Parlement over de toelating van de puls werd er door tegenstanders ook gelobbyd tegen de pulsvisserij. — Durk W. van Tuinen

4 Sumwing

De SumWing is een innovatie voor de traditionele boomkor waarbij de boom van de boomkor vervangen is door een vleugel, de SumWing. Bij een boomkor wordt het net opengehouden door een boom met aan weerskanten sloffen, maar de SumWing heeft geen sloffen meer. De SumWing is lichter en heeft minder weerstand. Hierdoor kun je brandstof besparen. Het grote voordeel voor de boomkorkotters is dat aan de uitrusting van de schepen niets hoeft te veranderen om toch brandstof te besparen. De resultaten met de SumWing zijn zo indrukwekkend dat veel boomkorkotters in Nederland hierop zijn overgeschakeld.

De SumWing heeft een vleugelachtig model, waardoor het minder weerstand heeft in het water ten opzichte van de boomkor. — ILVO

4.1 Beschrijving

De SumWing lijkt op een vliegtuigvleugel en is voor het eerst getest aan boord van de TX-36. Door de vleugelvorm zweeft het tuig als het ware over de zeebodem. In tegenstelling tot de boomkor heeft de SumWing nauwelijks contact met de zeebodem en is er minder weerstand. De SumWing is ontwikkeld om brandstof te besparen. Een aanzienlijke besparing is haalbaar ten aanzien van de traditionele boomkorvisserij. De bodempenetratie neemt af met ongeveer 10%, waardoor het ook een lagere bodemimpact heeft in vergelijking met de boomkor. Met dit tuig kun je op iedere soort bodemgesteldheid goed vissen, want de vleugel is sterk.

De neus van de SumWing stuurt de stand van het tuig. — Sumwing.nl

Neus

Aan de voorkant heeft de SumWing een opvallende “neus”. Deze neus stuurt de stand van het tuig. De trekpunten op het vleugelprofiel dwingen de neus richting de bodem. Hierbij staat de neus naar beneden gericht.

Als het tuig de bodem bereikt en de neus de zeebodem raakt, dan verdraait de vleugel. Hierdoor stuurt het tuig niet langer naar beneden, maar blijft het in een dynamisch evenwicht vlak boven de zeebodem (zie afbeelding hierboven). De vleugel staat tussen de 3° naar beneden tot 8° omhoog. Op deze manier blijft de SumWing in de juiste positie.

De druk die de neus uitoefent op de bodem is heel laag. Er is slechts een klein oppervlak van de neus dat de zeebodem beroerd. Door de verminderde bodemdruk en het kleinere contactoppervlak van de neus is er minder bodemberoering. Met de SumWing is de basis gelegd voor het vissen met minder bodemberoering en brandstof.

Tekening van SumWing. — HFK Engineering

Als de bodem wat omhoogloopt zal de neus het bodemprofiel volgen. De neus zal de vleugel verdraaien, zodat deze een meer opwaartse kracht krijgt en zichzelf omhoogtilt. Als het ware zweeft de vleugel boven de zeebodem door het water. De SumWing is licht en heeft weinig weerstand. Door de vislijn, de kracht van de wekkers/elektroden en het net draait de SumWing in duikstand. De neus of taster zorgt ervoor dat de vleugel in neutrale positie draait als de bodem wordt geraakt. Op dat moment houdt het systeem zichzelf in evenwicht.

Gewicht

De SumWing is gevuld met lucht, waardoor je de kracht op de zeebodem zo klein mogelijk kunt houden. Onderwater is het gewicht van het tuig twee keer zo klein als bovenwater.

Het ventiel van de SumWing. — HFK Engineering

Het vissen in de punten en op slappe grond gaat goed met de SumWing, het vist zelfs door gebieden waar de boomkor vastloopt. Ook een bocht maken tijdens het vissen geeft geen problemen. Verder gaat het halen sneller, elke trek scheelt ongeveer vijf minuten. Op een week vissen scheelt dat al snel twee trekken.

Kort samenvattend heeft de SumWing dus de volgende voordelen:

  • lager brandstofverbruik, waardoor ook de brandstofkosten en CO2-uitstoot lager zijn in vergelijking met de boomkor;
  • minder bodemberoering in vergelijking met de boomkor; en
  • minder slijtage aan bijvoorbeeld blokken, vislijnen, lieren en motor in vergelijking met de boomkor.

4.2 Werkwijze

In dit hoofdstuk bespreken we de wijze waarop je de SumWing normaalgesproken gebruikt. De hier beschreven werkwijze kan afwijken van de praktijk. Het belangrijkste is dat een visser ten alle tijden rekening houdt met de veiligheid.

Uitzetten net

Bij het uitzetten van het visnet volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met SumWing:

  • je verminderd de snelheid en de haken van de SumWing kun je losmaken. Het net ligt dan niet meer zeevast;
  • vervolgens kun je het tuig overboord zetten;
  • daarna wordt met behulp van een touwstrop, achter de rolder, het net met de jumper omhoog gehesen en kunnen de kietelaars één voor één overboord worden gezet;
  • de kuil kan dan voor een deel overboord glijden;
  • het kuiltouw is op een punt aan de zijkant van de bak bevestigd, zodat het tuig niet kan slingeren of draaien;
  • de haak van de jumper en de haak die op de giek vastzit zet je vast op de verdeelstrop. Bij het uitzetten van het net trekt deze haak de jumper open;
  • de schipper zet de jumper strak en de bemanning maakt de kuilen met de pooklijn dicht;
  • de schipper voert langzaam de snelheid op. De jumper en de kuil staan nog strak;
  • de schipper laat de jumper vieren. Deze klikt zelf uit de kuilstrop doordat de haak van de lummel aan de jumperhaak bevestigd is. De kuil gaat overboord;
  • de schipper laat de gieken zakken en viert de vislijnen.
Een overzicht waarop beschreven wordt hoe de SumWing wordt uitgezet aan boord van een kotter. Aantekening: A. Het net wordt omhoog gehesen, B. Het bevestigingspunt, C. Deel van de kuil gaat overboord, D. De haak gaat aan de lummel, E. Het vieren van de jumper, F. Het dichtmaken van de kuilen, G. Het vieren van de vislijnen.

Binnenhalen net

Bij het binnenhalen van het visnet volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met een SumWing:

  • eerst breng je de snelheid terug;
  • de vislijn wordt tot de spruit ingehaald;
  • de gieken worden een eindje opgezet, zodat een matroos het kuiltouw kan pakken;
  • je trekt het kuiltouw via de kop van de lier aan boord;
  • een matroos zet het kuiltouw vast op een bevestigingspunt aan de kant van de bak, zodat het tuig niet gaat draaien;
  • je pikt de jumper in de verdeelstrop en nu kun je de vangst in de vangstverwerkingsbakken storten. Indien het schip over twee jumpers per kant beschikt, dan draait men deze in plaats van de verhaalkoppen;
  • nu kun je de tuigen weer uitzetten.
Een overzicht van het binnenhalen van het net aan boord van een kotter met SumWing.

Beëindigen van het vissen

Bij het beëindigen van het vissen volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met SumWing:

  • na het beëindigen van het vissen spoel je het net schoon en breng je het tuig aan boord;
  • met behulp van een hulplier trek je de kuilen onder de bak en kun je ze controleren op schade;
  • daarna kun je het overige net met behulp van een touwstrop naar binnen pakken;
  • het netwerk wordt omhoog gehesen. Daarna wordt een andere touwstrop achter de rolder bevestigd om het resterende deel van het net omhoog te hijsen;
  • als het net omhoog is gehesen worden de kietelaars en de grondpees binnen gepakt en kun je de SumWing aan boord zetten;
  • vervolgens gaat er een strop om alle wekkers en worden ze aan boord gepakt. Leg ze tegen de SumWing en zorg ervoor dat ze niet verward raken;
  • de SumWing wordt vastgezet door middel van haken die bevestigd zijn aan het dek. Deze haken worden in de spruit gepikt. De SumWing ligt nu vast;
  • de touwstrop, die nog aan het net vastzit, wordt bevestigd aan een bevestigingspunt achter de mast. Het net ligt zeevast;
  • met de deklieren en de jumper hang je het net en de rolder boven het dek. De kietelaars, die voor de rolder hangen, kun je nu bijstellen of vervangen. Dit is belangrijk aangezien de kietelaars steeds iets langer worden door slijtage, waardoor ze niet meer mooi rond onder elkaar hangen;
  • hierna plaats je de netten tegen de SumWing;
  • de kuilen worden opgehesen door de jumper in de kuilstrop te haken;
  • de pooklijn van de kuil bevestig je aan een punt van de mast. Dit voorkomt dat de kuilen in het weekend krimpen.

4.3 Doelsoorten en bijvangsten

De SumWing heeft dezelfde doelsoorten en bijvangsten als de boomkor. Daarom verwijzen we naar het hoofdstuk over de boomkor waarin de doelsoorten en bijvangsten al uitgebreid staan beschreven.

Een SumWing puls op de kade met aandachtige toeschouwers. — Ecomare

4.4 Verwerking

Het verwerken van de vis aan boord van een kotter die vist met een SumWing is ook vergelijkbaar met de boomkor. Daarom verwijzen we naar het hoofdstuk over de boomkor waarin het verwerken van de vis aan boord al uitgebreid staat beschreven.

4.5 Duurzaamheid

De SumWing is een innovatie in de kottervisserij. Dit vistuig is in 2006 ontwikkeld en heeft als doel om brandstof te besparen. Het is ontwikkeld door HFK Engineering in samenwerking met de Texelse vissers Jaap van der Vis (TX-36), Jack Betsema (TX-38) en Albert Schagen (TX-63). De boom die bij de boomkor het net openhoudt is vervangen door een vleugelachtige constructie, de SumWing. Er is ook een model ontwikkeld voor kleine kotters en voor de garnalenvisserij.

De SumWing is licht, heeft weinig weerstand in het water en zweeft als een vliegtuigvleugel boven de zeebodem. Hierdoor is de bodemberoering ongeveer 10% minder, waardoor het waarschijnlijk ook minder ongewenste soorten bijvangt. Ook bespaart de SumWing daardoor meer dan 11% brandstof ten opzichte van de boomkor. De SumWing heeft hierdoor een positieve invloed op de winstgevendheid van vissers (Profit P) en vermindert de effecten van de visserij op het leven in zee (Planet P).

Keuring na aanpassing van de trekpunten van de SumWing met o.a. Jaap van der Vis (TX-36) en Harmen Klein Woolthuis (HFK). — Visserijnieuws

5 Garnalenkor

Nederlandse vissers zijn vanaf 1946 gaan vissen met de garnalenkor aan weerszijden van de kotter. Vissers uit het noorden van Nederland gingen op deze manier vissen in het diepere westelijke deel van de Waddenzee. Je kunt jaarrond vissen op garnalen, maar je vangt ze vooral in het voor- en najaar. Nederlandse vissers vangen vooral Noordzeegarnalen, ook wel bekend als de grijze garnaal (Crangon crangon). De Nederlandse garnalenkotters vissen onder andere op de Waddenzee en langs de kuststrook van de Noordzee. In totaal zijn er meer dan 500 schepen die vissen op garnalen in de Noordzee en Waddenzee. Ieder jaar voeren garnalenkotters uit Denemarken, Duitsland, Nederland, Groot-Brittannië en België zo’n 30.000 ton garnalen aan.

De netten worden binnengehaald aan boord van een garnalenkotter. — Nederlands Visbureau

5.1 Beschrijving

De garnalenkor bestaat uit een lange stalen boom die aan beide zijden door sloffen wordt ondersteund. Hierdoor blijft de boom op enige afstand van de zeebodem. De netopening is 9 meter breed en ongeveer 80 cm hoog.

De traditionele garnalenkor. Je kunt duidelijk de boom en sloffen zien. — Hans Polet/ILVO

Op de vislier kan ongeveer 400 meter vislijnlengte en bij dubbele lijnen zelfs 800 meter. De vislijndikte is 22 mm. Er wordt ongeveer 3x meer vislijnlengte uitgevierd dan de waterdiepte, op het wad soms zelfs 2x of 2,5x.

Het net wordt opengehouden door de boom en aan het tuig zit een klossenpees. Deze bestaat uit een aantal lichte, rubberen klossen die over de grond slepen. Voordeel van deze klossen is dat ze de bodem nauwelijks omwoelen, want de klossen rollen over het zand.

Een garnalenkor met u-vormige klossenpees. — ProSea

Door het gedrag van de garnaal is het niet nodig dat de grondpees contact maakt met de zeebodem. De grondpees van een garnalennet wordt door klossen van de grond gehouden om de vangst van bodemdieren en vuil tegen te gaan. De klossen spelen ook een belangrijke rol bij het vangen van garnalen. Ze veroorzaken namelijk de schrikreactie van garnalen, waardoor ze van de zeebodem omhoog springen in het net.

De kotter zelf moet voldoende dekruimte hebben om de tuigen aan dek te zetten en de garnalen te verwerken. Er zijn een flink aantal machines nodig aan boord voor de garnalenverwerking. Voor het uitzetten en inhalen van de garnalenkor moet een garnalenkotter een lier hebben met minimaal zes trommels. Tegenwoordig zijn er kotters met wel acht trommels. Twee voor de vislijnen, twee voor de gieken en twee voor het aan boord brengen van de kuilen met de jumpers.

Zeeflap

Je vangt ook ondermaatse garnalen en ondermaatse platvissen met de garnalenkor. Met behulp van een zeeflap in het voornet kun je ondermaatse platvissen uit het net laten ontsnappen. De zeeflap bestaat uit een grootmazig netwerk en hangt schuin in het voornet. Volwassen garnalen die bij het naderen van het net omhoog springen kunnen door de mazen van de zeeflap. Vervolgens komen ze in het achternet en de kuil terecht.

Platvissen kunnen de zeeflap niet passeren en ontsnappen door een gat in de buik. Voor de garnalenvisserij is het verplicht om een zeeflap te gebruiken of een net met een soorteerrooster. Vanaf 1 januari 2013 zijn garnalenvissers verplicht om jaarrond met de zeeflap te vissen in Natura 2000 gebieden. Dat is namelijk ook een vereiste voor het behalen van een MSC-certificaat.

Schematische weergave van de werking van een zeeflap. De garnalen kunnen door de mazen van de zeeflap en komen in de kuil terecht. De (plat)vissen kunnen de zeeflap niet passeren en ontsnappen via een gat in de buik van het net. — Wageningen Marine Research

Eisen zeeflap

De zeeflap moet aan een aantal eisen voldoen, zoals:

  • een maaswijdte van ten hoogste 70mm;
  • de zeeflap moet bevestigd zijn aan de binnenzijde van het vistuig. Dat moet op zodanige wijze dat alle zeedieren uitsluitend via de zeeflap de kuil van het vistuig kunnen bereiken;
  • verder moet de zeeflap een ontsnappingsgat hebben dat is aangebracht in de bovenzijde of onderzijde van het vistuig. Het ontsnappingsgat moet ter hoogte van ten hoogste 30 mazen voor de aanhechting van de kuil worden geplaatst. Het ontsnappingsgat moet ter grootte van ten minste 15 mazen van het vistuig zijn waarin de zeeflap is bevestigd, gesneden in de lengterichting van het vistuig;
  • de zeeflap is even lang of ten hoogste 10% langer dan het basisnet van het vistuig waarin de zeeflap is bevestigd. Daarbij is het achterste punt van de zeeflap bevestigd op maximaal 5 mazen achter het achterste deel van het ontsnappingsgat.

Vangen vis met zeeflap

Er is veel ervaring opgedaan met de zeeflap en het wordt op verschillende manieren gebruikt. Uiteraard wel op manieren die in overeenstemming zijn met de wettelijke voorschriften. Je kunt aan de bovenzijde van het ontsnappingsgat wel een ‘tweede kuil’ zetten om niet alle platvis te verliezen.

Tekening van de zeeflap in het net.

Deze kuil moet een maaslengte hebben van 80 mm (minimum maaswijdte platvisserij). De garnalen gaan door de zeeflap heen naar de kuil en de vis gaat door het ontsnappingsgat en komt terecht in de ‘tweede kuil’. Op die manier kun je naast garnalen ook maatse platvis vangen met de garnalenkor.

Links de kuil met platvis en rechts hangt de kuil met garnalen boven de bak.

Nadeel zeeflap

Helaas kent de zeeflap ook een nadeel. Met name in de zomermaanden kunnen er veel algen en wieren in het zeewater zitten. Deze algen en wieren verstoppen het net, waardoor je marktwaardige garnalen kunt verspelen (zie onderstaande afbeelding). Vandaar dat je de zeeflap regelmatig schoon moet maken om verder te kunnen vissen. Het schoonmaken neemt bij ernstige verstopping 1 à 2 uur in beslag. Dit is niet wenselijk voor garnalenvissers en daarom zoeken garnalenvissers naar een alternatief dat minder snel verstopt raakt.

De zeeflap na afloop van een “groene” trek, waarbij er allerlei algen en wieren in het net zijn gekomen. — Wageningen Marine Research

Brievenbus

De brievenbus zou als alternatief moeten dienen voor de zeeflap in bepaalde maanden van het jaar wanneer er veel ‘groen’ in het water zit. Hierdoor raakt de zeeflap in bepaalde jaargetijden snel verstopt met algen en wieren. Dit leidt ertoe dat je maatse garnalen verspeeld.

Een brievenbus bestaat uit een dwarssnede in de onderzijde van het net. Deze opening moet ervoor zorgen dat platvissen kunnen ontsnappen, terwijl de garnalen het achtereind van het net in stromen. Met behulp van een schotje worden de platvissen naar de brievenbus geleid, terwijl de garnalen door- en over het schotje heen alsnog in het achtereind van het net terechtkomen.

De brievenbus. — Wageningen Marine Research

Uit vergelijkingsonderzoeken met de zeeflap lijkt het erop dat de brievenbus minder selectief is. Zo vangt de brievenbus meer ongewenste bijvangst per kilo marktwaardige garnaal. Maar ook qua aantallen gevangen ongewenste bijvangstsoorten scoort de brievenbus minder. Met name bij de garnalenvisserij op de Noordzee worden meer bodemdieren en vissen bijgevangen met de brievenbus. Dit verschil lijkt minder groot lijkt te zijn op de Waddenzee. Het vangstverlies is vergelijkbaar met dat van de zeeflap.

De brievenbus. — Wageningen Marine Research

Garnalenvissers op de Waddenzee mogen in de maanden juni, juli en augustus gebruik maken van de brievenbus in plaats van de zeeflap. Het gebruik van een brievenbusnet in plaats van een zeeflap is enkel binnen het Natura 2000-gebied Waddenzee toegestaan.

Zeefmat

Naast de zeeflap en de brievenbus is er ook onderzoek gedaan met de zeefmat. Bij dit net zit er een paneel voor de netopening in plaats van in het net, zoals te zien is in onderstaande afbeelding.

De zeefmat is rondom aan de onderpees bevestigd, alleen vangst kleiner dan de maaswijdte van de zeefmat heeft de mogelijkheid om in het net te komen. Alle overige ongewenste bijvangst gaat onder het net door. — Wageningen Marine Research

De zeefmat heeft hetzelfde doel als de zeeflap, namelijk het voorkomen van ongewenste bijvangst. Een groot voordeel van de zeefmat ten opzichte van de zeeflap is dat het veel sneller en makkelijker schoon te spoelen is zodra het vol zit met algen en wieren.

Uit de eerste praktijktesten blijkt dat de zeefmat een vergelijkbare vangstsamenstelling heeft als de zeeflap. Vermoedelijk heeft de zeefmat ook een lagere weerstand in het water, waarmee je dus ook brandstof kunt besparen. Mogelijk nadeel is wel dat de zeefmat sneller volloopt met algen en wieren. Hierdoor kan het net minder goed gaan vissen tegen het einde van de trek. Vervolgonderzoek moet hier meer duidelijkheid over geven. 

Links een zeefmat gemaakt van groen 70mm netmateriaal, rechts een zeefmat van 55mm wit netmateriaal. — Wageningen Marine Research

Netwerk

De wettelijke maaswijdte ligt tussen de 16 en 32 mm voor de garnalenvisserij (technische maatregelen). Leden van de Coöperatieve Visserij Organisatie (CVO) en leden van PO’s die zijn aangesloten bij de Stichting Verduurzaming Garnalenvisserij (SVG) hebben de volgende maaswijdte vastgesteld:

  • een maaswijdte van 20 mm (gemeten tussen de binnenkant van twee knopen); of
  • een maaswijdte van 22 mm met de knopen, ofwel tussen het hart van de knopen, gestrekte maas.

Dit is afgesproken in verband met het MSC-traject wat de garnalenvisserij doorloopt.

Op dinsdag 12 december 2017 kreeg de Duitse, Deense en Nederlandse garnalensector het MSC-keurmerk uitgereikt. — Nederlandse Vissersbond

Onderdeel van dit traject is om te kijken of je de maaswijdte verder kunt vergroten in de kuil. Hierbij is het volgende stappenplan opgesteld:

  • 1 mei 2016 minimaal 22 mm tussen de knopen (in de laatste 150 mazen van het net);
  • vanaf 1 mei 2018 minimaal 24 mm tussen de knopen (in de laatste 125 mazen van het net);
  • per 1 mei 2020 minimaal 26 mm tussen de knopen (in de laatste 125 mazen van het net).

De vergroting van de maaswijdte naar 24 of 26 mm zal alleen worden doorgezet indien wetenschappelijk wordt aangetoond dat de voorspelde positieve effecten behaald worden.

5.2 Werkwijze

Hieronder bespreken we de wijze waarop de garnalenkor wordt gebruikt. De hier beschreven werkwijze kan afwijken van de praktijk en verschillen per kotter. Het belangrijkste is dat een visser ten alle tijden rekening houdt met de veiligheid.

Uitzetten net

Bij het uitzetten van het net volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met garnalenkor:

  • op het bestek gaat de kracht van de motor af en zet je de gieken op;
  • je draait de vislijn een stukje op, zodat het tuig en de klossenpees boven de reling hangen;
  • de gieken zakken tot op 45° of hoger;
  • je pikt de jumper in de verdeelstrop en de kuil wordt gesloten met de pooklijn. Daarna vermeerder je de snelheid;
  • vervolgens kun je de jumper inhalen tot de kuil boven de reling hangt;
  • nu laat je de gieken zakken tot op 90° en gooi je de jumpers los;
  • de kuilen gaan overboord en je laat de vislijn vieren tot de juiste lengte.

Inhalen net

Bij het inhalen van het net volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met garnalenkor:

  • je zet de gieken op van 90° naar 45°;
  • zodra de tuigen boven komen gaan de gieken nog een klein stuk op, zodat de bemanning de kuiltouwen kan pakken;
  • de verdeelstrop wordt in de G-haak gepikt en de schipper draait de jumper op totdat de kuilen boven de stortbakken hangen;
  • vervolgens trek je de kuilen open;
  • tot slot trekt de bemanning de kuil naar achteren en knoop je de kuil weer dicht voor de volgende trek.
De tuigen worden aan dek gehaald.

Beëindigen van het vissen

Bij het beëindigen van het vissen volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met garnalenkor:

  • na de laatste trek kun je het hele net boven de reling trekken met behulp van een strop om het achterste stuk van de kuil;
  • daarna zet je de giek verticaal en kun je het tuig aan dek laten zakken;
  • vervolgens laat je de jumper zakken en staat het tuig aan dek;
  • de gieken gaan op 45° om naar de thuishaven te varen.

5.3 Doelsoorten en bijvangst

De doelsoort van de garnalenkor is de Noordzeegarnaal (Crangon crangon), ook wel bekend als de bruine, grijze of gewone garnaal. Deze garnalensoort is ongeveer tussen de 50 mm tot 70 mm groot en wordt maximaal 90 mm. Verder wordt de Noordzeegarnaal gekenmerkt door een grijs tot bruine kleur en heeft de garnaal een onregelmatige vlekjestekening (zie onderstaande afbeelding).

De Noordzee garnaal met z’n schutkleuren. — Oceana/Juan Cuetos

De Noordzeegarnaal komt vaak voor in kustwateren met een zanderige tot slibberige ondergrond. Gedurende de nacht gaat de Noordzeegarnaal opzoek naar voedsel en overdag graaft hij zich in en steken alleen zijn ogen en voelsprieten nog boven de bodem uit. Qua voedsel is de Noordzeegarnaal een echte alleseter. Hij eet plantaardig voedsel, maar ook prooidieren zoals de borstelworm. Meer informatie over de Noordzeegarnaal is te vinden in het lesboek ‘Schaaldieren’.

De Noordzeegarnaal (Crangon crangon). — Rokus Groeneveld

Bijvangst

Naast de Noordzeegarnaal vangt de garnalenkor ook nog andere zeedieren, zoals:

  • platvis (o.a. schol, schar);
  • rondvis (o.a. grondel, wijting, harnasmannetjes, kleine zeenaalden, spiering);
  • bodemdieren (o.a. strandkrabben, zwemkrabben, zeesterren).
De vangst kan naast de Noordzeegarnaal ook nog allerlei andere soorten bevatten. — Stichting de Noordzee

Door de fijne mazen vang je relatief veel ongewenste bijvangst. Verder vissen garnalenvissers vaak in kustgebieden en dat zijn vaak ook de kinderkamers voor veel vissoorten. Onderzoek heeft aangetoond dat de gemiddelde garnalenvangst voor 78% bestaat uit garnalen, waarvan de helft ondermaats. Verder viel op dat de discards (ongewenste bijvangst) met name in de maanden juni en juli veel jonge schol (<10cm) bevatten. In de maand november vang je meer rondvis bij.

Een overzicht van de gewichtsprocenten van de gemiddelde garnalenvangst. Het is belangrijk om te weten dat de samenstelling van de vangst kan variëren per seizoen en locatie. — IMARES

Overleving

Een Engels onderzoek toont aan dat 77% tot 80% van alle ondermaatse garnalen die terug de zee in gaan dit uiteindelijk overleven. Daarbij is ook rekening gehouden met de vraat door vogels. De garnalen zijn tijdens dat onderzoek gesorteerd door een schudzeef.

Het deel van de vangst wat terug de zee in gaat is prooi voor zeevogels, zoals de kleine mantelmeeuw. — Oceana/Juan Cuetos

Qua overleving van de rondvissen zijn de resultaten een stuk negatiever, want vrijwel alle rondvissen die terug worden gegooid sterven. De overleving van platvissen is beter, waarbij teruggegooide jonge schol een maximale overleving heeft van 14% en schar 19%. Die percentages zijn inclusief sterfte door het vissen, het sorteerproces, vogelpredatie en effecten op de langere termijn. Qua overleving van bodemdieren is nog niet zoveel bekend. De verwachting is dat de overleving van bodemdieren redelijk goed is aangezien het over het algemeen vrij robuuste soorten zijn.

Roze steurgarnaal

Soms wordt er in het late voorjaar gevist op de roze steurgarnaal (Pandalus montagui). Het ‘Farne Deep’ en de ‘Fladden Grounds’ zijn bekende visgronden voor deze visserij. Hierbij worden sloffen van ongeveer 1,5 meter hoog gebruikt. Over het algemeen hebben vissers niet veel aan deze garnaal, want hij brengt weinig op.

De roze steurgarnaal (Pandalus montagui). — Oceana/Juan Cuetos

5.4 Gedrag garnaal ten opzichte van het vistuig

Het vangstprincipe van de garnalenkor is gebaseerd op het gedrag van de garnaal. Overdag zitten garnalen verscholen in de zeebodem. Zodra de garnalenkor nadert springen ze hieruit op. Met behulp van de klossenpees worden de garnalen gevangen met de garnalenkor. Door het contact met de klossen, de turbulentie van het water en/of de trillingen in de bodem springt de garnaal op en komt zo in het net.

De Noordzeegarnaal ligt vaak ingegraven in de zeebodem. — ProSea

Bij het vissen op garnalen hangt de bovenpees redelijk strak tegen de boom aan, zodat de omhoog springende garnaal niet kan ontsnappen. Op slechte grond kun je de klossenpees een stukje laten vieren. Ook de windrichting kan van invloed zijn op de vangst. Bij een oostenwind neemt de vangst vaak wat af. Vaak vissen meerdere kotters bij elkaar in de buurt. Soms liggen ze met meerdere schepen achter elkaar. De schepen passeren vaak op korte afstand.

5.5 Verwerking

Vanaf 2006 ligt de verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid aan boord van een garnalenkotter bij de visser. Een visser moet dus zelf zorgdragen voor de hygiënemaatregelen. Deze maatregelen zijn voor een garnalenkotter strenger dan voor een platviskotter. Zo ziet de wet een garnalenkotter als een levensmiddelenbedrijf.

Garnalen worden gekookt aan boord. — www.garnalenvissers.nl

Het is namelijk een fabrieksvaartuig dat garnalen kookt, verpakt en opslaat. Je bent als visser dan verplicht om de HACCP-beginselen toe te passen. Hiervoor kun je gebruikmaken van de hygiënecode voor de vissector (garnalen aan boord gekookt). Het is dan ook handig om deze hygiënecode aan boord te hebben. Deze code is in 2007 uitgegeven door het Productschap Vis. Meer informatie hierover is ook te vinden in het kennisdossier ‘Zorg voor kwaliteit‘.

Het verwerkingsproces in grote lijn

De garnalen doorlopen een heel verwerkingsproces zodra ze boven water komen. Hieronder zie je een tekening met de verschillende stappen van het verwerkingsproces.

Een schematisch overzicht van de verwerkingslijn aan boord van een garnalenkotter, bestaande uit: (1) stortbakken, (2) opvoerband, (3) sorteerband, (4) transportgoot, (5) sorteermolen, (6) afvoergoot, (7) garnalenwelbak, (8) transportgoot voor de garnalen, (9) automatische kookketel, (10) spoelmolen, (11) uitzoekbak en visruimluik en het (12) stortkokerluik

De vis en de garnalen komen in de stortbakken (1) terecht. Daarna voert de opvoerband (2) de vangst naar de sorteerband (3). Bemanningsleden staan hier klaar om de vis te strippen en te sorteren. De garnalen en ondermaatse vis gaan door de transportgoot (4) en komen in de sorteermolen. Deze sorteermolen sorteert en spoelt de vangst. In deze molen worden de garnalen gescheiden van de rest van de vangst. De ongewenste bijvangst spoel je terug in zee door de afvoergoot (6). Het is belangrijk dat je de sorteermolen niet te vol doet en dat deze niet te snel draait, want dan werkt het sorteren minder goed.

Vervolgens komen de garnalen in de welbak (7) terecht; schelpjes en ander vuil kunnen hierin bezinken. Daarna gaan de garnalen door de transportgoot (8) de automatische kookketel in (9). In deze ketel kook je de garnalen en daarna komen de gekookte garnalen in een mandje terecht. Als het mandje vol is, dan wordt deze door een bemanningslid in de spoelmolen (10) geleegd. Daarin kun je de garnalen spoelen en koelen. Hierna worden de garnalen uit de spoelmolen gedraaid en komen ze in de uitzoekbak (11). Mocht er nog vuil tussen de gekookte garnalen zitten, dan kun je dat hier verwijderen.

Verpakken en opslaan

Daarna worden de garnalen in de stortkoker (12) gestort. In het visruim worden de garnalen verpakt in zakken. Viskisten worden gevuld met ijs. In iedere viskist plaats je twee zakken garnalen (gemiddeld tussen de 10 tot 15 kg) met daarbovenop weer ijs. Bij deze hoeveelheid garnalen is de afkoelsnelheid ongeveer 1°C per uur.

De garnalen worden gekoeld met ijs. — Nederlands Visbureau

De garnalen kunnen ook in kisten worden verpakt. Die kisten moeten niet te vol worden gedaan, want de laagdikte mag niet te groot zijn. Bij een te grote laagdikte kunnen de garnalen niet goed koelen. Dit gaat dan ten koste van de kwaliteit, dus de kou overdracht moet zo snel mogelijk gaan. Eventuele bijgevangen vis wordt ook in kisten met ijs gedaan en opgeslagen in het visruim.

5.6 Verwerking in detail

In het vorige hoofdstuk is het verwerkingsproces van garnalen in grote lijn besproken. Dit hoofdstuk gaat iets meer in op de details van de verschillende stappen in het verwerkingsproces.

Mechanische toevoer vangst

Vanuit het net komt de vangst in opvangbakken terecht en vermengd met grote hoeveelheden zeewater. Beide opvangbakken staan met elkaar in verbinding via een koker. Door een systeem van waterinspuiting komt de vangst uit beide stortbakken geleidelijk terecht in een kleinere bak. Vanuit deze bak brengt een roestvast stalen transportband de vangst naar de sorteermachine. De voordelen van mechanisch transport zijn als volgt:

  • een gelijkmatige toevoer zorgt voor een optimale werking van de spoelsorteermachine en versnelt het sorteerproces;
  • de hoeveelheid zware lichamelijke arbeid aan boord neemt af;
  • in de opvangbakken wordt de vangst onmiddellijk gespoeld met stromend zeewater. Dit is ook gunstig voor de overlevingskans van ongewenste bijvangst, want zo kunnen ze zelfs op warme dagen het sorteerproces overleven;
  • je kunt de gewenste bijvangst op een eenvoudige manier sorteren door de maatse vis van de langzaam bewegende transportband te pakken.
De mechanische toevoer aan boord van een garnalenkotter

Tegenover de gunstige eigenschappen van mechanisch transport staan ook enkele nadelen, zoals:

  • de complete apparatuur is nogal groot en zwaar. Voor kleinere schepen kan dit eventueel tot ruimte- en stabiliteitsproblemen leiden. In dat geval moet je het enkel doen met een sorteermachine;
  • de machine eist een relatief grote investering.

De spoelsorteermachine

Een roterende spoelmachine sorteert de vangst in consumptiegarnalen, maatse vissen en ongewenste bijvangst. De ongewenste bijvangst gaat onmiddellijk met een grote hoeveelheid spoelwater overboord. Door de garnalen te spoelen voor het koken kun je zand en slik verwijderen. Dit bevordert de hygiëne in de kookpot, maar ook de marktwaarde van de gekookte garnaal. Een garnaal die je voor het koken grondig spoelt is minder ruw aan het oppervlak. Ook is de houdbaarheid van een grondig gespoelde garnaal beter.

De spoelsoorteermachine

Er is een spoelsorteermachine ontwikkeld, die een aantal voordelen heeft ten opzichte van de schudzeef. De voordelen van deze spoelsorteermachine zijn:

  • de spoelsorteermachine werkt geruisloos en door de solide constructie en geringe draaisnelheid is de bedrijfszekerheid groot;
  • door een automatische afvoer van vis- en garnalenpuf vermindert de hoeveelheid werk aan boord. Bovendien worden de ondermaatse garnalen en de ondermaatse platvis levend overboord gespoeld;
  • van het kaal schuren van de platvis is geen sprake meer. De vis gaat niet of nauwelijks beschadigd overboord. Ook de kwaliteit van de consumptiegarnalen wordt beter, omdat die niet meer met visslijm worden vermengd. De garnalen worden vóór het koken grondig schoongespoeld, waardoor ‘stegge’ garnalen praktisch tot het verleden behoren. Bovendien blijven de garnalen tijdens het spoelproces in een betere conditie;
  • de opbrengst van consumptiegarnalen is groter doordat de spoelsorteermachine nauwkeurig selecteert;
  • door de constructie van beide cilindervormige sorteertrommels heeft de spoelmachine een grote capaciteit.

In de binnentrommel worden de garnalen gescheiden van de bijvangst door spiraalvormige zeefopeningen van 12 x 34 mm. De buitentrommel scheidt de ondermaatse garnalen van de consumptiegarnalen. Door de afwisseling van compartimenten met rechte en spiraalvormige spijlen komt er een goede scheiding en worden veel ongewenste zaken uit de vangst verwijderd.

Een zwemkrab — Waddenzeeschool

Naleesspiraal

De consumptiegarnalen worden tenslotte nog van ondermaatse platvisjes gescheiden door de naleesspiraal. Deze is voorzien van 700 slim gevormde bakjes die de sorteersleuven vormen. De garnalen kunnen hierdoor passeren, maar de platvisjes en kleine zwemkrabben niet. Met 18 omwentelingen per minuut komen iedere minuut 12.600 (18 x 700) sorteeropeningen voorbij, dus iedere vangst wordt moeiteloos verwerkt.

Bijzonder is ook het verstelbare lipje aan de bovenkant van de sorteersleuven. Door een zorgvuldige afstelling van dit lipje, onder een stompe hoek, wordt voorkomen dat kokkels en andere schelpdieren die in de sorteersleuven rollen blijven steken. Deze worden bij de volgende omwenteling weer verwijderd. Hierdoor blijft de naleesspiraal de hele visdag schoon.

Doordat de naleesspiraal slechts platvisjes van 8-9 cm lang en zwemkrabben van een bepaalde grootte moet verwijderen, is de maatvoering heel precies. De andere vis is er in de beide zeeftrommels al uitgehaald. Er zijn twee uitvoeringen beschikbaar:

  • een zeeftrommel met openingen van 12,5 mm voor het sorteren van kleine garnalen en zeer kleine krabbetjes (april- september);
  • een zeeftrommel met openingen van 14 mm voor grote garnalen en grotere zwemkrabben (oktober-maart). De naleesspiralen zijn met vier boutjes vastgezet en gemakkelijk te verwisselen.

Het resultaat is verbluffend, want je krijgt schone consumptiegarnalen. Er zitten nauwelijks vissen en krabben meer tussen. Mocht er nog iets tussen zitten, dan kun je die bijvangst na het koken verwijderen.

Ongewenste visjes en krabbetjes worden tussen de gekookte garnalen uitgeplukt. — Nederlands Visbureau

Koken van de garnalen

Tot de jaren ’30 werden garnalen levend aangevoerd en langs de huizen verkocht, maar dat zou nu niet meer kunnen. De consument is het tegenwoordig niet meer gewend om zelf garnalen te koken. Daarnaast wordt het koken tegenwoordig al aan boord gedaan. Garnalen moet je levend koken omdat ze dan goed kromtrekken en beter te pellen zijn. Een belangrijke factor voor de kwaliteit van het product is de kookmethode.

Het koken van garnalen aan boord doet men inmiddels al vele jaren. — VLIZ Fotogalerij

Het kookwater moet 100°C zijn. De temperatuur daalt zodra de garnalen in de kookketel komen. Als de temperatuur weer 100°C is, dan kook je de garnalen zo’n 5 minuten. Bij handmatig koken moet er wel regelmatig worden geroerd. Ook moet je het kookwater verversen. Als de garnalen komen bovendrijven zijn ze gaar. Vaak worden ze nog een minuut langer doorgekookt. De kooktijd hangt onder andere af van de grootte en dikte van de garnalen.

Automatisch koken

Het kookproces kan niet alleen handmatig, maar ook automatisch gebeuren. Voordeel van een automatisch kookproces is dat er een gedoseerde hoeveelheid garnalen per keer in het water wordt gekookt. Hierdoor blijft het water voortdurend aan de kook. De kooktijd en de kookhoeveelheid is met een regelkast nauwkeurig in te stellen. In een kookketel van 190 liter met een kooktijd van 3 minuten en een toevoer van 12 tot 15 kg kun je in één uur ongeveer 240 kg garnalen koken.

Een kookketel

Bij automatisch koken worden de garnalen allemaal op dezelfde manier gekookt en dat geeft een meer uniform product. Tijdens het koken wordt regelmatig vers zeewater toegevoegd. Na het vissen moet de kookketel worden geleegd. Aan het begin van de eerste trek wordt de kookpot weer gevuld met vers zeewater. Enkele voordelen van automatisch koken zijn:

  • minder werk;
  • gelijke kwaliteit van het gekookte product;
  • geschikt voor spoelmachine en schudzeef door de regelbare uitvoersnelheid;
  • er is geen specifieke vakkennis vereist voor het koken van de garnalen;
  • het waterniveau wordt automatisch op peil gehouden.

Na het koken worden de garnalen in een spoeltrommel met zeewater gespoeld en afgekoeld.

Zoute en flauwe garnalen

Er moet onderscheid worden gemaakt tussen flauwe garnalen en zoute garnalen. Het kookproces voor zoute garnalen komt weinig voor en ziet er als volgt uit:

  • Aan het begin van het kookproces voeg je 20-25 kg zout aan het zeewater toe in de kookketel. In 80-100 liter water geeft dit een verzadigde pekel-oplossing. Wanneer het water kookt, voeg je ongeveer 20 kg garnalen toe. Vervolgens voeg je nog een schep zout (2-3 kg) toe. Wanneer de garnalen boven komen drijven, dan moet je nog even flink roeren. Vervolgens is het wachten tot alles aan de kook is geraakt (5 minuten). Tijdens het overkoken wordt een beetje zeewater toegevoegd. Direct daarna gaan de garnalen uit de kookketel in de spoel/koelzeef.
  • Aan elk volgend kooksel wordt een schep zout van ongeveer 2-3 kg toegevoegd. Een teveel aan zout is geen probleem, want de garnalen nemen niet meer zout op dan een bepaald percentage. In totaal gebruik je zo’n 50 kg zout voor 200-250 kg garnalen.
  • De zoute en moeilijk te pellen garnalen worden meestal ongepeld naar omringende landen (voornamelijk Frankrijk) geëxporteerd. Zoute garnalen bevatten ongeveer 4% zout.

Flauwe garnalen

De flauwe garnalen, ook wel bekend als de pellerij- of binnenlandse garnalen, worden vaak door de handel gepeld aan de afnemers afgeleverd. Flauwe garnalen zijn in vergelijking tot zoute garnalen makkelijker te pellen. Het zoutgehalte van flauwe garnalen bedraagt ongeveer 1%. Afgezien van het zoutgehalte van het kookwater is de kookmethode voor flauwe garnalen vergelijkbaar met de kookmethode voor zoute garnalen.

Gekookte garnalen. — Nederlands Visbureau

Flauwe garnalen worden zonder toevoeging van zout gekookt in zeewater. Je kookt ze op dezelfde wijze als de zoute garnalen, maar per keer doe je ongeveer 30 kg garnalen in de ketel. Met flauwe garnalen kook je dus 10 kg meer dan bij de zoute garnalen. Dit doe je omdat flauwe garnalen iets gaarder moeten zijn. Dat maakt het pellen makkelijker, omdat de garnaal iets meer krimpt. Bij een grotere hoeveelheid garnalen duurt het koken langer.

Uit onderzoek blijkt dat de pelbaarheid van flauwe garnalen samenhangt met de manier van koken. Tijdens dit onderzoek zijn ‘goed gaar’ en ‘net gaar’ gekookte garnalen op pelbaarheid beoordeeld door een pelteam samengesteld uit TNO-medewerkers en medewerkers van een Volendams garnalenpelbedrijf. Als criteria voor het meten van de pelbaarheid werden het percentage garnalen dat breekt tijdens het pellen en de pelsnelheid (aantal gepelde garnalen per uur) gebruikt.

Overzicht van de resultaten van de pelbaarheidsbeoordeling.

Uit deze cijfers blijkt duidelijk dat de pelbaarheid van ‘goed gaar’ gekookte garnalen zowel qua breukpercentages als qua pelsnelheid beter is dan van ‘net gaar’ gekookte garnalen. De textuur van ‘net gaar’ gekookte garnalen wordt daarentegen iets beter beoordeeld dan de textuur van ‘goed gaar’ gekookte garnalen.

Spoelen en koelen van gekookte garnalen

Het spoelen van de garnalen na het koken heeft twee doelen:

  1. Koelen van de garnalen.
  2. Het verwijderen van de meegekookte bijvangst.

Voor de houdbaarheid is het gunstig om de garnalen zo snel mogelijk te koelen na het koken. Bovendien voorkom je daarmee dat de garnalen te gaar worden. Koelen met lucht is niet praktisch doordat het te lang duurt. Aangezien de gekookte garnalen vrijwel steriel zijn (dus geen bacteriën meer bevatten) zou je ze voor de beste kwaliteit eigenlijk moeten spoelen met water van drinkwaterkwaliteit. In de praktijk gebruiken de meeste kotters schoon zeewater. Natuurlijk is koelen met havenwater uit den boze.

Links de garnalen voor het koken en rechts na het koken. — Nederlands Visbureau

Het afkoelen vindt plaats in een roterende zeeftrommel. Tijdens het spoelen met zeewater koelen de garnalen binnen enkele minuten af tot de temperatuur van het water.

Verwijderen van meegekookte bijvangst

Het afkoelen van de garnalen en het koken in zeewater heeft ook als doel om de meegekookte bijvangst te verwijderen. Hieronder zie je een aantal soorten die worden bijgevangen met de garnalenvisserij. Door het grondig spoelen van de garnalen in de spoelmachine wordt de bijvangst, die door het koken gaar is geworden, grotendeels verwijderd. Een partij gekookte garnalen zonder bijvangst is langer houdbaar dan een partij gekookte garnalen die nog wel bijvangst bevat.

De ongewenste bijvangst die de spoelsorteermachine niet heeft verwijderd en die ook na het koken en spoelen tussen de garnalen is achtergebleven, wordt tenslotte met de hand verwijderd. Wel moet er hygiënisch gewerkt worden met gewassen handen en armen, handschoenen en een schone oliejas. Ook mag je tijdens dit proces niet roken, spugen, eten of drinken.

Koelen van de garnalen

Na het spoelen met zeewater zijn de garnalen tot de omgevingstemperatuur afgekoeld. Als je de garnalen bij deze temperatuur op zou slaan, dan leidt dat vooral zomers tot een snelle ontwikkeling van bederfbacteriën. Ook al zou je de garnalen in open bakken met een dunne laag opslaan in een gekoeld ruim, dan nog is dat niet voldoende om de ontwikkeling van bacteriën tegen te gaan. Het koelen op deze manier neemt namelijk vele uren in beslag. Vandaar dat je garnalen vaak in plastic zakken verpakt en deze in een viskist legt met ijs.

Een koelapparaat

Een ontwikkeling op het gebied van het koelen is het gebruik van mechanisch gekoeld zeewater. Er is een koelapparaat waarin de garnalen op een trilgoot met koud zeewater worden besproeid. Hierdoor kunnen de garnalen binnen één minuut van 20°C tot 4°C worden gekoeld. In een ander apparaat kunnen garnalen in een stortkoker worden gekoeld met gekoeld zeewater dat door de garnalen kan circuleren.

Opslag en bewaring van garnalen aan boord

Het grootste deel van de vloot beschikt over een koelruim. Dat kan met geforceerde luchtkoeling en met stille koeling. Bij afweging van de voor- en nadelen van ieder systeem lijkt stille koeling de beste resultaten te geven. Er zijn nog enkele schepen (vooral van dagvissers) die slecht of helemaal niet voorzien zijn van een geïsoleerd visruim. Het bereiken van de gewenste temperatuur is hier alleen met ijs mogelijk. Zonder het gebruik van ijs moet de reistijd in de zomer worden aangepast.

Garnalen in het visruim

Bederfelijkheid van gekookte garnalen

Bij het koken van de garnalen worden de aanwezige bacteriën gedood. Hierdoor zijn de garnalen aan het eind van het kookproces bijna steriel (vrij van bacteriën). Een uitzondering zijn enkele mogelijk aanwezige sporenvormende bacteriën.

Tijdens de behandeling aan boord, waarbij je de gekookte garnalen in een spoeltrommel met zeewater koelt, is het onvermijdelijk dat de garnalen hun steriele toestand verliezen. De garnalen komen opnieuw in contact met de bacteriën die in het zeewater leven. Dat is een ongewenste situatie, omdat de garnalen na het kookproces een consumptieartikel zijn geworden. In het ‘Garnalenbesluit’ is het spoelen van de gekookte garnalen met zeewater goedgekeurd. Het is wel van belang dat de garnalen daarna van dusdanige kwaliteit zijn dat ze aan de microbiologische eisen voldoen.

Uv-licht

Onderzoek toont aan dat je zeewater geschikt kunt maken om te koelen door het met uv-licht te bestralen. Hiervoor kun je gebruik maken van geconstrueerde doorstoom-apparaten om het water te behandelen. Als je de garnalen na het koken spoelt met dit uv-gesteriliseerde zeewater, dan kun je ze dagen goed houden. Daarbij is het dan wel van belang om de garnalen niet meer met de hand aan te raken of ze op een andere manier te besmetten. Ook dienen ze koel te worden bewaard.

Het thuispellen van garnalen is op een gegeven moment ook verboden i.v.m. de hygiëne. — Ben van Meerendonk : AHF, collectie IISG

Het is mogelijk garnalen met een voldoende laag kiemgetal (aantal bacteriekiemen in of op de garnalen) aan te voeren door gebruik te maken van een uv-lamp in combinatie met een sorteertrommel die het nalezen overbodig maakt. Vervolgens komen ze daarna weer in een normale spoeltrommel en één van de ontwikkelde koelapparaten. Het Garnalenbesluit heeft bepaald hoe je de garnalen aan boord dient te bewaren. Zo moet er voor het bewaren aan boord gebruik gemaakt worden van smeltend ijs en mag de temperatuur maximaal 4°C zijn.

Conserveringsmiddel

Tijdens de verwerking aan boord treedt in de praktijk nog steeds bacteriële besmetting op van de garnalen ondanks het koelen. Hierdoor bedraagt de houdbaarheid van garnalen slechts enkele dagen. Alleen door bijmenging van chemische conserveringsmiddelen zoals benzoëzuur en sorbinezuur kun je garnalen lang houdbaar maken. Dit is belangrijk, want de garnalen gaan door een lange distributieketen aan de wal. Hierbij belanden de garnalen via de visafslag bij de pelcentra, de detailhandel en uiteindelijk bij de consument.

Op de visafslag worden de garnalen ook behandeld met conserveringsmiddel. — ProSea

Zonder koeling bederft de gekookte garnaal erg snel. Dit komt doordat de bacteriën zich erg snel vermenigvuldigen. Sommige bacteriën groeien ook behoorlijk snel bij temperaturen beneden 10°C. Bacteriën die goed groeien bij koudere temperaturen noem je ook wel koudeminnend (psychotrofen). Bij garnalen gaat het dan vooral om bacteriën van het geslacht Alteromonas.

Aan boord mag je geen benzoëzuur toevoegen aan de garnalen. Daarom is het des te belangrijker dat de garnalenverwerking aan boord plaatsvindt onder zeer hygiënische omstandigheden, want daardoor kun een garnaal van hoge kwaliteit leveren. Dit komt ook de houdbaarheid ten goede.

Verwerking aan de wal

In Nederland geldt een zeef- en keuringsplicht waarbij je de garnalen in een afslag moet aanbieden. De garnalen kunnen op een andere plaats worden aangevoerd, maar worden dan per vrachtauto naar de afslag vervoerd. In de visafslag worden de garnalen opnieuw gezeefd. Voor de zeefstations op land gelden ook regels. Zo moeten de spijlen een minimale opening hebben van 6,8 mm. Daarop wordt toezicht gehouden door een onafhankelijke controleur. Momenteel is men ook bezig met het testen van cameratoezicht om het zeefproces in de gaten te houden.

Met behulp van cameratoezicht hoopt men de kosten voor controle omlaag te brengen. — Visserijnieuws

Hierna worden de garnalen voor de verkoop aangeboden. In de afslag wordt benzoëzuur in een 1:1 mengsel met zout toegediend aan de garnalen.

Een deel van de distributieketen van de garnaal. Eerst worden de garnalen gelost bij de afslag (links), daarna worden ze via de afslag verkocht (midden) en daarna worden de garnalen overwegend met de hand gepeld in Marokko (rechts). — Visveiling Urk & Heiploeg

5.7 Duurzaamheid

De garnalenkor heeft te maken met kritiek op de ecologische effecten. Zo is het gebruik van de fijnmazige boomkornetten niet erg selectief en zorgen ze voor ongewenste bijvangsten. De overlevingskans van ongewenste bijvangst die terug de zee in gaat is wisselend en met name voor vis niet al te hoog. 

In de haven van Den Oever liggen veel garnalenkotters. — ProSea

Doordat garnalenvissers veel vissen in kustgebieden en Natura 2000 gebieden is bijvangst een probleem, want deze gebieden zijn kinderkamers voor veel diersoorten. In deze kinderkamers zijn vaak veel jonge dieren aanwezig die ook weer van belang zijn voor de toekomst van de visserij.

Selectiviteit

Vissers en onderzoekers zoeken samen naar manieren om de hoeveelheid ongewenste bijvangst te verminderen. Hierbij kijken onderzoekers en vissers ook naar het gebruik van de pulstechniek in de garnalenkor om de selectiviteit te verbeteren. Daarnaast zijn er ook innovaties die de overlevingskans van ongewenste bijvangst proberen te verhogen. Zo zorgt de zeeflap ervoor dat er minder ongewenste bijvangst in het net komt en aan boord zorgt de zeef ervoor dat het grootste deel van de bijvangst levend overboord gaat.

Bodemberoering

Verder zorgt het contact tussen de garnalenkor en de zeebodem voor bodemberoering. Hierop is kritiek, met name vanuit verschillende natuurorganisaties. Om een beter beeld te krijgen van de effecten van de garnalenkor op de zeebodem, is er onderzoek gedaan van 2012 tot 2014 naar de effecten van de garnalenvisserij in Natura 2000 gebieden.

Overzicht van de Natura 2000 gebieden op zee. — Noordzeeloket

Uit dit onderzoek blijkt dat het lastig is om het effect van de garnalenkor op de zeebodem te bepalen. Dat komt mede doordat er in maar liefst 12 van de 15 gesloten onderzoeksgebieden hoogstwaarschijnlijk is gevist. Daardoor bleven er maar drie onderzoeksgebieden over en kun je geen sterke conclusies trekken over de impact van de garnalenkor op de zeebodem en het bodemleven.

MSC-keurmerk

Sinds december 2017 heeft de Duitse, Deense en Nederlandse garnalensector een MSC-keurmerk. Om het MSC-keurmerk te krijgen moesten vissers zelf beperkende maatregelen vaststellen. Samen met de Universiteit van Hamburg en de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) is een beheerplan gemaakt. Daarnaast is ook een Productie- en Afzetplan (PAP) opgesteld waarin de garnalenvangsten nauwkeurig worden geregistreerd.

Op deze kaart zie je het visserijgebied van de MSC-gecertificeerde garnalenvisserij. — MSC

Garnalenpelmachine

Een andere belangrijke ontwikkeling om de garnalenvisserij duurzamer te maken is het pellen van de garnaal door een garnalenpelmachine. Tot op heden gaan de meeste garnalen naar Marokko op transport en worden ze daar met de hand gepeld. Dat transport draagt ook bij aan CO2 uitstoot. Met een garnalenpelmachine is dit transport naar Marokko in de toekomst misschien niet langer nodig, waardoor de transportkosten en de CO2 uitstoot omlaag kunnen. Met een garnalenpelmachine zouden de garnalen binnen 24 uur gepeld, verwerkt en verpakt kunnen worden. Momenteel heeft de garnalenpelmachine een capaciteit van meer dan 1.000 kg per dag.

6 Garnalenpulskor

Naast het gebruik van elektriciteit voor het vangen van platvis is er ook aandacht besteed aan het gebruik van elektriciteit voor het vangen van garnalen. In de jaren ’70 werd er in Nederland voor het eerst geëxperimenteerd met een voorloper van de garnalenpulskor door het RIVO (Nederlands Instituut voor Visserijonderzoek, tegenwoordig Wageningen Marine Research). Deze experimenten werden in 1976 stopgezet na teleurstellende resultaten.

Vervolgens is het onderzoek naar een garnalenpulskor weer opgepakt in 2006 tijdens het ”Project Pulskor” in België. Binnen dat project werkten ILVO (Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek), de Vlaamse Visserij Vereniging, Universiteit Gent en Marelec N.V. aan een nieuw type garnalennet met een betere selectiviteit en een verminderde milieu-impact. Daarbij is de garnalenpulskor ontwikkeld, ook wel bekend als de HOVERCRAN.

Een garnalenpulstuig. — Wageningen Marine Research

6.1 Beschrijving

Hovercran verwijst naar het Engelse werkwoord “hover”, dat zweven betekent. Het vistuig sleept namelijk niet meer over de zeebodem, maar zweeft er net boven zoals een hovercraft. Daardoor vermindert de bodemberoering. Aan de andere kant verwijst “cran” in de naam naar Crangon crangon, de wetenschappelijke naam van de Noordzeegarnaal.

De Hovercran is een nieuw type vistuig waarvan het vangstprincipe gebaseerd is op het stimuleren van de garnaal door elektrische prikkels. Het maakt dus net als de pulskor op platvis gebruik van elektriciteit om garnalen te vangen, maar het betreft een heel ander systeem. Bij de garnalenpulskor is de klossenpees vervangen door 12 lichte elektroden. Deze elektroden wekken een elektrisch veld op dicht bij de zeebodem. Hierdoor springen garnalen op uit het zand en komen ze in het net terecht.

De garnalenpulskor voor onderhoud op de kade om gereed te maken voor een nieuwe visweek. — ProSea

Selectiviteit

Het net zweeft ongeveer 15 cm boven de zeebodem. Ongewenste bijvangst kan ontsnappen onder het net. In 2009 is dit vistuig bekroond tijdens de WWF Smart Gear Competition (wedstrijd voor innovatieve vistuigen). Uit een reeks verkennende experimenten op zee, zowel met de Hovercran (O 191) als met andere pulsvistuigen met lichte klossenpezen (TX 25, SD 33) bleek dat een selectieve, verhoogde onderpees een vluchtweg creëerde voor de meeste soorten ongewenste bijvangst. Afhankelijk van het type optuiging werd de bijvangst met 15 % tot 65 % verminderd.

De Hovercran zonder klossen kan goed worden gebruikt op bestekken met een vlakke zeebodem. Ruwere en meer oneffen visgronden vergroten het risico op problemen, want er zijn geen klossen die het net over obstakels heen helpen. Voor zulke visgronden (zoals veel gebieden op de Waddenzee) dient een tussenoplossing gevonden te worden in de vorm van een aangepaste klossenpees. Zodra er gevist wordt met een aangepaste klossenpees is er geen sprake meer van een Hovercran maar van een garnalenpulskor.

Een schematische weergave van de garnalenboomkor (boven) en de HOVERCRAN (onder). Duidelijke verschillen zijn de afwezigheid van de klossen bij de HOVERCRAN, de elektroden en de afstand van het net ten opzichte van de zeebodem. — ILVO

Het opwekken van een geschikt elektrisch veld in zeewater vereist nieuwe apparatuur. Hierbij is de pulsgenerator het belangrijkste onderdeel, want die vormt de wisselstroom om tot laagfrequente gelijkstroompulsen en geeft deze door aan de elektroden in het net. Deze generator is bevestigd op het vistuig en wordt gevoed via een kabel afkomstig van het schip. Het vieren en halen van deze voedingskabel gebeurt door middel van een speciaal ontworpen winch.

Pulsparameters

Bij de pulsvisserij op garnaal met het Marelec-systeem is de instellingsmogelijkheid van de pulsgenerator beperkt tot één wijzigbare pulsparameter, namelijk de pulsamplitude. Deze parameter, het resultaat van het spanningsverschil over de naburige + en – elektrode, is continu instelbaar via een draaischakelaar. Dit laat toe om wijzigingen in de geleidbaarheid van het zeewater, als gevolg van verschillen in temperatuur en/of zoutgehalte, op te vangen. Dit betekent dat de kenmerken van het elektrisch veld op de zeebodem vastliggen met uitzondering van de pulsamplitude.

De pulsparameters voor platvis (Delmeco en HFK) en garnaal (hovercran) zijn verschillend en hebben daardoor ook een ander effect. — De Haan et al. 2011, Verschueren et al. 2012.

Via real-time uitlezing in de scheepsbrug is controle van het pulssysteem mogelijk. De specifieke software laat toe om de prestaties van de 11 afzonderlijke elektrodeparen te monitoren en te loggen, zoals voorgeschreven wordt door de Europese wetgeving. Het outputvermogen van elke pulsgenerator is aanzienlijk lager dan het inputvermogen. Dit is een gevolg van elektrische verliezen in de pulskabel en de generator zelf.

6.2 Werkwijze

De pulsgenerator, die de vorm en de sterkte van de puls regelt, bevind zich op de boom. Er zijn regels opgesteld waaraan de pulskor moet voldoen. Zo is de maximaal toegestane spanning tussen de elektroden 15 volt. Het maximale vermogen van het wekveld is 1.25 kW per meter boom. Binnen die grenzen kan een puls (en daarmee het wekveld) alsnog heel erg verschillend zijn.

Pulskarakteristieken

Hoe een puls is opgebouwd noem je ook wel de pulskarakteristieken. De volgende zaken zijn van invloed op de pulskarakteristieken:

  • De amplituden in volt (V); het potentiaal dat gemeten wordt tussen twee geleidende delen.
  • De elektrische veldsterkte (V/cm); de logische consequentie van de amplitude en de elektrode afstand.
  • Puls frequentie (Hz); het aantal pulsen per seconde.
  • Pulsduur (µs): de duur van de puls.
  • De steilheid van de voorste en achterste rand van de puls.
  • De vorm van het elektrische veld (het directe gevolg van de pulsvorm, maar ook afhankelijk van soort en aantal elektroden, de afstand tussen de elektroden en de lengte / combinatie van geleidende en isolerende delen).

Natuurlijke factoren wekveld

Naast de pulskarakteristieken zijn er ook veel natuurlijke factoren die van invloed zijn op het wekveld, zoals:

  • Verschillen in geleidbaarheid van het zeewater en de zeebodem.
  • De samenstelling van de zeebodem (een slibrijke bodem heeft een betere geleiding dan een zandbodem).
  • Het zoutgehalte van het water (zout water heeft een hoger geleidend vermogen dan zoet water).
  • De watertemperatuur (warm water heeft een hogere geleidbaarheid dan koud water).

In de praktijk worden momenteel draadvormige elektroden met een conductorlengte van ongeveer 1,5 meter gebruikt bij een vaarsnelheid van ongeveer drie knopen. Hierbij staat een garnaal ongeveer één seconde bloot aan het elektrisch pulsveld en krijgt de garnaal maximaal vijf pulsen van 0,0005 seconden over zich heen. De korte pulsduur en de zeer lage herhalingsfrequentie maken een geringe energie-input mogelijk (ca. 1kWh per vistuig) ondanks de hoge geleidbaarheid van zeewater.

Hier zie je het werkingsprincipe van de pulsgenerator. De 12 elektroden vormen 11 elektrodeparen die beurtelings worden aangestuurd door de pulsgenerator. In deze tekening wordt het elektrisch veld weergeven in de groene kleur. Elke puls (groene veld) duurt 0,0005 seconden. — ILVO

6.3 Doelsoorten en bijvangst

De garnalenpulskor komt qua doelsoort en bijvangst sterk overeen met de garnalenkor. Wel zijn er duidelijke verschillen te zien in de samenstelling van de vangst qua doelsoorten en bijvangst. Zo zijn er vangstvergelijkingen uitgevoerd tussen een klassieke garnalenkor en een garnalenpulskor. Deze vangstvergelijkingen tonen aan dat er enkel in de zomermaanden een hogere vangst van maatse garnalen is met de garnalenpulskor (+ 16% in juni en + 9,4% in september). In oktober en december is geen duidelijk verschil te zien in de vangst van maatse garnalen.

Een schematische weergave van het onderzoek waarbij een vangstvergelijking werd uitgevoerd tussen een garnalenkor en een garnalenpulskor. — ILVO

Ongewenste bijvangst

De vangst van pufgarnalen was duidelijk lager met het pulstuig (- 19% tot – 33% minder) in september, oktober en december. Verder is de bijvangst van vissen en bodemdieren voor alle zeereizen duidelijk lager (- 50% tot – 76%) met het pulstuig (zie onderstaande afbeelding). De afname in bijvangst van commerciële vissoorten was vooral zeer opvallend voor schol en tijdens bepaalde zeereizen ook voor schar, bot, kabeljauw en wijting.

Wat betreft de bijvangst van andere bodemdieren, zoals mesheften, nonnetjes, zeeanemonen, zeesterren, grondels, gewone strandkrabben, harnasmannetjes, zeenaalden en haringachtigen is ook een duidelijke afname met de garnalenpulskor te zien ten opzichte van de garnalenboomkor. De garnalenkotter met pulstuig en zeeflap had beduidend minder bijvangst van vissen, bodemdieren en pufgarnalen. Qua hoeveelheid maatse garnalen is de vangst gelijk en soms zelfs iets hoger met de garnalenpulskor.

De combinatie van een aangepaste boomkor met een ‘vierkant’ net met zeeflap en rechte, gereduceerde klossenpees met 11 klossen voorzien van een elektrisch pulsveld vertoont dus een verbeterde selectiviteit ten opzichte van een traditionele garnalenboomkor met zeeflap.

Hier zie je de samenstelling van de vangst met een garnalenkor (links) en met de HOVERCRAN (rechts). — ILVO

6.4 Gedrag garnaal ten opzichte van het vistuig

Het pulsveld stimuleert de garnalen om verticaal op te springen van de zeebodem, waardoor ze in het net komen. Belangrijk om te weten is dat de puls die voor garnalen gebruikt wordt verschilt met de puls die voor platvis gebruikt wordt. De garnaalpuls die de typische ‘tail flip’ reactie bij garnalen opwekt (zie onderstaande afbeelding) heeft een veel lagere herhalingsfrequentie (5 Hz i.p.v. ca. 50 Hz). Hierdoor ervaart elk dier in het sleepspoor slechts enkele afzonderlijke pulsen. Vanaf een herhalingsfrequentie van ongeveer 20 Hz treedt verkramping op in blootgestelde spieren, zoals bij de platvispuls. In dat geval kun je niet meer spreken van een schrikpuls.

Rechtsboven is de voor de garnaal typische ‘tail flip’ beweging te zien die ze gebruiken om te vluchten. Op de onderste foto’s zie je hoe de garnalen reageren op een puls — ILVO

Effect op bijvangst

Er zijn (nog) niet veel praktijkstudies gedaan naar het effect van de garnalenpuls op verschillende soorten bijvangst. Laboratoriumstudies naar garnaal, (plat)vissoorten en bodemdieren laten verschillende reacties zien tussen vissoorten en bodemdieren. Reacties van onderzochte vissoorten zijn als volgt:

  • Schol; blijft ingegraven, lichaam vibreert op pulsfrequentie.
  • Tong; vrijwel hetzelfde als schol, slechts een aantal zwemt op uit ingegraven positie.
  • Schar; hevige reactie, zwemt over bodem of naar oppervlak. Pas na stoppen van pulsen keert het dier terug naar de bodem.
  • Tarbot; hetzelfde als schol.
  • Rog; hetzelfde als schol.
  • Zeedonderpad; rust op bodem, lichaam vertoont lichte vibraties maar vis blijft liggen.
  • Pitvis; lichaam vertoont sterke ongecontroleerde spasmen, vis verplaatst zich over korte afstanden over bodem.
  • Harnasman; op de bodem liggende vissen beginnen langzaam te zwemmen terwijl lichaam vibreert op pulsfrequentie. Vissen die hoger in de waterkolom zwemmen keren onmiddellijk terug naar de bodem.
  • Vijfdradige meun; na stimulatie volgde onrustig zwemgedrag dicht bij de bodem.

Reacties van overige soorten:

  • Zwemkrab; onrustig rondlopen over de bodem. Na stoppen van de puls graven de dieren zich snel in het zand in.
  • Strandkrab; hetzelfde als de zwemkrab.

Geen gedragsverandering is waargenomen bij heremietkreeft, zeester, spisula en de slangster.

6.5 Verwerking

De vangstverwerking van de garnalenpulskor is over het algemeen makkelijker dan bij de garnalenkorvisserij doordat er minder bijgevangen wordt. Hierdoor is er minder tijd nodig voor het sorteren van de garnalen, neemt de kwaliteit van de garnalen toe en verloopt de verwerking van de vangst sneller. Mede door de snellere verwerking neemt ook de overlevingskans van de ongewenste bijvangst toe. Voor de rest is het verwerkingsproces vergelijkbaar met die van de garnalenkor.

Hier zie je hoe de garnalen vroeger werden gekookt aan boord. De garnalen liggen af te koelen in de lichtblauwe bak op de achtergrond. — VLIZ Fotogalerij

6.6 Duurzaamheid

Qua selectiviteit scoort de garnalenpulskor beter dan de garnalenkor, al hangt dit ook af van de optuiging. De samenstelling van de rest van het tuig (vorm klossenpees, aantal klossen) bepaalt uiteindelijk hoe selectief de garnalenpulskor uiteindelijk is.

Een garnalenpulstuig met minder klossen dan de garnalenkor en met een rechte in plaats van U-vormige klossenpees zou selectiever moeten vissen dan de garnalenkor. Ook heeft het minder bodemcontact in vergelijking met de garnalenkor. Op die manier zorgt het lichtere tuig ook voor een brandstofbesparing.

Het blijft lastig om precies te bepalen hoe selectief de garnalenpulskor is zolang er geen duidelijk standaard tuig is. Tot nu toe lijkt het erop dat het tuig nog niet helemaal is uitontwikkeld, waardoor het nog te vroeg is om nu al met een standaard garnalenpulstuig te komen. Daarnaast is de vraag of pulsvisserij weer toegestaan zal worden na het totaalverbod op pulsvisserij vanaf 2021.

Negatieve kortetermijneffecten van de garnalenpuls op andere zeedieren en het ecosysteem lijken, mede door de relatief lage spanning die gebruikt wordt voor de garnalenpuls, beperkt. Enkel is er een kleine kans op gebroken ruggenwervels bij vissen. Mogelijke effecten op de (middel)lange termijn of bij herhaalde blootstelling zijn nog onvoldoende of totaal niet onderzocht.

Efficiëntie

Verder heeft onderzoek aangetoond dat het garnalenpulstuig efficiënter kan zijn in het vangen van maatse garnalen dan de garnalenkor. Oftewel, in minder uren vissen kun je dezelfde hoeveelheid garnalen vangen. Een verhoogde efficiëntie kan een voordeel zijn als het gaat om minder ongewenste bijvangst en bodemberoering per kg gevangen garnaal, maar dan alleen als er een beperking is aan de totale garnalenvangst per jaar (bijvoorbeeld door het instellen van een quotum).

Het beheren van de garnalenvisserij is ook belangrijk in verband met de eventuele hogere aanvoer met de garnalenpulskor. Hierdoor kan de garnalenmarkt verzadigd raken. Een grootschalige introductie van de garnalenpuls moet dus gepaard gaan met maatregelen om deze zaken te voorkomen. Dit kan op meerdere manieren. Hierbij kun je denken aan het beperken van de visserij-inspanning (zoals ook gebeurt als onderdeel van het MSC-keurmerk) en (deel)sanering.

Aangevoerde garnalen op de kade. — ProSea

In dit stadium is het te vroeg om de duurzaamheid van de garnalenpulskor goed te kunnen beoordelen. Wat wel bij alle onderzoeken en discussies naar voren komt is de verhoogde efficiëntie voor de vangst van commerciële garnalen. Dit wekt een hoop weerstand op vanwege de nu al aanwezige overcapaciteit in de aanvoer van garnalen.

Wil het traject van de garnalenpulskor kans van slagen hebben als duurzamer alternatief voor de garnalenkor, dan moet je niet alleen kijken naar de techniek en de ecologische effecten. Je zal tegelijkertijd ook moeten kijken naar een plan van aanpak voor het beheer van de garnalen(puls)visserij samen met alle belanghebbenden.

7 Andere geteste innovaties

Binnen de Nederlandse visserij zijn er ook nog een aantal innovaties ontwikkeld en getest die (vooralsnog) niet zijn doorgebroken. Deze innovaties hebben het om verschillende redenen niet gered om door te breken binnen de Nederlandse visserij. Twee voorbeelden hiervan zijn de twinbeam en de hydrorig. Dit hoofdstuk bespreekt deze twee innovaties in het kort.

7.1 Twinbeam

De twinbeam is ontwikkeld als een alternatief voor de traditionele boomkor. Deze boomkorvariant levert vooral brandstofbesparing op, omdat het vistuig bij dezelfde snelheid minder weerstand ondervindt. Je kunt er een brandstofbesparing van tientallen procenten mee realiseren. Hiermee heeft de twinbeam een positieve invloed op het besparen van kosten voor de visser en het terugdringen van de CO2-uitstoot. Met deze methode kun je ook meer zwartvis vangen ten opzichte van de traditionele boomkor.

Beschrijving twinbeam

Aan ieder tuig bevinden zich twee netten. In het midden van het tuig bevindt zich een extra slof. De kotter vist met vier kleinere boomkornetten (4×6 meter) in plaats van twee grote (2×12 meter). Ieder net heeft z’n eigen wekkers en kietelaars. De grondpees bestaat uit een ketting die met rubberschijven is bekleed (zie onderstaande afbeelding). In totaal is de grondpees ongeveer 22 meter en het beklede deel (midden) is ongeveer 6 meter. De breedte van elk net aan een tuig van 12 meter is 5,5 meter en de verticale netopening is 60 cm.

Hier zie je een foto van de optuiging bestaande uit een rolder met touwenschot en rubberschijven.

Er kan worden gevist op schol met vijf wekkers met een schalmdikte van 22, 24 en 26mm en twaalf kietelaars met een schalmdikte van 26, 22, 20, 16, 14 en 12mm. Met de schalmdikte hebben we het over de dikte van elk van de metalen ringen van een ketting.

Bij het vissen op tong worden er andere netten gebruikt, namelijk de tongnetten. In het midden van het net zit een tongflap. Het net heeft kale of rubberpezen en mazen van 8 cm. Hiermee kun je vissen op slappe grond voor de kust, zoals in de Duitse bocht. Over het algemeen wordt daar niet zwaar gevist en de vissnelheid is daar vaak ook hoger. Na een aantal weken begint de ketting te slijten en kun je de wekkers en kietelaars vernieuwen. De pees kan een paar kettingschalmen worden doorgehaald om het net weer in de goede visstand te krijgen. Tijdens het vissen kan de bemanning de vangst vergelijken om een indruk te krijgen of de twee tuigen goed en gelijk afgesteld zijn.

Twin-fly-beam

Ook is er geëxperimenteerd met een twinbeam met een vleugelvorm in plaats van een ronde boom (zie onderstaande afbeelding). Dit noemen we een twin-fly-beam. De uiteindelijke vorm van de dwarsdoorsnede is een boom die bol is aan de voorkant en smaller aan de achterkant. De lagere weerstand met de twin-fly-beam komt niet alleen door de vleugelvorm. Zo is de vleugelvormige buis ongeveer de helft lichter en dat is toch duizend kilo minder die over de zeebodem moet worden getrokken.

De boom van een twin-fly-beam.

7.2 Hydrorig

De hydrorig is een van de innovaties die ontwikkeld is als alternatief voor de boomkor. Het idee voor het ontwikkelen van de hydrorig is ontstaan naar aanleiding van experimenten van vissers die bezig waren met het flybeamtuig en spoilers. In de Verenigde Staten was al een soort bolkoppentuig bekend. De combinatie van al deze gegevens heeft geleid tot de hydrorig. Het tuig is anders dan het traditionele boomkortuig. De vis wordt niet opgeschrikt door wekkers, maar door waterstromingen die de bodem omwoelen.

Beschrijving hydrorig

Verder is de boom van de boomkor vervangen door een vleugelmodel. De wekkerkettingen zijn vervangen door halve bollen die aan de boomkorvleugel zijn bevestigd (zie afbeelding hieronder). Deze halve bollen creëren een waterstroming op de vleugel. Het tuig heeft een middenslof en aan de onderkant van de vleugel een holvormige buis. Er zijn nog wel kietelaars, maar die zorgen er alleen voor dat de vis zich niet meer ingraaft.

Het brandstofverbruik ligt ongeveer 30% lager dan bij de boomkor, omdat er geen zware wekkers meer worden gebruikt. De vissnelheid is geen 7 mijl, maar ligt rond de 5 mijl. Deze vissnelheid is beter voor het opschrikken van de vis van de zeebodem. Als er gevist wordt op harde grond heeft de werveling minder effect dan op een zachte bodem.

De boom van de hydrorig (links) met de halve bollen en de schone vangst met de hydrorig (rechts). — VCU

Met deze vismethode kun je jaarrond vissen, net als met de traditionele boomkor. De hydrorig is voornamelijk een goed alternatief voor de zomerperiode, want in die periode zijn de vangsten met de boomkor ook wat minder. Door de brandstofbesparing van ongeveer 25% wordt de hydrorig voor die periode gezien als een redelijk alternatief voor de traditionele boomkor.

Op de Doggersbank en op de Monkeybank is er voornamelijk op schol gevist met de hydrorig in de zomermaanden. Hiervoor is gekozen omdat in de zomermaanden de tongvangsten voor een boomkorvisser iets minder zijn. Het weer speelt ook een rol, omdat de bolkoppen bij mooi weer een beter effect hebben. In de wintermaanden kon er met de boomkor langer worden gevist met slechter weer. Gedurende de winterperiode vangt de boomkor vooralsnog beter dan de hydrorig.

Bijvangst

De hoeveelheid bijvangst is met de hydrorig flink lager in vergelijking met de boomkor. Dat komt waarschijnlijk doordat er geen gebruik wordt gemaakt van de wekkers. Het grootste deel van de vangst is mooie, schone vis van een hoge kwaliteit (zie bovenstaande afbeelding). Er wordt ook minder ondermaatse vis gevangen, omdat het netwerk ruimere mazen heeft dan het traditionele boomkornet. De bodemberoering is ook beduidend minder doordat er geen wekkers worden gebruikt. Ondanks deze voordelen bleek de hydrorig vooralsnog niet rendabel genoeg. Dit is dus één van de innovaties die niet doorgebroken is in de Nederlandse kottervloot.

8 Bronnen

  • Bolam, S. G., Coggan, R. C., Eggleton, J., Diesing, M., Stephens, D., 2014. Sensitivity of macrobenthic secondary production to trawling in the English sector of the Greater North Sea: A biological trait approach.
  • Den Heijer, W. M., Keus, B., 2001. Bestaande vistuigen als mogelijk alternatief voor de boomkor.
  • Depestele, J., Ivanovic´, A., Degrendele, K., Esmaeili, M., Polet, H., Roche, M., Summerbell, K., Teal, L. R., Vanelslander, B., O’Neill, F. G., 2015. Measuring and assessing the physical impact of beam trawling.
  • De Haan, D., Van Marlen, B., Kristiansen, T. S., Fosseidengen, J. E., 2009. The effect of pulse stimulation on
    biota – Research in relation to ICES advice – Progress report on the effects on cod.
  • De Haan, D., Van Marlen, B., Velzenboer, I., Van der Heul, J., Van der Vis, H., 2009. The effects of pulse stimulation on biota – Research in relation to ICES advice – Effects on dogfish.
  • De Haan, D., Haenen, O., Chen, C., Hofman, A., Van Es, Y., Burggraaf, D., Blom, E., 2015. Pulse trawl fishing: The effects on dab (Limanda limanda).
  • De Niet, P. J., Verschuur, T. W., 2007. De hygiënecode voor aan boord van een vaartuig gekookte schaal- en schelpdieren.
  • De Vrieze, J., 2012. INNOVATIEVE NETTEN VOOR VERDUURZAMING; Visvangvindingen.
  • European Parliament, 2011. The North Sea brown shrimp fisheries.
  • Fey, F. E., Dankers, N. M. A. J., Meijboom, A., Sonneveld, C., Verdaat, J.P., Bakker, A. G., Dijkman, E. M., Cremer, J. S. M., 2015. Ontwikkeling van enkele mosselbanken in de Nederlandse Waddenzee, situatie 2014.
  • Galbraith, R. D., Rice, A., 2004. An introduction to Commercial Fishing Gear and Methods Used in Scotland.
  • Glorius, S., Craeymeersch, J., Van der Hammen, T., Rippen, A., Cuperus, J., Van der Weide, B., Steenbergen, J., Tulp, I., 2015. Effecten van garnalenvisserij in Natura 2000 gebieden.
  • Goldsborough, D., Steenbergen, J., Jager, Z., Zaalmink, W., 2014. Toekomst van de pulsvisserij in de Waddenzee; Een verkenning met relevantie voor de internationale Waddenzee en de Noordzeekustzone.
  • Haasnoot, T., Kraan, M., Bush, S. R., 2016. Fishing gear transitions: lessons from the Dutch flatfish pulse trawl.
  • ICES, 2012. Request from France to review the work of SGELECTRA and to provide an updated advice on electric pulse fishing.
  • ILVO, 2015. Huidzweren bij vissen in het Belgisch deel van de Noordzee; TRENDS IN PREVALENTIE EN EXPLORATIE VAN MOGELIJKE OORZAKEN.
  • Kenniskring duurzame garnalenvisserij, 2009. Perspectief voor pulsvisserij op garnaal?
  • Kuhlman, J. W., Van Oostenbrugge, J. A. E., 2014. Bodemberoerende visserij op de Noordzee.
  • Lengkeek, W., Bouma, S., 2010. Impacts of beam trawl fisheries in the North Sea; A summary of fifty-five publications.
  • Linnane, A., Ball, B., Munday, B., van Marlen, B., Bergman, M. and Fonteyne, R., 2000. A review of potential techniques to reduce the environmental impact of demersal trawls.
  • Millner, R. S., and Whiting, C. L. 1996. Long-term changes in growth and population abundance of sole in the North Sea from 1940 to the present.
  • Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2004. Ruimte voor een zilte oogst; Naar een omslag in de Nederlandse schelpdiercultuur.
  • Montgomerie, M, 2015. Basic fishing methods: A comprehensive guide to commercial fishing methods.
  • Nederlands visbureau, 2014. Factsheet: Noordzeegarnaal.
  • Polet, H., Delanghe, F., Verschoore, R., 2005. On electrical fishing for brown shrimp (Crangon crangon) II. Sea trials.
  • Polet, H., Depestele, J., 2010. Impact assessment of the effects of a selected range of fishing gears in the North Sea.
  • Productschap Vis, 2008. Visfeiten: Mosselen.
  • Quirijns, F., Strietman, W.J., van Marlen, B. and Rasenberg, M., 2013. Platvis pulsvisserij;
    Resultaten onderzoek en kennisleemtes.
  • Rasenberg, M., Quirijns, F., 2013. Effecten van de pulsvisserij: een overzicht.
  • Rasenberg, M., Van Overzee, H., Quirijns, F., Warmerdam, M., Van Os, B., Rink, G., 2013. Monitoring catches in the pulse fishery.
  • Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Team Uitvoering Visserijregelingen, 2014. Informatiebulletin regelgeving visserij december 2014.
  • Smaal, A. C., Brummelhuis, E., 2005. Onderzoek naar mogelijke effecten van de pulskor op bodemdieren.
  • Soetaert, M., Decostere, A., Polet, H., Verschueren, B., Chiers, K., 2013. Electrotrawling: a
    promosing alternative fishing technique warranting further exploration.
  • Steenbergen, J., Van Marlen, B., 2009. Landings and discards on the pulse trawler MFV “Vertrouwen” TX68 in 2009.
  • Steenbergen, J., Rasenberg, M., 2012. Discards in de garnalenvisserij in Nederland: een overzicht.
  • Taal, K., 2010. Pulskor, Sumwing en PulsWing als alternatief voor de boomkorvisserij.
  • Tulp, I., Piet, G., Quirijns, F., Rijnsdorp, A. D., Lindeboom, H., 2005. A method to quantify the trawl fisheries induced mortality of benthos and fish.
  • Van Denderen, P. D., Van Kooten, T., Rijnsdorp, A. D., 2013. When does fishing lead to more fish? Community consequences of bottom trawl fisheries in demersal food webs.
  • Van Marlen, B., 1997. Alternative Stimulation in fisheries.
  • Van Marlen, B., Bergman, M. J. N., Groenewold, S., Fonds, M., 2001. Research on diminishing impact in demersal trawling – The experiments in The Netherlands.
  • Van Marlen, B., Grift, R., Van Keeken, O., Ybema, M. S., Van Hal, R., 2006. Performance of pulse trawling compared to conventional beam trawling.
  • Van Marlen, B., Van der Vis, H., De Haan, D., Burggraaf, D., Van der Heul, J., Terlouw, A., 2007. The effect of pulse stimulation on biota – Research in relation to ICES advice – Progress report with preliminary results.
  • Van Marlen, B., De Haan, D., Van Gool, A., Burggraaf, D., 2009. The effect of pulse stimulation on marine biota – Research in relation to ICES advice – Progress report on the effects on benthic invertebrates.
  • Van Marlen, B., Van Keeken, O. A., Dijkman Dulkes, H. J. A., Groeneveld, K., Pasterkamp, T. L., De Vries, M., Westerink, H. J., Wiegerinck, J. A. M., 2009. Vergelijking van vangsten en brandstofverbruik van kotters vissend met conventionele en SumWing-boomkorren.
  • Van Marlen, B., Wiegerinck, J.A.M., van Oss-Koomen, E., van Barneveld, E., 2014. Catch comparison of flatfish pulse trawl and a tickler chain beam trawl.
  • Van Stralen, M., Van den Ende, D., Troost, K., 2016. Inventarisatie van het sublitorale wilde mosselbestand in de westelijke Waddenzee in het voorjaar van 2016.
  • Verschueren, B., Lenoir, H., Vandamme, L., Vanelslander, B., 2014. Evaluatie van een seizoen pulsvisserij op garnaal met HA 31.
  • Visserijnieuws, 2008. HFK Engineering werkt aan zweefmodel voor Eurokotter; Meetweken Sumwing II.
  • Visserijnieuws, 2015. Regionale kenniskringen voor garnalenvissers van start; Grid in de garnalenvisserij?

9 Vissersvaartuigen

In Nederland wordt al eeuwenlang gevist met verschillende vissersvaartuigen, zowel in zoet binnenwater als op zee. In de 16e eeuw is bijvoorbeeld al massaal gevist op zalm en haring. De visserij heeft veel geld opgebracht en politiek gezien stond de visserij op de agenda bij onderhandelingen over handel tussen diverse landen. De vloot bestond vroeger uit veel kleine schepen. Eerst waren de schepen nog van hout en voeren ze met zeilen. Later werden ze van staal gebouwd en zorgde een motor voor de voortstuwing.

Vroeger werden vissersschepen ook nog van hout gemaakt, zoals deze bomschuit Prinses Sophie op het strand van Scheveningen. — Hendrik Willem Mesdag

10 Kotters

Het grootste deel van de Nederlandse vissersvloot bestaat uit kotters. De Nederlandse kottervloot is met name gespecialiseerd in de vangst van platvis, zoals tong en schol. Daarnaast vangt de Nederlandse kottervloot ook nog veel andere soorten, zoals Noorse kreeft, tarbot, griet, mul, poon, inktvis en garnalen. Momenteel zijn de belangrijkste vismethoden voor kotters de boomkor, de SumWing, de twinrig en de flyshootmethode.

Op bovenstaande foto staat de kotter KW-45 vissend met de boomkormethode. — ProSea

Ontwikkeling kottervloot

Vroeger gebruikte de Nederlandse kottervloot voornamelijk de boomkor om vis te vangen, maar de laatste jaren heeft de Nederlandse kottervloot veel veranderingen doorgemaakt. Ook is het aantal Nederlandse kotters sterk afgenomen in de laatste decennia. Afgelopen jaar voeren er nog +/- 280 actieve Nederlandse kotters, terwijl dit er nog 371 waren in 2004. Dat is een afname van ongeveer 25%.

Waar enkele jaren geleden nog vrijwel de gehele Nederlandse kottervisserij met kettingen viste, daar zie je tegenwoordig nog maar zelden kettingen aan boord van kotters. Innovaties zoals de SumWing en de pulstechniek hebben hun intrede gedaan, net zoals deze PulsWing. — Nederlands Visbureau

Vóór 1960 visten kotters met een bordentrawl op tong en schol. Rond 1960 is het boomkortuig (oorspronkelijk een garnalentuig) voor het eerst gebruikt voor de visserij op platvis. In plaats van een klossenpees kwam er een kettingpees die wat scherper door de grond ging. De vangstresultaten bleken zeer gunstig en het boomkortuig voor platvis werd rap verder ontwikkeld. Aanvankelijk waren het bestaande vaartuigen van 200 tot 400 pk die een verbouwing ondergingen om te kunnen ‘bokken’. Maar al gauw werden er nieuwe boomkorkotters gebouwd en de vissers kregen in de gaten dat met het opschroeven van het vermogen de vangsten toenamen. De zogenaamde ‘pk-race’ was begonnen. Het aantal pk’s nam niet alleen gestaag toe, maar ook het aantal wekkers en de lengte en het gewicht van de tuigen.

Kotters in de haven. — Nederlands Visbureau

Na 1970 kwamen er schepen in de vaart met meer dan 1000 pk. Al snel daarna werd ook de 2000 en de 3000 pk-grens overschreden. Voor de oudere vissers, die nog geen vijftien jaar terug met slechts 800 pk visten, leek dit een magische grens. Sommige vissers en visserijbestuurders waarschuwden voor de gevolgen van de pk-race. Maar het gros van de sector deelde hun zorgen niet. Bovendien, het ging allemaal goed: er werd veel gevangen en goed verdiend.

Pk-plafond

In 1985 ging ook de 3000 pk-grens aan diggelen. Er kwamen uiteindelijk zelfs schepen met wel 4400 pk in de vaart. De regering vreesde overcapaciteit en in 1988 werd er een plafond van 2000 pk ingesteld. Vanaf de jaren ’90 werden boomkorkotters met meer dan 2.000 pk geleidelijk aan uit de vaart genomen.

De grotere kotters in de haven. — Nederlands Visbureau

Na 1994 besloten meerdere eigenaren van hun zwaargebouwde boomkorkotters af te komen, onder andere gedreven door stijgende brandstofkosten en matige vangsten. Enkele saneringsrondes zorgden ervoor dat het aantal kotters met vermogens van tussen de 3.000 en 4.000 pk verder afnam.

Kotters worden over het algemeen onderverdeeld in twee verschillende categorieën. Zo heb je de grotere kotters (zie bovenstaande afbeelding) die vooral op de Noordzee vissen met een motorvermogen van meer dan 300 pk. Kleinere kotters (schepen tot 300 pk en maximaal 24 meter lang) vissen vooral in de Waddenzee en in de kuststrook op garnalen en soms op platvis. Deze kleinere kotters worden ook wel eurokotters genoemd (zie onderstaande afbeelding).

Op bovenstaande foto staat de eurokotter WR-23. — kotterfoto.nl

11 Hektrawlers

Trawlers zijn grote schepen van 55 tot ruim 140 meter. Ze vissen voornamelijk op vissoorten die in de waterkolom in scholen zwemmen. Dit soort vissen noemt men ook wel pelagische vissen. Vandaar dat de trawlervloot ook wel de pelagische vloot wordt genoemd. Belangrijke visgronden voor deze trawlers zijn de Noordzee, de Atlantische Oceaan (ten westen van Ierland en Schotland), Noorse zone, Golf van Biskaje, Stille Oceaan (bij Peru en Chili) en verschillende Afrikaanse wateren (Marokko, Mauritanië).

Een overzicht van de visgronden in Europese wateren van de hektrawlervloot. — PFA

Ontwikkeling trawlervloot

Door de jaren heen zijn er veel verschillende typen vaartuigen geweest in de Nederlandse trawlervloot. De bekendste scheepstypen uit de geschiedenis zijn waarschijnlijk de pinken, bomschuiten, loggers en trawlers die van oudsher vooral op haring visten. De pelagische vloot heeft ooit uit meer dan 1.000 grotere en kleinere vaartuigen bestaan. Deze visserij werd vroeger hoofdzakelijk uitgeoefend op de Noordzee, in de kuststrook, het Kanaal en de Zuiderzee (nu het IJsselmeer). Het was een seizoensvisserij die plaatsvond van mei tot en met december. Enkele grotere schepen van de vloot visten daarna (januari–april) nog op rondvis in de noordelijke Noordzee, met name op kabeljauw en schelvis. De andere schepen lagen in die periode werkloos aan de kant, wachtend op het nieuwe haringseizoen.

Zeilende Loggers werden tussen 1867 en 1930 gebruikt voor de haringvisserij. — BCC Balder Centennial Cruise

Haringmoratorium

De ontwikkeling van de pelagische vloot is vervolgens sterk beïnvloed door het haringmoratorium. Dit moratorium was een compleet verbod op gerichte haringvisserij in de Noordzee tussen 1977 tot 1983. Toen was de haringstand zo laag dat je er niet op mocht vissen. Dat kwam voornamelijk doordat de aanwas van jonge haring in het begin van de jaren ’70 erg laag was. Daardoor kon het maatse haringbestand niet voldoende bijgroeien. Het moratorium had niet alleen een grote invloed op de Nederlandse vloot, maar ook op de vloot van 14 andere landen die op haring visten in de Noordzee.

Toen er na juni 1983 weer op Noordzeeharing gevist mocht worden, waren er van de 50 Nederlandse haringschepen nog maar 12 over. Veel reders hadden het moratorium dus financieel gezien niet overleefd. Daarbij kreeg ook de haringmarkt een flinke knauw. Na 1983 was het moeilijk om handelaren te vinden die de haring wilden kopen. De prijs was laag en verwerkingsbedrijven aan de wal waren inmiddels gericht op aanvoer uit Denemarken en Noorwegen.

De hoeveelheid volwassen haring was erg laag in de jaren van het complete verbod op gerichte haringvisserij in de Noordzee tussen 1977 tot 1983. — ICES 2015

Toch heeft het moratorium de pelagische vloot ook goede dingen gebracht. Ten eerste is de haringstand in de jaren ‘80 weer toegenomen. Ten tweede zijn veel haringvissers ten tijde van het moratorium overgeschakeld op makreel en horsmakreel. Voor deze visserij was het nodig om de schepen uit te rusten met vriezers om de vangst direct te kunnen verwerken. Deze schepen bleken erg succesvol, niet alleen voor visserij op (hors)makreel, maar ook voor visserij op haring.

Huidige vloot

De pelagische vloot die we nu hebben is nog steeds uitgerust met grote vriezers en verwerkingsinstallaties aan boord, vandaar de naam vriestrawlers (pelagic freezer trawlers in het Engels). Het haringmoratorium heeft meegeholpen aan het ontwikkelen van de moderne Nederlandse hektrawlervloot.

Mede dankzij de vele technologische ontwikkelingen hebben de hektrawlers tegenwoordig een behoorlijke capaciteit en kunnen ze lang op zee blijven. Hier zie je de hektrawler KW-174 die gelost wordt aan de kade in IJmuiden. — ProSea

De huidige Nederlandse pelagische vloot bestaat uit een beperkt aantal schepen, maar wel met een grote capaciteit per schip. Deze schepen vissen in principe het hele jaar door op verschillende vissoorten. Al naar gelang het seizoen vissen ze vooral op haring, makreel, horsmakreel, sardinella en blauwe wijting.

Aanvoer van pelagische vis vanaf 2003. — Wageningen Economic Research

12 MDV-1

Momenteel is de visserij druk bezig met innovaties en transities naar een duurzamere visserij. Deze beweging startte na 2006 toen het rapport ”Vissen met tegenwind” is gepubliceerd. Hierin is de toekomst van de visserij geschetst. Enkele conclusies uit het rapport zie je hieronder.

Enkele conclusies uit het rapport ”Vissen met tegenwind”. — ProSea

Als reactie op dit rapport braken meerdere innovaties door, zoals de pulskor, de SumWing en andere innovatieve visserijmethodes. Een ander initiatief was het Masterplan Duurzame Visserij (MDV). Dit initiatief startte in 2009. De opzet van het MDV was het ontwikkelen van een positief verdienmodel in de platvisvisserij, waarmee men van een verliesgevende sector weer een financieel gezonde sector met toekomst wilde maken. Het ontwikkelen van een duurzame kotter was een belangrijk onderdeel van het plan om dit doel te bereiken. Uiteindelijk zou dit schip zich moeten bewijzen en is de hoop dat een groter deel van de Nederlandse kottervloot overstapt naar dit type schip.

Ambities

Het MDV heeft de volgende ambities voor dit nieuwe schip:

  • brandstofbesparing;
  • reductie van uitstoot;
  • beperking van bijvangst;
  • minimale aantasting zeebodem;
  • reductie motorvermogen.
Het eerste schip van het Masterplan Duurzame Visserij (MDV), de Immanuel MDV 1 is in gebruik genomen na vijf jaar van samenwerken, ontwikkelen en bouwen. De MDV 1 is in juni 2015 overgedragen aan de eigenaren, de familie Romkes (UK-149) en Kramer (UK-202). — Masterplan Duurzame Visserij

12.1 Het MDV-project

Het MDV-project bestaat uit vier verschillende fasen:

Fase 1: Draagvlak

In de 1e fase zijn belanghebbenden bij elkaar gebracht om het masterplan te bespreken. Hieruit kwam naar voren dat vrijwel alle belanghebbenden de noodzaak tot grote verandering in de visserij inzagen. Belanghebbenden konden financieel in het project meedoen of op een andere manier het project steunen.

Fase 2: Haalbaarheid

In de 2e fase van het project is onderzocht hoe het project haalbaar gemaakt kon worden. Acht werkgroepen werden ingesteld die op verschillende terreinen onderzoek deden naar de haalbaarheid.

Fase 3: Bouw

In 2013 startte fase 3, de bouw van het schip. Dit schip kostte uiteindelijk 4 miljoen euro. Het toenmalige ministerie van Economische Zaken stelde 2 miljoen uit het Europees Visserij Fonds beschikbaar. De rest van het geld kwam van de Zuiderzeelijngelden (fonds) en van de ondernemers zelf.

Fase 4: Testen en doorontwikkelen

De 4e fase werd in 2015 bereikt toen de kotter MDV 1 Immanuel in de vaart kwam. De kotter is drie jaar getest en er zijn ontwikkelplannen gemaakt voor volgende schepen. Alle opgedane kennis en ervaring is in deze fase ook gedeeld. Om dit mogelijk te maken hebben veel verschillende groepen samengewerkt. Directe partners in het MDV zijn:

  • Kenniskring Slim Ondernemen
  • Wageningen Economic Research (voormalige LEI)
  • Het Visserij Innovatie Platform (VIP)
  • Scheepsbouw Nederland
  • Gemeente Urk
  • Flynth adviseurs en accountants
Overzicht van de verschillende fases en gebeurtenissen in het MDV-project. — Masterplan Duurzame Visserij

12.2 De Immanuel MDV-1

Het schip is volgens de makers revolutionair en duurzaam. In totaal is het schip 30 meter lang en 8,5 meter breed. Het is iets kleiner dan de traditionele platviskotter van 40 m lang en 9 m breed met vaak 2.000 pk. De MDV 1 heeft een 680 pk hoofdmotor, maar is toch sneller dan een traditionele platviskotter. In de praktijk haalt het schip 10,5 knopen, terwijl een kotter met 2000 pk 8 knopen haalt.

“Als je vist op 250 mijl van de haven, zoals we vaak doen, dan maakt dat snelheidsverschil bijna een dagdeel uit. Het betekent dat je meer uren op de visgronden kunt doorbrengen en dus een hogere opbrengst haalt” aldus Henk Romkes die al meerdere malen een week op de MDV 1 heeft gevist. “Het zeegedrag is goed en de snelheid is hoog”.

Romp

Deels komt de verhoogde snelheid door de vorm van de romp onderwater. Zo is de romp geoptimaliseerd om de weerstand zo laag mogelijk te houden. De Immanuel heeft een licht en toch stijf casco, wat een groot verschil is met traditionele kotters. De romp is opgebouwd volgens de langsspant-methodiek, terwijl kotters traditioneel worden opgebouwd volgens de dwarsspant-methodiek. Door gebruik te maken van de langsspant-methodiek heeft de MDV-1 een lichtere constructie die toch heel sterk is.

Het schip heeft 20% minder staal dan een traditionele kotter en de deuren en luiken zijn niet van aluminium, maar van composiet. Dit is lichter en beter bestendig tegen inwerking van zout, waardoor het langer meegaat. Alles bij elkaar maakt dit de MDV-1 30% lichter. Hier bovenop zorgt de antifouling-folie van Sigma Glide op het onderwaterschip voor minder weerstand. De antifouling is zo glad dat het zichzelf schoon vaart bij een snelheid boven de drie knopen. Daarnaast laat de antifouling geen schadelijke stoffen los in de zee.

In 2012 liet scheepswerf Padmos een 3D print studiemodel van het MDV-1 schip maken wat er toen zo uitzag. — Masterplan Duurzame Visserij

Brandstofverbruik

Niet alleen is het schip sneller, ook wordt er bespaard op brandstof. Het schip verbruikt minder dan een halve liter gasolie per kg vis. Toen het MDV begon met de plannen in 2010 verbruikte een gemiddelde kotter vier liter voor één kg vis. Anders gezegd, voor een week vissen had een traditionele kotter ongeveer 40.000 liter gasolie nodig. Maar door de intrede van allerlei innovaties, zoals de SumWing, is het brandstofverbruik van traditionele kotters in de tussentijd al flink gedaald. Hierdoor is de 40.000 liter gasolie per week niet meer representatief en heeft het MDV ervoor gekozen om voor de berekeningen uit te gaan van 28.000 liter gasolie per week.

Dit was de uitgangssituatie van waaruit men is gaan werken aan het MDV-schip. — Masterplan Duurzame Visserij

De MDV-1 heeft ongeveer 6.500 liter gasolie nodig. Deze brandstofbesparing van bijna 85% is mogelijk gemaakt door de optimale romp, maar ook door de innovatieve voorstuwing, het powermanagementsysteem, de warmte-accu en de parabolische sprayrail. Als je uitgaat van een literprijs van € 0.70, dan bespaart de MDV-1 € 14.700 ten opzichte van de hierboven beschreven traditionele kotter per week. Brandstofbesparingen worden steeds belangrijker. Inschattingen van experts laten namelijk zien dat de brandstofprijs wel eens naar € 1,- per liter kan gaan in de toekomst.

Hier zie je de brandstofkosten per week voor een traditionele kotter (28.000 liter gasolie per week) en de MDV-1. Je ziet dat de brandstofkosten per week bij 0,40 cent per liter al behoorlijk verschillen. Dit verschil wordt alleen maar groter naarmate de prijs van de brandstof verder stijgt. — Masterplan Duurzame Visserij

Diesel-elektrische voortstuwing

De MDV-1 maakt gebruik van diesel-elektrische voorstuwing en dit is mogelijk gemaakt door samenwerking met Hoekman Shipbuilding (Urk) en Elektro Westhoeve (Ouddorp). Hierbij is de elektromotor direct gekoppeld aan de schroefas om optimaal rendement te behalen. De hoofdmotor/generator voedt een leroy-generator/dynamo die wisselspanning geeft voor het boordnet. Een trafokast zet dit om naar gelijkstroom voor de motor. In de visserij is dit type voortstuwing niet eerder toegepast. Een traditionele kotter gebruikt één grote dieselmotor.

In de machinekamer staan onder andere een Mitsubishi-motor en een Leroy Somer-generator. — Masterplan Duurzame Visserij

Het powermanagementsysteem regelt automatisch een optimaal toerental wat afhankelijk is van het boordnet en schroefaandrijving. Vraagt dit minder stroom, of gaat er een gebruiker van het net af, dan wordt er minder energie geleverd. Is er meer energie nodig, dan werkt dit andersom. Dit zorgt voor minder onnodig energieverbruik.

Wat ook energie bespaart is de parabolisch gevormde sprayrail. Door deze vorm ontstaat er voortstuwingsdruk als het schip naar beneden duikt. De warmwateraccu, een gesloten systeem met een tank van vijf kubieke meter, wordt verwarmd door restwarmte van de dieselmotor. Dit wordt gebruikt voor de cv, warm kraanwater en het warm houden van de motor tijdens het weekend, waardoor er minder of geen walstroom wordt gebruikt. Naast de warmwateraccu zorgen ook de zonnepanelen en ledverlichting voor energiebesparing. Eerst kostte de dekverlichting 1000 Watt per lamp, met de ledlampen is dat 60 Watt geworden.

De machinekamer aan boord van MDV-1. — Masterplan Duurzame Visserij

Uitstoot

Niet alleen wordt minder gasolie verstookt, ook is de uitstoot van CO2, NOx en SOx verminderd. CO2 is een broeikasgas en zorgt voor de klimaatverandering waar we tegenwoordig al effecten van zien. NOx en SOx zorgen voor verzuring van water en gezondheidsproblemen. Voor deze vormen van luchtuitstoot zijn regels opgesteld die in de toekomst verder worden aangescherpt. Door uitstoot nu te verminderen voorkom je later problemen.

Vismethode

De MDV 1 vist met de twinrig. Met de twinrig kan goed op schol worden gevist. Om ook tong te vangen is een installatie getest die elektrische pulsen geeft. Dit pulssysteem is vergelijkbaar aan het systeem dat gebruikt wordt bij de pulskor of pulswing. Helaas is de twinrigpuls nog geen succes en dankzij het pulsverbod in 2021 ligt dit voorlopig ook stil. Het vistuig aan boord van de MDV-1 zou dus een soort samenvoeging worden van de twinrig en de pulsmethode.

De twinrig, pulskor en pulswing presteren goed in de praktijk en worden over het algemeen gezien als duurzamere alternatieven voor de traditionele boomkor. Deze methoden zorgen voor minder bodemberoering, waardoor er minder schade is aan de zeebodem en het bodemleven. Hiernaast worden er met het pulssysteem minder ondermaatse vis en bodemdieren gevangen, zonder dat de vangst hieronder lijdt. Door het ontbreken van de kettingen is er ook minder schade aan de vangst. Bijvangst die overboord word gezet heeft daardoor een hogere kans op overleven. Dit is nog niet alles, door het ontbreken van de zware wekkerkettingen is het vistuig ook nog eens lichter wat zorgt voor een forse brandstofbesparing.

De eerste resultaten van het vergelijkingsonderzoek tussen de twinrig (blauw) en de twinrigpuls (rood) aan boord van de MDV-1. Voorlopige conclusie is dat er meer tong en tarbot gevangen kan worden met de twinrigpuls en minder schol, tongschar en kabeljauw. Tegenover de mindere vangst van deze soorten staat wel een hogere opbrengst van de duurdere tong en tarbot. — Masterplan Duurzame Visserij

Scholstripmachine

In samenwerking met het MDV ontwikkelde Leba Metaalbewerking (Enkhuizen) een stripmachine voor schol. Het nieuwe prototype is een vierkante machine die elektromechanisch wordt aangedreven. De schol wordt handmatig op een ronddraaiend plateau gelegd waarna de machine een gaatje in de schol maakt. Vervolgens worden door dit gaatje de ingewanden ‘uitgespoeld’.

De scholstripmachine. — Masterplan Duurzame Visserij

Door combinatie van diverse visverwerkingssystemen kan één persoon 1.800 schollen per uur verwerken. “De stripmachine kan drie mensen vervangen, die daardoor hun nodige rust kunnen krijgen” aldus Klaas Kramer, mede-eigenaar van de MDV 1. Na het strippen wordt de vis via een automatisch systeem gesorteerd op grootte en soort.

Een tekening van de verwerkingslijn aan boord van MDV-1.

In de visafslag hoeft de vis niet meer gesorteerd te worden, waardoor de koelketen niet wordt onderbroken. Dat kan twee dagen schelen in houdbaarheid in de supermarkt. Daarmee levert het mogelijk betere prijzen op. Het VCU (Visserij Coöperatie Urk) is met deze ontwikkeling bezig geweest.

Op deze band sorteert men de vis op soort aan boord van de MDV-1.

Veiligheid en comfort

De MDV-1 voldoet aan de eisen van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Met het ontwerp van het schip is zoveel mogelijk rekening gehouden met veiligheid en comfortabele arbeidsomstandigheden. De semi-bijlboeg draagt bij aan meer comfort door de stabielere zeegang en vanuit de stuurhut is beter zicht op het voor- en achterdek door de ruimere ramen.

De reddingsvesten hebben een zekeringslijn voor de veiligheid van de bemanning, wat bij veel schepen nog niet het geval is. Het geluidsniveau van de motor is aanzienlijk lager dan op bestaande schepen, alle apparatuur is modern en er is internet aan boord. Bij het ontwerp van de kooien is aandacht gegeven aan de wensen van de bemanning, zoals meer ruimte. Zit- en rugsteunen van stoelen zijn verstelbaar en zelfs de roosters in de visruimte, waarop de bemanning staat bij de visverwerking, zijn in hoogte verstelbaar. Dit alles om een geschikte werkhouding mogelijk te maken.

Terugverdientijd

De investering bedraagt momenteel ongeveer 4,5 miljoen euro. Hoewel dit vergelijkbaar is met de prijs voor andere nieuwe schepen, is een belangrijke vraag: ”Wanneer zal dit terugverdiend zijn?”. Ten eerste wijzen berekeningen van het MDV erop dat de cashflow toeneemt van 100.000 naar 500.000 euro per jaar. De cashflow is de hoeveelheid geld die je overhoudt nadat je alle kosten van je inkomsten hebt afgetrokken. Met deze cashflow mikt het MDV op een terugverdientijd van tien jaar. Dit terwijl het schip tenminste 30-40 jaar mee moet gaan.

MDV-1 in het nieuws

De MDV 1 kwam in het nieuws met krantenkoppen als “Tesla op zee…”, “MDV 1 kan nieuw tijdperk inluiden…”, “Futuristische viskotter …” en “Kotter van de toekomst”, zoals te zien is in onderstaande figuren.

Verschillende media pikten het op en verspreidden het nieuws met enthousiasme. Vanuit alle hoeken kwam belangstelling voor dit voorbeeld van een succesvolle samenwerking tussen verschillende projecten met zo’n bijzonder resultaat. Hierdoor heeft het MDV schip ook een bijdrage geleverd aan het verbeteren van het imago van de visserijsector.

Het MDV-1 schip was ook op meerdere evenementen voor het grote publiek te bewonderen, zoals op vlaggetjes in Scheveningen. — Masterplan Duurzame Visserij

Ook won het MDV-schip de ”’Schip van het Jaar prijs” van 2016. De jury van de KNVTS Schip van het Jaar-prijs heeft uit de acht aanmeldingen uiteindelijk de MDV-1 Immanuel aangewezen als de winnaar voor Nederlands meest prestigieuze maritieme prijs.

Uitreiking van de Schip van het Jaar 2016 prijs, die de KNVTS heeft toegekend aan de MDV-1 Immanuel van Stichting Masterplan Duurzame Visserij. — Stichting Masterplan Duurzame Visserij / Rogier Bos

12.3 Toekomstbeeld

De MDV-1 begon in 2015 met zijn testfase van drie jaar. In die drie jaar is getest en onderzocht hoe het schip het doet op alle vlakken van het project en of de doelstellingen behaald zijn. Resultaten zijn gepubliceerd en gedeeld, onder andere via de MDV-website. Doelstelling van het MDV is namelijk om een transitie binnen de Nederlandse vissersvloot te realiseren. Dat betekent dat men hoopt dat het MDV schip als voorbeeld zal dienen voor alle toekomstige schepen die gebouwd gaan worden binnen de Nederlandse visserij.

Kennis delen over deze nieuwe manier van vissen ten behoeve van de huidige én volgende generatie vissers staat daarbij centraal Inmiddels zijn er al nieuwe schepen gebouwd die gebaseerd zijn op het MDV-schip, maar dan met een iets andere indeling.

Het MDV-project hoopt dat er na de bouw van MDV-1, zoals hierboven, nog meer vergelijkbare schepen zullen volgen. — Masterplan Duurzame Visserij

Oude schepen

Bij deze transitie van de vissersvloot blijven een groot aantal nog zeewaardige schepen over. Het zijn schepen die onder zware omstandigheden kunnen functioneren en zijn uitgerust met moderne apparatuur. Deze schepen zouden op andere manieren kunnen worden ingezet. Voor bepaalde werkzaamheden zijn ze namelijk uitstekend uitgerust. Het MDV stelt de volgende mogelijkheden voor:

  • onderzoek en training;
  • olie- en vuurbestrijding;
  • ziekenschip;
  • stand-by schip;
  • ophalen van vis bij grotere trawlers;
  • inspectie op zee;
  • verkenningstochten.

13 Veiligheid op zee

Veiligheid op zee is een belangrijk onderwerp, zeker ook voor de visserij. Stormen, kapseizen, overboord vallen en het werken met zware objecten vormen een constant gevaar. Het gemiddelde aantal ongevallen in de visserij ligt beduidend hoger dan het internationale gemiddelde in andere beroepen. Het zal je dan ook niet verbazen dat het beroep van visser wordt gezien als één van de gevaarlijkste beroepen ter wereld (onder andere door de Verenigde Naties en de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO)). Dit blijkt ook als je kijkt naar onderstaande afbeelding met ongevallen en incidenten met vissersschepen in Europese wateren voor het jaar 2016.

Hieronder een overzicht van 2016 voor vissersschepen in Europese wateren. Dit zijn enkel de gerapporteerde ongevallen en incidenten, dus het daadwerkelijke aantal ligt waarschijnlijk nog hoger. — EMSA

In Nederland toonde de veiligheidsbalans van 2008 dat het aantal doden in de zeevisserij rond de 7 doden per 10.000 vissers was. Dit is bijna veertien keer zo hoog in vergelijking met andere beroepen in dat jaar. Cijfers van het aantal ongevallen in de visserij zijn waarschijnlijk ook niet volledig. Dit komt doordat niet alle ongevallen op de visserijvloot gemeld worden uit angst voor sancties van de overheid. Dat kwam ook naar voren tijdens een gesprek over veiligheid met de visserijsector en de onderzoeksraad veiligheid in 2015.

Ongevallen in de visserij

In Nederland ligt het gemiddelde van dodelijke ongevallen in de visserij minstens 2 keer zo hoog als het nationale gemiddelde voor alle sectoren. In Australië is dit bijna 18 keer zo hoog en in de Verenigde Staten 25 tot 30 keer zo hoog.

Gerapporteerde oorzaken en soorten letsel van vissers op vaartuigen van < 15 m, Frankrijk, 2005‑2009. — IMP/QCATM-database, 2010

Ongevallen Noordzee

Op de Noordzee zijn vissersschepen relatief vaak betrokken bij ongevallen, zoals ook te zien is in onderstaande afbeelding. Hierbij kun je denken aan:

  • aanvaringen;
  • strandingen;
  • brand/explosie;
  • zinken; en
  • overige ongevallen, zoals:
    • man overboord; en
    • verpletterd- of beklemd worden door zware objecten.

      {{image id=”5500″ name=”geregistreerde-ongevallen-en-incidenten-op-zee-in-eu-lidstaten-voor-periode-2011-2016_c2_emsa” url=”https://vistikhetmaar.nl/app/uploads/2016/10/Geregistreerde-ongevallen-en-incidenten-op-zee-in-EU-lidstaten-voor-periode-2011-2016_C2_EMSA.png”}}

Veel voorkomende niet-dodelijke ongevallen zijn:

  • het breken van armen of benen;
  • amputaties van vingers, handen, armen en benen; en
  • verwondingen aan het hoofd en de nek.

Interessant bij deze scheepsongevallen is dat bij maar liefst 65% (mede) sprake is van een menselijke fout. Verder ligt de oorzaak vaak aan vaartechnische oorzaken (50%), slechte weersomstandigheden (35%) en gebreken aan schip/lading (20%).

13.1 Ongevallen voorkomen

Het voorkomen van ongevallen ligt voor een groot deel in de handen van de zeevarenden zelf. Voorzorgsmaatregelen treffen en risico’s ten alle tijden vermijden is noodzakelijk voor een veilige visserij. Dit wordt nog in de weg gezeten doordat gevaar wordt geaccepteerd als onderdeel van het vissersbestaan. Gevaar hoort er nu eenmaal bij, aldus veel vissers, waardoor er nog teveel risico’s worden genomen.

Om de kans op ongevallen te verkleinen kun je de risicobeoordelingscyclus doorlopen. — Europese Commissie

Uitkijk

Een goede uitkijk is onmisbaar voor het schip en de bemanning. De wettelijke verplichtingen met betrekking tot wachtlopen staan beschreven in het BVA (Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee). Hierin staat beschreven dat de brug ten alle tijden bemand dient te zijn en je alle hulpmiddelen dient te gebruiken. Om wacht te mogen lopen dien je in het bezit te zijn van een wachtbevoegdheid die je kunt aanvragen bij certificeringsorganisaties zoals Kiwa.

Een uitkijk moet altijd goed uitgerust zijn. Dit is niet altijd het geval en daarmee vormt het een risico. Zo wees een onderzoek van de MAIB uit dat de aanvaring van de LT 36 in 2014 te wijten is aan vermoeidheid van de bemanning na zes dagen op zee met erg slecht weer. Het onderzoek concludeert dat de wachtsman van de LT 36 geen effectieve uitkijk hield, waardoor hij de tanker op 1 mijl afstand niet had gezien toen hij van koers veranderde in de richting van de tanker.

De LT 36 na aanvaring met een tanker. — KNRM

Vermoeidheid

Veel uren werken en nachtdiensten zorgen voor vermoeidheid en slaapgebrek. Vermoeidheid is meer dan een gevoel van ‘moe zijn’. Het is een verlies van je vermogen om waakzaam te blijven, een taak goed uit te voeren, duidelijk en logisch na te denken en om goed te communiceren en reageren.

Vermoeidheid zorgt voor een groot veiligheidsrisico. De meeste ongelukken gebeuren dan ook wanneer de meeste vissers vermoeid zijn: ’s nachts. Dit komt doordat de menselijke biologische klok is ingesteld om actief te zijn tijdens de dag en te rusten in de nacht. Nachtelijke activiteiten verstoren dit ritme. Hierdoor kun je tijdens nachtelijk werk vermoeid raken.

Een overzicht van de gevaren en gevolgen van vermoeidheid in de visserij. Ook worden de veiligheidsmaatregelen genoemd die je kunt nemen tegen vermoeidheid. — Europese Commissie

Onderzoek geeft aan dat de alertheid van mensen gemiddeld afneemt vanaf 9 uur ’s avonds. Je bent het minst alert tussen 3 en 5 uur in de ochtend. Mensen reageren verschillend op verstoring van het dag- en nachtritme. Toch heeft 25% tot 50% last van vermoeidheid of slaperigheid tijdens een nachtdienst.

Een korte ‘powernap’ van ongeveer 20 minuten verhoogt de alertheid al aanzienlijk.

Rustregels

Regels over rust voor de zeescheepvaart staan in het arbeidstijdenbesluit. In elke periode van 24 uur dien je minimaal 10 uur te rusten. Die 10 uur mag over niet meer dan twee periodes worden verdeeld. Dus 3 x 4 uur mag volgens deze regels niet. Hiernaast moet na 6 uur ononderbroken arbeid een kwartier pauze worden genomen. Elke week moet je minimaal 77 uur rusten. Onderzoek wijst uit dat je voldoende uitgerust en alert bent als je deze regels aanhoudt. Meer informatie over veiligheid in de visserij kun je vinden in het kennisdossier ‘Veiligheid op zee‘.

Voldoende rust vraagt van de schipper en bemanning flexibiliteit in werk- en rustschema. Alert en uitgerust te werk gaan verkleint de kans op ongelukken. Helaas komt het in de visserij nog voor dat je de voorgeschreven uren rust niet haalt. En ook al haal je de voorgeschreven uren rust, dan nog kun je door het zware werk toch vermoeid raken en minder alert zijn. Wil je weten hoe je ervoor zorgt dat je toch alert kan blijven of je alertheid verhoogt? Zie dan het kader hieronder.

13.2 Veiligheid en regelgeving

Bij trawlerbedrijven is veiligheid professioneler geregeld dan bij de kleinere kotterbedrijven. Grote trawlerbedrijven hebben een uitgebreid veiligheidsmanagementsysteem en daar zijn ook veiligheidsfunctionarissen in dienst. Bij kotterbedrijven is dit vaak niet het geval, vooral omdat ruimte en geld ontbreken.

Met veiligheidstrainingen gericht op de kottervisserij hoopt men ook daar de veiligheid verder te verbeteren. — TvK Instructie

Benodigdheden

Om veilig te vissen heb je onder andere een goed opgeleide bemanning nodig, voldoende bemanningsleden, veiligheids-, nood- en reddingsmiddelen en een veilig schip. Er is allerlei regelgeving die eisen stelt om de veiligheid in de visserij te verhogen. Eisen worden gesteld aan de:

  • bemanning (Wet Zeevarenden);
  • veiligheidstraining van vissers
    (STCW-F; Besluit Zeevisvaartbemanning);
  • veiligheidsvoorschriften voor bemanning en schepen
    (Schepenwet; Vissersvaartuigenbesluit); en
  • het lopen van de wacht (Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee).

    {{image id=”4647″ name=”persoonlijke-beschermingsmiddelen_c2_europese-commissie” url=”https://vistikhetmaar.nl/app/uploads/2016/10/persoonlijke-beschermingsmiddelen_C2_Europese-Commissie.png”}}

Risico Inventarisatie & Evaluatie (RI&E)

Iedere kottereigenaar wordt geacht een digitale Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) in te vullen. De RI&E is een wettelijke verplichting die voortvloeit uit de Arbowet. Daarnaast blijkt uit gesprekken met enkele vissers dat er zich af en toe situaties voordoen die maar net goed aflopen. Het doel van de RI&E tool is om op een eenvoudige en bruikbare manier een RI&E op te stellen waar vissers echt wat aan hebben om de veiligheid aan boord te verbeteren. Uiteindelijk wil je natuurlijk dat iedereen gezond en wel terugkeert na iedere visreis. Meer informatie over de RI&E voor de kottervloot kun je vinden in het kennisdossier ‘RI&E kotters‘.

Risico

Ondanks dat er altijd een risico blijft bestaan op een (ernstig) ongeluk, is het wel mogelijk om het risico hierop zo klein mogelijk te maken. Tegenwoordig zijn er eenvoudige manieren om de risico’s van het werk in kaart te brengen en deze risico’s zoveel mogelijk in te perken door het nemen van maatregelen. Hiervoor maken veel sectoren gebruik van een zogenaamde digitale Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E)-tool.

Voor de kottervisserij is er door de Stichting Sectorraad Visserij zo’n tool ontwikkeld door én voor vissers om de veiligheid aan boord met praktische handvaten te verbeteren; de digitale branche RI&E kottervisserij

Op 2 februari en op 13 februari 2018 hebben enkele vissers uit Stellendam en Urk meegedacht en meegesproken over de digitale branche RI&E-tool. Hun input vanuit de praktijk is hierin zoveel mogelijk meegenomen. — Nederlandse Vissersbond

De digitale RI&E doorloop je aan de hand van een vragenlijst. Met deze lijst kunnen bedrijven de risico’s aan boord in kaart brengen. Samen met enkele vissers zijn de meest risicovolle werkzaamheden aan boord al in kaart gebracht voor de kottervisserij. Naar aanleiding hiervan zijn er veiligheidsinstructies opgesteld voor deze werkzaamheden.

Veiligheidsinstructies

De veiligheidsinstructies geven aan hoe deze werkzaamheden zo veilig mogelijk uitgevoerd kunnen worden. Hieronder zie je een voorbeeld van een veiligheidsinstructie.

Een veiligheidsinstructie voor beknelling. — Sectorraad Visserij

13.3 Veiligheidstraining

Om dienst te kunnen doen aan boord van een vissersschip heb je onder andere een
basis veiligheidstraining voor vissers nodig. Hiervoor moet je een erkende opleiding afronden met ten minste de volgende onderdelen:

  • persoonlijke overlevingstechnieken, inclusief het gebruik van reddingsgordels en overlevingspakken;
  • brandbescherming en brandbestrijding;
  • noodprocedures;
  • de beginselen van eerste hulp bij ongevallen;
  • voorkoming van verontreiniging op zee; en
  • voorkoming van ongevallen aan boord.
Een training in basis veiligheid (Basic Safety Training) is verplicht. — Vissersbond

13.4 Veiligheidsvoorschriften

Veiligheidsvoorschriften hebben onder andere betrekking op de constructie van het schip, de stabiliteit, installaties, alarmen, bescherming van de bemanning, veiligheids- en reddingsmiddelen en noodprocedures en radiocommunicatie. We doorlopen een paar van die reddingsmiddelen hieronder.

Veiligheidsuitrusting voor aan boord. — Europese Unie

Groepsreddingsmiddel

Elk vaartuig moet twee groepsreddingsmiddelen hebben waar plaats is voor ten minste de gehele bemanning. Een groepsreddingsmiddel kan een reddingsvlot of reddingsboot zijn, waarvan er allerlei verschillende types zijn. Zo heb je gedeeltelijk en geheel overdekte reddingsboten, automatisch opblaasbare reddingsvlotten en vaste reddingsvlotten.

Een reddingsboot op de Spes nova (UK 205). — ProSea

Hiernaast kan een schip ook een hulpverleningsboot of Man Overboord Boot (MOB) hebben, die bijvoorbeeld drenkelingen oppikt, reddingsvlotten bij elkaar sleept of ze van een zinkend of brandend schip wegsleept.

Reddingsboot aan boord van de pelagische trawler KW 174, Annelies Ilena. — ProSea

Overlevingspakken en reddingsgordels

Aan boord moeten reddingsgordels en overlevingspakken voor elke opvarende aanwezig zijn. Het is van belang de middelen te testen op conditie en op pasvorm.

Een reddingspak. — Europese Unie

Reddingsboeien

Aan boord moet je een aantal verschillende typen reddingsboeien hebben.
Je hebt reddingsboeien met een:

  • drijvende reddingslijn;
  • zelfontbrandend licht; en een
  • een zelfwerkend rooksignaal die vanaf de brug ontkoppeld kan worden.
Reddingsmiddelen aan boord van een kotter met o.a. reddingsboeien. — ProSea

Lijnwerptoestel

Een lijnwerptoestel schiet een lijn of projectiel af om een drenkeling of reddingsvlot te bereiken.

Noodsignaal – Valscherm

Een valschermsignaal schiet je af en dat brandt vervolgens op ongeveer 300 meter. Het moet minstens 40 seconden branden met een felle, rode kleur en dalen met niet meer dan 5 meter per seconde.

Een valscherm. — Europese Unie

Noodsignaal – Handstakelicht

Een handstakelicht hou je in de hand en het moet minstens één minuut branden met een rode kleur.

Noodsignaal – Drijvende rooksignalen

Deze drijven op het water en stoten gekleurde rook uit voor ten minste 3 minuten.

Een drijvend rooksignaal. — Europese Unie

Contact met hulpdiensten

Om te communiceren en aan te geven waar je je bevindt moeten VHF portofoons en radar transponders (Automatic identification system, afgekort AIS) aan boord zijn. Radar transponders moeten snel in een groepsreddingsmiddel geplaatst kunnen worden.

Een VHF. — Europese Unie

14 Visserij met borden

In dit hoofdstuk bespreken we de visserij met borden. Er zijn diverse visserijmethoden die vallen onder de bordenvisserij. Visborden hebben grote invloed op het vangvermogen van het vistuig en er zijn tegenwoordig veel verschillende modellen en type visborden op de markt. Daarom is het voor de visser noodzakelijk om goede kennis te hebben van de verschillende soorten borden. De visserijmethode, bodemgesteldheid en het gedrag van verschillende vissoorten hebben invloed op het afstellen van de borden. Een bord dat goed functioneert in een bepaald zeegebied, kan in een ander zeegebied juist niet functioneren. Je gebruikt borden om het vistuig in horizontale richting open te houden.

Daarnaast kun je tegenwoordig ook sensoren aan de borden bevestigen. Deze sensoren geven informatie door aan de brug over de spreiding van de visborden en de netten om zo het vistuig optimaal te laten functioneren. Dit is ook te zien in onderstaande afbeelding. De volgende visserijmethoden maken gebruik van borden:

  • Outrig
  • Twinrig
Scherm in de brug waarop men de stand van het vistuig ziet met behulp van sensoren die aan het bord en middengewicht zijn bevestigd. — ProSea

Ook binnen de pelagische visserij maken vissers gebruik van borden. Hier is ook meer informatie over te vinden in het lesboek ‘’De hektrawlvisserij”. In dit lesboek staat ook meer informatie over de vele verschillende soorten borden die er zijn binnen de bordenvisserij. Daarnaast is er ook aandacht voor het herding-effect. Dit is een belangrijk onderdeel van het vissen met borden. Het herding-effect heeft namelijk een grote invloed op het vangstsucces. Om een goede vangst te behalen moet je als visser dus zorgen voor een goede afstelling van de borden en kabels om het herding-effect optimaal te benutten.

15 Visbord

Je kunt een visbord in drie groepen verdelen, namelijk grondborden, pelagische borden en semi-pelagische borden. Met grondborden kun alleen op de bodem vissen en met pelagische borden kun je alleen pelagisch (zwevend) vissen. De semi-pelagische borden kunnen zowel voor bodem- en pelagische visserij worden gebruikt. Verder zijn er nog verschillen in type en afmetingen van visborden. Deze worden bepaald door:

  • de vismethode die gebruikt worden;
  • de bodemgesteldheid;
  • het voortstuwingsvermogen van het schip;
  • de kosten;
  • de doelsoort; en
  • de grootte van het net.

15.1 Beschrijving

De afmetingen en het gewicht van het visbord zijn afhankelijk van de visserijmethode en van het voortstuwingsvermogen. Dit vermogen bepaalt meestal ook de afmetingen van het net. De keuze van het materiaal en de totale sterkte van de constructie van een visbord worden bepaald door de krachten waaraan je het visbord blootstelt.

Verder is de ligging van het zwaartepunt ook erg belangrijk, want dit heeft invloed op de stabiliteit van het visbord. Vaak kan dit worden beïnvloed door het verplaatsen van het bevestigingspunt van de vislijn.

Ook wordt er regelmatig aan de achterkant van het visbord gesteld met de kettingen. Dit doet men vaak om het bord in de juiste stand te krijgen. Dit is ook van belang als er extra gewicht aan het visbord wordt aangebracht. Als je een extra slijtstrip aan de onderkant van het bord aanbrengt of er een stuk bovenop zet, dan moet je er rekening mee houden dat ook het zwaartepunt verandert. Dit komt doordat het bord hoger wordt.

Om de juiste afstelling van borden te krijgen, is het nodig dat we de volgende begrippen verder uitleggen:

  • Aanstromingshoek
  • Scherende werking
  • Helling
  • Trim of tilt
  • Verhouding of aspect ratio
Een voorbeeld van een pelagisch visbord van 17m2.

Aanstromingshoek

Met de aanstromingshoek bedoelen we de hoek die het bord maakt ten opzichte van de sleeprichting van het bord. Als de aanstromingshoek groter wordt, dan neemt de weerstand en het spreidingsvermogen van het bord toe. Over het algemeen kun je stellen dat de aanstromingshoek ongeveer tussen de 30° en 40° ligt, maar daar zijn ook uitzonderingen op. De verschillende typen borden hebben elk hun eigen ideale aanstromingshoek, namelijk:

  • 30° bij rechthoekige platte borden;
  • 40° bij V-vormige borden;
  • 30° bij ovaalvormige borden; en
  • 40° bij gebogen rechthoekige borden.

Deze hoeken geven de grootst mogelijke scherende werking. Als de hoek groter of kleiner wordt, dan zal daardoor de scherende werking afnemen.

Veranderen aanstromingshoek

De aanstromingshoek kun je op twee manieren veranderen, namelijk door:

  1. Het aangrijpingspunt van de vislijn verzetten: Verplaats je het aangrijpingspunt van de vislijn naar voren, dan wordt de aanstromingshoek kleiner. Verplaats je het aangrijpingspunt naar achter, dan wordt de aanstromingshoek groter. Het is tegenwoordig niet zo moeilijk om het aangrijpingspunt van de vislijn te verzetten, omdat de visborden zijn voorzien van een verstelbare plaat, ketting of beugel met meerdere gaten.
  2. De bordenstroppen die aan de achterkant van het bord zijn bevestigd: Bij de bordenstroppen is de werking tegengesteld aan die van het aangrijpingspunt van de vislijn. Als je de bordenstroppen naar achteren verplaatst, dan wordt de aanstromingshoek kleiner. Als je ze naar voren toe verplaats, dan wordt de aanstromingshoek groter.
De aanstromingshoek kun je veranderen door bijvoorbeeld gebruik te maken van een verstelbare plaat (links) of een ketting (rechts) op het visbord.

Ieder bord heeft zijn eigen ideale aanstromingshoek. Hierboven kun je verschillende type borden zien. Daarbij zie je duidelijk dat de scherende werking van het bord steeds groter wordt zodra de aanstromingshoek toeneemt. Daar zit wel een bepaalde grens aan, want als de aanstromingshoek nog groter wordt, dan zal de weerstand van het bord toenemen en zal de spreidingskracht afnemen. In de praktijk zal dit betekenen dat de vissnelheid afneemt door de grote weerstand van de borden, terwijl de afstand tussen de borden kleiner wordt. Het is dus erg belangrijk om te weten bij hoeveel graden het bord zijn optimale spreidingskracht heeft. Met de optimale werking van een visbord bedoelt men dat je een maximale spreidingskracht hebt met zo min mogelijk weerstand.

Links zie je de spreidingskracht en weerstand op een V-bord en rechts zie je de spreidingskracht en weerstand op een bord met een slot (spleet).

Scherende werking

In het water ontstaat aan één kant van het bord een hoge druk en aan de andere kant een lagere druk. Het principe is hetzelfde als bij een vliegtuigvleugel. Een vliegtuig gaat daarmee de hoogte in; een visbord gaat zijwaarts.

De scherende werking van een plat rechthoekig bord (links), een te grote aanstromingshoek (midden) en een gebogen bord met een slot (rechts)(1 = vislijn, 2 = bordenstrop, D = visrichting). — ProSea

In bovenstaande linker afbeelding stelt A het water voor dat langs de buitenkant van het bord moet stromen en B het water dat langs de binnenkant gaat. C is in deze afbeelding de visrichting. Omdat A een iets langere weg moet afleggen, moet het sneller stromen, waardoor het een lagere druk veroorzaakt dan aan de binnenkant. Hierdoor krijgt het bord de drang om naar buiten uit te scheren.

Te grote aanstromingshoek

Bij de middelste afbeelding hierboven zie je wat er gebeurt als de aanstromingshoek te groot wordt. C is ook hier de visrichting. A en B komen nu bijna gelijktijdig bij het bord en moeten direct om het bord stromen. Het water krijgt de neiging om na het bord door te stromen, maar later zal dat water toch het gat opvullen dat zou zijn ontstaan. Het water stroomt dus terug en drukt tegen het bord aan de buitenkant. Dit gebeurt tegelijk met het water dat aan de binnenkant toestroomt. De druk aan beide kanten is nu gelijk en het bord verliest, ondanks de grotere hoek, de scherende werking.

Gebogen bord

Op de rechter afbeelding hierboven zie je waarom bij een bord met een slot (spleet) de scherende werking nog beter is dan bij een bord zonder slot. A toont het water dat langs de buitenkant van het bord gaat. Door de gebogen vorm wordt het water gedwongen om een langere weg te volgen dan het water van B dat langs de binnenkant gaat. Omdat een gedeelte van het water van B door het slot gaat, wordt het water van A gedwongen verder af te buigen, waardoor het een nog langere weg moet afleggen. Hierdoor ontstaat er nog minder druk dan aan de binnenkant van het bord, waardoor de scherende werking wordt bevorderd.

Een gebogen bord heeft een groter spreidingsvermogen dan een vlak rechthoekig bord. Je kunt in dat geval een kleiner bord nemen om dezelfde spreiding te krijgen. Dat heeft als voordeel dat je  brandstof kunt besparen. Ook de bodemweerstand helpt mee bij het uitscheren van de grondborden. De bodemweerstand van het bord is afhankelijk van de volgende factoren:

  • De vorm van het bord;
  • Het gewicht van het bord; en
  • De verhouding uitgevierde vislijn/waterdiepte.

Helling

De helling van het bord bepaalt het zwaartepunt van het bord. Visborden kunnen zowel een buitenwaartse- als een binnenwaartse helling hebben. Dit is afhankelijk van de afstelling van het visbord. Onderstaande tekening toont bij het linker bord een buitenwaartse helling. De bovenkant van het bord is dus van de vislijn afgekeerd. Rechts op de tekening is een bord met een binnenwaartse helling te zien. De bovenkant van het bord is dus naar de vislijn toegekeerd.

Bij een buitenwaartse helling bevindt het bevestigingspunt van de vislijn (snijpunt) zich beneden de halve hoogte van het visbord. Hierdoor komt de trekkracht van de vislijn op de onderste helft van het bord en de waterdruk zal voor het grootste deel op het bovenste deel van het bord komen. Hoe meer waterdruk aan de bovenkant van het bord, des te meer zal het bord naar de grond worden gedrukt.

Bij een binnenwaartse helling is dit precies andersom. De trekkracht komt op de bovenste helft van het bord en de waterdruk zal voor het grootste deel op het onderste deel van het bord komen, waardoor het bord omhoog wordt gedrukt. Een bord dat iets naar binnen helt trekt veel lichter.

De helling van een buitenwaarts bord (links) en een binnenwaarts bord (rechts).

Trim

De trim van een visbord is de hoek die de onderkant van het visbord maakt ten opzichte van de bodem. Als het bord iets achterover loopt, dan noem je dit een positieve trim. Loopt het bord iets voorover, dan noem je dit een negatieve trim.

Een negatieve trim bij een grondbord kan tot gevolg hebben dat het bord zich in de bodem ingraaft. Bij een positieve trim is slechts de achterkant van het visbord in contact met de zeebodem. Obstakels op de zeebodem worden daardoor makkelijk gepasseerd.

Als het bord geen trim heeft, dan zal dit tot de beste resultaten leiden. De gehele onderkant maakt dan contact met de bodem, waardoor er meer zandwolken achter het bord worden veroorzaakt en het bord zal tevens beter spreiden. Hierbij is de trim bijna altijd positief. Dit komt doordat het visbord aan de voorkant door de vislijn iets omhoog wordt getrokken.

De trim van het bord kan worden beïnvloed door het verplaatsen van de bordenstroppen. Er zijn op de verschillende visborden ook verschillende mogelijkheden om de bordenstroppen te verplaatsen. De trim van een grondbord wordt hoofdzakelijk bepaald door het verschil in de belasting van de onder- en bovenstrop.

Een schematische weergave van een visbord met een positieve en een negatieve trim (links), een visbord met een positieve trim (midden) en een visbord zonder trim (rechts).

De aspect ratio

De aspect ratio is de hoogte/lengte verhouding van een visbord. Een bord van 1 meter hoog en 2 meter lang heeft bijvoorbeeld een aspect ratio van 0,5 (hoogte 1 meter : lengte 2 meter = 0,5). Om de aspect ratio van een bord te berekenen moet je de hoogte van het bord delen door de lengte van het bord.

Hier zie je een plat rechthoekig visbord met een aspectratio van 0,5 (1m : 2m).

Snijpunt van het bord

Het snijpunt bij het grondbord van bovenstaande afbeelding zit ongeveer op een derde van de voorkant van het bord en op de halve hoogte of iets eronder. Deze verhouding kom je bij de meeste grondborden tegen. Dit is ook het punt waar je de vislijn aan vastmaakt. Ook zie je bij deze borden dat de aanstromingshoek tussen de 30°en 40° graden ligt.

In onderstaande afbeelding zie je een visbord wat veel gebruikt wordt in de multirig visserij. Om de aanstromingshoek te vergroten moet je een hoger nummer nemen voor de bevestiging van de vislijn. Het bevestigingspunt wordt dus meer naar achteren verplaatst. Om de aanstromingshoek te verkleinen, moet het juist andersom.

Omdat er verticaal maar één vislijnbevestigingspunt is, gebruik je de bordenstrop-aansluitingen voor het beïnvloeden van de helling. Worden deze op de punten C en A gezet, dan krijg je een binnenwaartse helling. Bij bevestiging aan punten B en D ontstaat een buitenwaartse helling.

Om de trim van het bord te beïnvloeden, zijn er veel mogelijkheden met de bordenstroppen. Je kunt de bovenste bordenstrop naar een lager of hoger nummer brengen om het bord meer voorover te laten lopen.

Visbord dat veel gebruikt wordt bij de multirig. A en B zijn bevestigingen van de bovenste bordenstrop. C en D zijn bevestigingen van de onderste bordenstrop. F is de bevestiging van de vislijn

Bordenstroppen

De aanstromingshoek kan ook worden veranderd met behulp van de bordenstroppen die aan de achterkant van het bord zijn bevestigd. Bij de bordenstroppen is het resultaat precies andersom dan bij het aangrijpingspunt van de vislijn. Als de bordenstroppen dus naar achteren worden verplaatst, dan zal de aanstromingshoek kleiner worden. Mocht je de bordenstroppen naar voren verplaatsen, dan wordt de aanstromingshoek groter. Het aantal graden dat de aanstromingshoek veranderd bij het gebruik van bordenstroppen is minder groot dan bij het verzetten van het aangrijpingspunt van de vislijn.

Hier zie je een pelagisch bord met bordenstroppen. De opstelling gebruikt men als je met een boven- en onderkabel vist.

Door de bovenste bordenstrop te verzetten (inkorten of verlengen) kan ook de trim van het bord worden veranderd. Tegenwoordig ontvang je meestal bij de aanschaf van een bord uitleg over gebruik van het bord. Hierdoor kun je opzoeken wat er gebeurt met de stand van het bord als je een bepaalde wijziging aanbrengt.

Een driepuntsopstelling van een grondbord met een enkele kabel (links), een tweepuntsopstelling van een grondbord met enkele kabel (midden) en een tweepuntsopstelling van een pelagisch bord met boven- en onderkabel (rechts).

De driepunts-opstelling van bordenstroppen wordt tegenwoordig bij de multirig veel gebruikt, omdat de positie van het bord zeer stabiel is en de kans dat het bord gaat liggen klein is.

Materiaal bordenstrop

Voor bordenstroppen worden verschillende materialen gebruikt zoals staaldraad, ketting en tegenwoordig ook dyneema (een supersterke kunststofvezel). Elk materiaal heeft zo zijn voor- en nadelen. Het voordeel van ketting is dat het makkelijk per schalm is bij te stellen. Staaldraad en dyneema hebben dit voordeel niet (vaste maten). Dyneema heeft wel weer als voordeel dat het erg sterk en licht van gewicht is. Daarom kiezen veel vissers voor een tussenoplossing, namelijk een staaldraad of dyneemastrop met daaraan een aantal kettingschalmen.

Krachten die van invloed zijn op het functioneren van het visbord

Over het algemeen is het gewicht van een grondbord groter dan de trekkracht van de vislijn en de opwaartse kracht. Hiervoor kun je onderstaande formule gebruiken:

G > N + T

Hierbij is G het gewicht/zwaartepunt, N de opwaartse druk en T de trekkracht van de vislijn.

Een overzicht van de verschillende krachten die op een visbord werken. Hierbij is G het gewicht/zwaartepunt, N de opwaartse druk, T1 de trekkracht van de vislijn, R de hydrodynamische druk en F de bodemweerstand.

De hydrodynamische kracht (R) is belangrijk in verband met het uitscheren van het visbord. Deze kracht speelt ook een rol bij het bepalen van de helling van een visbord. Bij een buitenwaartse helling is deze kracht schuin naar beneden gericht en wordt het zwaartepunt naar beneden verplaatst. Bij een binnenwaartse helling is deze kracht schuin naar boven gericht en wordt het zwaartepunt naar boven verplaatst.

Ook de bodemweerstand (F) helpt bij grondborden mee met het uitscheren. De vorm van het bord is ook van invloed op de bodemweerstand. Een ovaalvormig bord zal minder bodemweerstand hebben dan een rechthoekig bord (zie onderstaande afbeelding). Ook het type bodem (zacht of hard) kan van invloed zijn op de scherende werking van de visborden.

De vorm van het visbord heeft invloed op bodemweerstand. Zo heeft een ovaalvormig bord (links) minder bodemweerstand dan een rechthoekig bord (rechts).

Grondborden

Grondborden zijn herkenbaar aan de slijtstrip aan de onderkant van het bord. We onderscheiden de volgende demersale vismethoden met grondborden:

  • Twinrig
  • Multirig
  • Outrig
  • Quadrig
  • Kabelen op rondvis met een net
Stofwolken geproduceerd door een grondbord in actie.

Grondborden zorgen voor de horizontale spreiding van het vistuig en worden gebruikt voor de visserij op demersale vissoorten. De borden en het vistuig veroorzaken trillingen die de vis opvangt met zijn zijlijnstelsel. Een zijlijn is een zintuig bij de vis die langzame trillingen opvangt. Verder kan de vis ook de stofwolk zien die wordt veroorzaakt door het slepen van het vistuig over de zeebodem (zie bovenstaande afbeelding). Die trillingen en zandwolken veroorzaken het zogenaamde “herding”-effect (individuele vissen vluchten met een groep). Het gevolg is dat de vis uiteindelijk in het net terecht komt.

Contact zeebodem

Het is van belang dat het bord goed in contact met de zeebodem blijft, want anders verliest het vistuig een belangrijk deel van zijn vangstvermogen. Om een grondbord goed in contact met de zeebodem te houden, moet het gewicht van het bord onder water groter zijn dan de opwaartse kracht en de omhoogwerkende kracht die de vislijn op het bord uitoefent (zie onderstaande afbeelding).

Hier zie je het gewicht (G) van het bord (N), de trekkracht (T) van de kabels en de stroppen met het net (TX).

De krachten T en TX zorgen ervoor dat het bord (N) omhoog wil. Het bord moet voldoende gewicht (G) hebben om op de zeebodem te blijven. Het is niet alleen van belang dat het bord goed in contact met de zeebodem blijft, maar ook dat het vistuig de juiste spreiding heeft. Dat wil zeggen niet te weinig, maar ook niet te veel spreiding.

Ideale bordspreiding

Voorbeeld van ideale bordspreiding.

Hierboven zie je een afbeelding met de ideale opstelling. De kabels lopen netjes in de zandwolken die veroorzaakt worden door de borden en alles loopt in één lijn (rode lijn). De spreidingskracht en de TX (de naar achter gerichte kracht) zijn in balans.

Te kleine bordspreiding

Voorbeeld van te kleine bordspreiding.

Bovenstaande afbeelding laat duidelijk zien dat de kabels niet meer de ideale lijn volgen. De bordspreiding is te klein en de hoek van de kabels ten opzichte van de visrichting is afgenomen en dus is het te bevissen oppervlak kleiner geworden.

Te grote bordspreiding

Voorbeeld van te grote bordspreiding. — ProSea

Bij deze afbeelding is de bordspreiding juist toegenomen en is het beviste oppervlak groter geworden. Ondanks dat het beviste oppervlak is toegenomen, blijkt in de praktijk veelal dat het vangvermogen niet groter is geworden maar zelfs afneemt. De verklaring hiervoor is dat de hoek die de kabels met de sleeprichting maken zodanig vergroot is dat de kabels de zandwolken niet meer volgen. Daardoor krijgt de vis de kans om te ontsnappen. Daarnaast zal door de toegenomen bordspreiding de verticale netopening afnemen.

Liggend bord

Bij grondborden kan het weleens gebeuren dat het bord ligt. Dit gebeurt meestal tijdens het uitzetten van het vistuig. Het is aan te bevelen om tijdens het uitzetten van het vistuig zo min mogelijk te draaien, omdat daardoor de kans op een liggend bord toeneemt. Een liggend bord kan op twee manieren liggen, namelijk:

  1. Binnenwaarts; het bord valt naar binnen en ligt dus plat op de grond. Het aangrijpingspunt van de vislijn gaat over de grond
  2. Buitenwaarts; het bord valt naar buiten en gaat met de achterkant van het bord over de grond (de kant waar de bordenstroppen bevestigd zijn). Bij een zachte, modderige grond is dit gevaarlijk, want het bord maakt een scheppende beweging. Hierdoor ontstaat de kans dat het bord de grond in snijdt. Raakt een bord in de grond, dan is het er moeilijk uit te krijgen en bestaat er een grote kans dat je het bord kwijtraakt.
Voorbeeld van een V-vormig bord met een scharnierend bevestigingspunt voor de vislijn. Als dit bord achter een obstakel komt te zitten, dan zorgt het scharnierende punt ervoor dat het bord gemakkelijk over het obstakel heen zal gaan en weer goed op de bodem terecht komt.

Als je vist met een Marelec-systeem, dan zal de tonnage-aanduiding het aangeven als een visbord platligt. Tevens kun je dit zien aan de stand van de vislijnen of door middel van de bordensensoren, want het vistuig zal minder spreiding hebben.

Liggend bord oplossen

Mocht je een liggend bord aan de bakboordzijde hebben, dan draai je scherp over stuurboord (let wel goed op dat je het vistuig niet over de kop draait). Mocht je een liggend bord aan de stuurboordzijde hebben, dan draai je scherp de andere kant op.

Tegenwoordig vissen veel schepen over het achterschip. Hierdoor is de kans op een liggend bord een stuk kleiner ten opzichte van vroeger toen er vooral over de zijkant werd gevist. Ook gebruikt men tegenwoordig veel de driepuntsopstelling van de bordenstroppen. Bij de driepuntsopstelling van de bordenstroppen is de kans op een liggend bord veel kleiner dan bij de tweepuntsopstelling.

Voorbeelden van verschillende typen grondborden zijn te zien in onderstaande afbeelding. Op basis van de vorm kan je de volgende indeling van grondborden maken:

  • Vlak en rechthoekig
  • Vlak met slot of zonder slot
  • Gebogen rechthoekig met of zonder V
  • Gebogen ovaal
  • V-vormig
  • Sferisch (bolvormig)
Verschillende typen grondborden.

Pelagische borden

Pelagische borden zorgen voor de horizontale spreiding van het vistuig. Het verschil met een grondbord is dat een pelagisch bord ook nog een verticale kracht heeft. Dit zorgt ervoor dat je het vistuig in de waterkolom kunt laten stijgen en dalen.

Borden in de pelagische visserij zijn veelal uitgerust met een verstelbare plaat (zie onderstaande afbeelding) die je in horizontale richting kunt verplaatsen om de aanstromingshoek te veranderen. Deze plaat is ook voorzien van een aantal gaten in verticale richting zodat je het aangrijpingspunt van de vislijn ook in hoogte kunt verstellen. Op die manier kun je de helling van het bord aanpassen.

Invloed diepte

Als je op grote diepte vist, dan moet je het aangrijpingspunt van de vislijn omlaag brengen waardoor het bord een buitenwaartse helling krijgt. Door deze buitenwaartse helling zal het bord naar beneden willen snijden en op deze manier kun je de lengte van de uitgevierde vislijn beperken en toch op de gewenste diepte vissen.

Bij het vissen in ondiep water breng je het aangrijpingspunt van de vislijn omhoog. Hierdoor krijgt het bord een binnenwaartse helling, waardoor het bord naar boven snijdt. Op die manier kun je, ondanks de geringe diepte, toch voldoende vislijn uitvieren om zo voldoende bordspreiding te krijgen.

Een bord met een horizontale plaat met gaten in verticale richting.
Een bord met een aantal strippen onder elkaar.

Een andere manier om de helling van het bord te veranderen is door middel van de bordenstroppen. Bij sommige pelagische borden kan men, omdat er een aantal strippen onder elkaar zitten, de onderste bordenstrop in hoogte verstellen om zo de helling van het bord te veranderen (zie bovenstaande afbeelding). Het verstellen van de hoogte gaat op dezelfde manier als bij het aangrijpingspunt van de vislijn. Verzet men de bordenstrop omhoog, dan krijgt het bord een grotere binnenwaartse helling. Verzet men de bordenstrop omlaag, dan neemt de buitenwaartse helling toe.

Voorbeelden van verschillende typen pelagische borden.

Voortstuwingsvermogen

Bij de pelagische visserij worden de afmetingen, oppervlakte en het gewicht van de borden bepaald door het voortstuwingsvermogen. Ook de afmetingen, materiaalkeuze en maaslengte van het net hebben invloed op de afmetingen van de borden. Binnen de pelagische visserij spreekt men niet over de afmetingen van het bord, maar over de oppervlakte van het bord. Zo spreek je dan bijvoorbeeld over een bord met een oppervlakte van 10 m2.

Voorbeelden van verschillende typen pelagische borden zijn te zien in bovenstaande afbeelding. Indeling van pelagische borden naar de vorm van de borden:

  • Gebogen rechthoekig met- of zonder V
  • Sferisch
  • Gebogen ovaal

Semi-pelagische borden

Dit zijn borden waar zowel demersale als pelagische visserijmethoden mee beoefend kunnen worden. Het voordeel van semi-pelagische borden is dat je, zonder van bord te wisselen, over kunt schakelen van de bodemtrawl naar de pelagische trawl. Het veranderen van het bord van de pelagische visserij naar de bodemvisserij, en andersom, gebeurt door het aangrijpingspunt van de vislijn naar boven of naar onderen te verstellen.

Veranderingen aan het vistuig die van invloed zijn op de bordenspreiding

Als je optimaal wilt vissen mag de bordenspreiding niet te groot, maar ook niet te klein zijn. Dit geldt zowel voor de grondtrawl, als ook voor de pelagische trawl. Mochten er veranderingen worden aangebracht in het vistuig, dan moet je er rekening mee houden dat dit van invloed kan zijn op het gedrag van de visborden. Hieronder worden een aantal oorzaken beschreven die de balans kunnen verstoren.

Te kleine afstand

Bij een te kleine afstand tussen de borden zijn de mogelijke oorzaken:

  • een te lage vissnelheid;
  • borden die te klein en/of te licht van gewicht zijn;
  • een te kleine/of te grote aanstromingshoek van het bord;
  • een te grote afmeting van het net;
  • te zwaar materiaal van het net (garen oppervlakte = meer weerstand); en
  • een kleinere maaslengte (minder doorstroming = meer weerstand).

Te grote afstand

Bij een te grote afstand tussen de borden zijn de mogelijke oorzaken:

  • te grote en/of te zware borden;
  • een te grote aanstromingshoek;
  • een te kleine afmeting van het net;
  • te licht materiaal van het net (bijvoorbeeld dyneema); en
  • een grotere maaslengte (meer doorstroming = minder weerstand).

16 Noordzeegarnaal

De noordzeegarnaal of grijze garnaal (Crangon crangon) behoort tot de familie van de zandgarnalen (Crangoidea). Een familie van vrij kleine, tamelijk somber gekleurde garnalen uit koude tot gematigde streken. Van de 1950 garnalenfamilies worden er 300 wereldwijd bevist voor consumptie.

Noordzeegarnaal (Crangon crangon). — BioImages

Garnalen zijn in Nederland de commercieel belangrijkste schaaldieren/kreeftachtigen. In 2014 werd volgens een raming 16.000 ton garnalen aangevoerd met een gemiddelde prijs van €3,50 per kilo. De garnaal die met Nederlandse schepen wordt gevangen en aangevoerd is de grijze of noordzeegarnaal, ook wel Hollandse garnaal genoemd.

De noordzeegarnaal wordt vooral gevangen op zand en slibbodems in ondiepe kustwateren van de Noordzee en Waddenzee. In de winter trekt de garnaal naar iets dieper water wat dan nog warmer is. De noordzeegarnaal wordt het hele jaar door gevangen met een duidelijke piek in de herfst (september en oktober). De noordzeegarnaal wordt aan boord gekookt in zeewater. Als de garnaal wordt geëxporteerd wordt hier nog extra zout aan toegevoegd voor een langere houdbaarheid. Van de gekookte garnaal is ongeveer de helft eetbaar.

Eenmaal volwassen zijn de schaaldiertjes met hun grijsbruine tinten tussen de vijf en zeven centimeter lang. Ze bezitten vijf paar zwempoten die onder hun achterlichaam zitten, zie (1) op de afbeelding hieronder, en evenveel looppoten. De garnaal heeft een waaierstaart (3) waarmee hij met een krachtige slag van zijn staart achteruit wegschiet om roofdieren te ontwijken. De garnaal heeft geen scharen maar grote- (4) en kleine voelsprieten (5). De noordzeegarnaal kan negen centimeter worden qua lengte en ongeveer drie jaar oud worden.

De Noordzeegarnaal. Aantekening: 1. Achterlijf met daaronder zwempoten, 2. Looppoten, 3. Waaierstaart, 4. Grote antenna/voelspriet, 5. Kleine antenna/voelspriet, 6. Kopstuk. — Freshwater and Marine Image Bank

16.1 Eten en gegeten worden

De garnaal staat op het menu van de kabeljauw, wijting, platvis, zandspiering, kreeften en nog vele andere . Zelfs vogels als eenden, meeuwen en kraaien eten garnalen. De garnaal zelf is een alleseter: hij eet resten van planten en dieren, uitwerpselen en eieren, maar jaagt ook op kleine diertjes. Zelfs jonge platvisjes (zogenoemde ‘postzegeltjes’) zijn niet veilig voor een garnaal op jacht. De garnaal is ook kannibaal. Een net vervelde, zachte garnaal kan zelf ten prooi vallen aan andere garnalen en ze stelen soms eieren van elkaar die ze opeten.

16.2 Verstoppen

Met zoveel roofdieren heeft de garnaal zich aangepast om hen zoveel mogelijk te vermijden. Ten eerste is de noordzeegarnaal half doorzichtig met grijsbruine vlekjes, zodat de kleur van de ondergrond er al doorheen schemert. De garnaal kan de vlekjes groter of kleiner maken en zo aanpassen aan de ondergrond zodat hij nog minder opvalt.

Overigens zwemmen ze alleen s’ nachts over de bodem, overdag liggen ze vrijwel helemaal ingegraven. Alleen hun ogen, waarmee ze eigenlijk alleen licht en donker kunnen onderscheiden, en lange voelsprieten steken boven de zeebodem uit.

Een Noordzeegarnaal die ingegraven zit in het zand. — Waddenzeeschool

Hiernaast gebruiken garnalen geluid om niet gevonden te worden. Garnalen op verschillende plekken maken voortdurend een ritselend geluid. Als ze dit met genoeg tegelijk doen maken ze een wolk van geluid waardoor roofdieren die op gehoor jagen niet meer de precieze locatie van één garnaal kunnen vinden.

16.3 Voortplanting

Het garnalenvrouwtje legt twee tot drie keer per jaar eitjes, soms wel 25.000 per keer, die ze als een pakketje tegen haar achterlijf gedrukt houdt. Als de larfjes na ongeveer één tot twee maanden uit de eitjes komen, zweven ze op hun rug weg. Ze maken dan ongeveer twee maanden deel uit van het plankton in zee. Na vijf of zes keer vervellen kunnen ze in de bodem leven en na nog vier maanden zijn ze volwassen.

De eitjes van de Noordzeegarnaal worden vastgehouden en geplakt onder het achterlijf. — Aphotomarine

Het leven van een larf is gevaarlijk, het grootste deel (gemiddeld 95% van de eitjes) redt het niet om volwassen te worden. Sommige eieren komen niet uit en eitjes, larven en jongvolwassenen worden gegeten door allerlei roofdieren. Om dit verlies te compenseren leggen de garnalen zo vaak- en zoveel mogelijk eitjes.

Het broedsucces (= het aantal eitjes dat uitgroeit tot een volwassen garnaal) wisselt sterk van jaar tot jaar. Dit komt enerzijds door verschillen in de natuurlijke omstandigheden (onder andere temperatuur van het zeewater) en anderzijds het aantal roofdieren. Hierdoor zijn de vangsten moeilijk te voorspellen. De meeste garnalen worden als mannetje geboren. Zij veranderen na één of twee jaar van geslacht. Geboortegolven vinden plaats tussen december en augustus.

17 Noordzeekrab

De noordzeekrab is op de Europese markt de meest voorkomende krab. In Nederland en België worden Noordzeekrabben voornamelijk gevangen als bijvangst van bodemsleepnetten. In Engeland, Duitsland en Frankrijk is er gerichte visserij met geaasde korven op de noordzeekrab. Ook in Nederland wordt alleen bij de Oosterschelde en Texelse Stenen gericht door vissers op ze gevist, maar deze visserij is nog kleinschalig. Juist in deze gebieden wordt op de noordzeekrab gevist omdat ze hier veel voorkomen, wat te maken heeft met de aanwezigheid van harde structuren als stenen en zwerfkeien. Vaak worden noordzeekrabben in z’n geheel levend verhandeld, maar soms worden alleen de krabbenscharen verhandeld. Van een hele noordzeekrab in pantser is ongeveer de helft eetbaar.

De noordzeekrab is een krachtpatser onder de Europese krabben, sterk maar traag. De krab vertrouwt op zijn stevige bouw om zich tegen roofdieren te beschermen, met een rugschild, zie (1) op de afbeelding hieronder, dat twee keer zo breed is als lang, oranje tot roodbruin gekleurd en met afgeronde inkepingen. De krab heeft krachtige scharen (2) met zwarte punten waarmee hij gemakkelijk een mossel openbreekt. Met zijn antenna’s (5) ruikt de krab in het water en vindt hij voedsel en vrouwtjes. De noordzeekrab kan 9 tot 15 jaar oud worden, met een schild tot 30 cm breed.

Noordzeekrab. Aantekening: 1. Rugschild/pantser, 2. Schaar, 3. 1e looppoot, 4. 2e t/m 5e looppoot, 5. Antenna’s/voelsprieten, 6. Ogen. — Julius Fürst

Vrouwtjes leven vaak op zandige bodems en mannetjes op grovere en rotsige bodems, beide tot op een diepte van 300 m diepte. De krabben zitten vaak massaal op wrakken.

 

17.1 Eten en gegeten worden

De noordzeekrab is een specialist in het kraken van schelpdieren (vandaar de krachtige scharen). Hij eet voornamelijk mosselen en zwaardschedes, maar ook kleine kreeftachtigen en vissen. De mannetjes blijven vaak langer op één plek en ‘wachten’ meer op hun voedsel. De vrouwtjes daarentegen zijn actiever en rennen heen en weer over de zeebodem. In één jaar tijd kunnen de vrouwtjes tot 150 km afleggen.

17.2 Voortplanting

De noordzeekrab paart op een bijzondere manier vlakbij de kust. Het mannetje vindt vruchtbare vrouwtjes door middel van hun geur. Wanneer hij haar vindt, draagt hij haar op zijn rug met zich mee totdat ze verveld wat dagen tot weken kan duren. Als ze haar oude schild afwerpt is ze nog zacht en alleen in die zachte staat kan het mannetje met haar paren. Na het paren blijft hij nog even hangen en beschermt haar tot haar nieuwe schild is uitgehard.

Twee noordzeekrabben, waarvan het mannetje bovenop zit en wacht tot het vrouwtje gaat vervellen. Tot die tijd beschermt hij haar tegen roofdieren, maar ook tegen andere mannetjes-noordzeekrabben. — Roy Waller

Het vrouwtje bewaart het sperma in haar buik en vertrekt naar diepere, zandige en beschutte gebieden. Ze lopen tegen de reststroom in zodat de larfjes, die niet tegen deze stroom op kunnen zwemmen, weer op de gunstige plaats van herkomst terecht komen. Deze migratie kan variëren van 80 tot 300 km! De mannetjes lopen niet mee. Tijdens deze migratie draagt ze één tot drie miljoen eitjes onder haar achterlichaam met zich mee. Ze bevrucht de eitjes pas in de winter. Tijdens deze broedperiode, waarin ze eitjes maakt en legt, eet het vrouwtje niet meer. Ze leeft teruggetrokken en verstopt in het zand. Zo wordt ze minder snel gevonden door roofdieren die het op haar of haar eitjes hebben gemunt en wordt minder snel gevangen door de visserij.

Een noordzeekrab met bevruchte eitjes die ze onder haar buikschild (wat in weze haar staart is die onder haar buik is geklapt) bewaart. — Wikimedia commons

De noordzeekrabben paren in het voorjaar en de zomer, eitjes worden bevrucht in de winter welke uitkomen rond de daaropvolgende zomer. De millimeter-lange larven zweven vrij rond in het water (pelagische larven). Na twee maanden groeien gaan ze op de bodem leven. Het vrouwtje wordt geslachtsrijp op drie- tot vijfjarige leeftijd, dan is het schild ongeveer veertien cm breed. De vrouwtjes planten zich om het jaar voort.

Het verschil tussen een mannetjes en een vrouwtjes krab is te zien aan de vorm op de buik. De puntige vorm van een driehoek of vuurtoren is van een man (rechts). De rondere vorm van een bijenkorf is van een vrouw (links). Dit zijn twee strandkrabben, maar voor noordzeekrabben geldt hetzelfde. — Ecomare

18 Herding effect

In dit deel bespreken we het herding-effect en de reactie van de vis op het vistuig. Een vis kan met behulp van zijn zintuigen verschillende dingen waarnemen, waaronder het naderen van een vistuig. Hieronder beschrijven we de reactie van de vis op de visserij met borden.

Hier zie je het herding-effect. — Wouter Bontes

Het eerste wat een vis zal opmerken bij het naderen van een schip is het geluid van de motoren. Hierdoor ontstaat er een tijdelijke opwinding bij de vis. Je zult een duidelijke reactie zien bij de vis zodra de visborden tot ongeveer 50 meter zijn genaderd. De vis neemt nu de drukverstoring van de visborden waar en reageert op de drukverstoring door ervoor weg te zwemmen. Hierbij zal de vis opzoek gaan naar een positie tussen de borden waar de drukverstoring het minst is. Vissen die in de buurt van de visborden of buiten het pad van het tuig zijn, zullen niet worden gevangen.

Tot slot zal de vis de kabels opmerken die zich tussen het net en de visborden in bevinden. Vissen die zich in het gebied tussen de borden en kabels bevinden kun je vangen. Vissen buiten het pad van het tuig komen niet in het net terecht. Op het moment dat de vis zich tussen de kabels bevindt, zal het herding-effect zijn intrede doen. Dit effect heeft een grote invloed op het vangstvermogen.

Demersaal en pelagisch

Bij de bodemvisserij gebruik je het herding-effect voor het vangen van demersale vissoorten. Dit zijn de vissoorten die zich vlak boven, in of op de zeebodem ophouden. De pelagische visserij maakt ook gebruik van dit effect, maar hier vis je op vissoorten die zich in de waterkolom bevinden. Bij de pelagische visserij maken ze alleen geen gebruik van kabels tussen de borden en het net. In plaats van kabels gebruiken ze grote mazen. Zo hebben sommige mazen een maaswijdte van zo’n 60 meter.

Poon is een demersale vissoort die gevangen kan worden door gebruik te maken van het herding effect. — Zeevisserijbedrijf van Seters

Kabels

De kabels worden voortbewogen onder een bepaalde hoek. Doordat de kabels zich voortbewegen veroorzaken ze een drukverstoring en zandwolken. De verstoring die de kabels veroorzaken zal de vis waarnemen met zijn zintuigen. Hierdoor zal de vis een schrikreactie vertonen en bij de kabel vandaan zwemmen. Hierbij gaat de vis opzoek naar een positie tussen de kabels waar de verstoring minder is. Dit opjagen van de vis zal meerdere malen gebeuren, net zolang totdat de vis zich voor het net bevindt.

Onderzoek toont aan dat je het beste vangstresultaat behaalt bij kabels met een aanstromingshoek van 17°. De visborden hebben ook een belangrijke rol bij het herding-effect, ze kunnen het effect namelijk versterken. Dit kun je bereiken door de aanstromingshoek zo af te stellen dat de kabels precies in de baan van de zandwolken van de visborden liggen.

Gedrag vis

Vissen blijven voor het net uit zwemmen. Ze blijven dit net zolang doen totdat ze zijn uitgeput. Het uithoudingsvermogen van de vis is afhankelijk van de hoeveelheid glycogeen in het witte spiersysteem. Op het moment dat de vis uitgeput raakt, zal hij 180° draaien en naar het vistuig toe zwemmen. Hierdoor is de kans groot dat de vis in het net belandt.

De wijting (Merlangius merlangus) is een rondvis. — Oscar Bos/Wageningen Marine Research

Rondvis daarentegen heeft een aparte eigenschap, want rondvis zal ook zolang mogelijk voor het net uit proberen te zwemmen. Alleen zwemt rondvis naar boven zodra z’n energie bijna is verbruikt. Daarna maken rondvissen ook een draai van 180°. Doordat rondvissen naar boven zwemmen maken ze een kans om over het net heen te ontsnappen.

Ook de flyshootmethode maakt gebruik van het herding-effect. — Zeevisserijbedrijf van Seters

Tijdens experimenten met de bordenvisserij is ontdekt dat langere kabels tussen het net en de borden een positief effect heeft op het vangstvermogen. Het beviste oppervlak neemt namelijk toe door met langere kabels te vissen. Dit is ook duidelijk te zien in de ontwikkeling die de bodemtrawl heeft doorgemaakt. De effectiviteit van het herding-effect hangt af van een aantal factoren. Deze factoren zijn als volgt:

  • de aanstromingshoek van de kabels t.o.v. de trekrichting;
  • de vissnelheid;
  • zwemsnelheid van de vissoorten;
  • jaargetijde;
  • helderheid van het water; en
  • bodemgesteldheid.

18.1 De aanstromingshoek van de kabels

De aanstromingshoek van de kabels is van groot belang. Op het moment dat de aanstromingshoek te groot is, dan wordt de vis vaker opgejaagd en zal deze dus eerder uitgeput raken. Het gevolg daarvan is dat de vis over de kabel heen verdwijnt.

Op het moment dat de aanstromingshoek van de kabel te klein is, dan wordt de kabel minder goed waargenomen door de vis. Dit komt doordat het minder verstoring geeft in het water, met als gevolg dat de vis over de kabel heen kan verdwijnen.

Een bord van de pelagische trawler Maartje Theadora (ROS 171).

In het verleden is hier onderzoek naar verricht. Uit dit onderzoek is gebleken dat de ideale aan tromingshoek van de kabels op een waarde ligt van 17°.

18.2 De vissnelheid

De vissnelheid is net als de aanstromingshoek een belangrijke factor bij het herding-effect. Als de vissnelheid namelijk te hoog ligt, dan zal de vis moeten overschakelen van zijn rode spiersysteem naar zijn witte spiersysteem. Hierdoor raakt de vis eerder uitgeput en zal dan over de kabel heen verdwijnen. Als de vissnelheid te laag is, dan zal de vis de kabels minder goed waarnemen doordat ze minder verstoring geven. Het gevolg is dat de vis over de kabel heen zal verdwijnen.

Voor het behalen van een goede vangst is de juiste vissnelheid van groot belang. — Zeevisserijbedrijf van Seters

18.3 De zwemsnelheid

De zwemsnelheid van de vis speelt ook een belangrijke rol bij het herding-effect. Zo is de zwemsnelheid van de vis afhankelijk van de bouw van de vis en deze verschilt per vissoort. Het ligt ook aan de conditie van de vis. Als de vis in goede conditie is, dan kan hij een langere tijd met een hogere snelheid zwemmen. Je moet de vissnelheid dus goed afstemmen op de zwemsnelheid van de vis die je wilt vangen.

18.4 Het jaargetijde

Het jaargetijde is ook een belangrijke factor. Zo heeft het jaargetijde invloed op de locatie van de vis, want sommige vissoorten verplaatsen zich gedurende het jaar over verschillende gebieden. Daarom heeft een visser nooit één bestek waar hij het hele jaar vist, want hij moet de vis achterna om hem te kunnen vangen.

Het weer heeft ook een grote invloed op het succesvol toepassen van het herding-effect. — Stichting de Noordzee

Verder heeft het jaargetijde ook te maken met het weer. Bij vissen tijdens slecht weer neemt het vangstsucces af doordat het herding-effect dan minder goed werkt. Door het vissen in zeegang zal het schip enigszins gaan stampen en slingeren. Hierdoor valt de belangrijke factor, de constante vissnelheid, enigszins weg. Het gevolg hiervan is dat de visborden niet stabiel op de grond blijven staan door het slingeren van het schip en het variëren van de vissnelheid. Doordat de borden niet stabiel genoeg blijven staan werkt dit ook weer door in de kabels, met als gevolg een minder resultaat van het herding-effect.

18.5 De helderheid van het water

De helderheid van het water speelt ook een belangrijke rol bij het herding-effect. Als je in helder water vist, dan ziet de vis de kabel en stofwolk beter. Als je in dik water vist, dan zal de vis de kabels en stofwolk minder goed kunnen zien. Met dik water bedoelen wij troebel water. Daarnaast dringen de drukverstoring en trillingen die de kabels veroorzaken minder goed door in het water. Dit komt doordat ze gehinderd worden door alle deeltjes die zich in het water bevinden.

Op deze afbeelding kun je duidelijk zien dat er op het wrak (hard substraat) andere soorten voorkomen dan op de zandgrond. Het wrak biedt een andere leefomgeving (habitat) dan de zandgrond. — Stichting de Noordzee

Verder heeft de helderheid van het water ook te maken met het jaargetijde (stormen) en de stroming in het gebied. Door stroming en door stormen wordt het water in beweging gebracht met als gevolg dat de bodem omgewoeld wordt. Bij veel visserijmethodes heeft de helderheid van het water een belangrijke invloed op het vangstsucces.

18.6 De bodemgesteldheid

De bodemgesteldheid speelt ook een rol bij het herding-effect. Zo is het herding-effect verschillend bij de visserij op een gronderige bodem of op een steenachtige bodem. Bij een steenachtige bodem staat het tuig niet altijd stabiel door de stenen die zich in het visgebied bevinden. Het gevolg hiervan is dat de staartwerveling van het visbord soms wegvalt en hierdoor neemt het vangstresultaat af.

Zanderige zeebodem. — OCEANA

Bij het vissen op ongelijke grond geeft het herding-effect ook een verminderd resultaat. Dit komt doordat de kabel op sommige momenten helemaal geen contact maakt met de zeebodem. Hierdoor zien de vissen geen stofwolk, al voelen ze wel een drukverstoring. Doordat de kabel op een ongelijke grond af en toe van de grond afkomt, ziet de vis kans om onder de kabel door te ontsnappen. Het visbord volgt hierdoor ook niet de bodem, waardoor de staartwerveling ook weer wegvalt.

19 Weekdieren

Weekdieren (mollusca) zijn dieren zonder botten of graten en ze hebben weke lichamen. Over het algemeen gebruiken deze dieren kalkachtige schelpen of platen als versteviging en/of bescherming van hun lichaam. Tot deze groep van dieren behoren onder andere de tweekleppige schelpdieren (Bivalvia), de slakken (Gastropoda) en de koppotigen (Cephalopoda), zoals te zien is in onderstaande afbeelding. De volgende weekdieren staan beschreven in dit lesboek:

Slakken

  • de wulk (Buccinum undatum);
  • de alikruik (Littorina littorea).

Koppotigen

  • de gewone pijlinktvis (Loligo vulgaris);
  • de sepia/zeekat/inktkat (Sepia officinalis);
  • de dwerginktvis (Sepiola atlantica);
  • de kleine achtarm (Eledone cirrhosa).

Tweekleppige schelpdieren

  • de blauwe mossel (Mytilus edulis);
  • de Japanse oester (Crassostrea gigas) en de platte oester (Ostrea edulis);
  • de kokkel (Cerastoderma edule);
  • de strandschelp (Spisula);
  • het mesheft (Ensis);
  • de sint jacobsschelp (Pecten maximus).
Enkele groepen dieren die tot de weekdieren behoren. — ProSea

20 Beugvisserij

Het vissen met lijnen met haken werd al in het stenen tijdperk beoefend. Het is daarmee zeker een van de oudste vormen van vissen. Bij deze visserijmethode wordt er een lange hoofdlijn uitgezet met daaraan dwarslijnen met haken die voorzien zijn van aas. De beugvisserij (longline) is laag in energieverbruik en redelijk selectief ten opzichte van andere vismethoden. Over het algemeen is vis gevangen met de longline methode van een hogere kwaliteit ten opzichte van vis die gevangen is met sleepnetten en staande netten. Op de Noordzee wordt echter nauwelijks met lijnen gevist, alleen door enkele vissers uit Groot-Brittannië. In Noorwegen, IJsland en op de Faeröer-eilanden is de longline visserij zeer belangrijk en efficiënt. In het algemeen kan gesteld worden dat de longline visserij goed kan renderen op visbestekken die moeilijk door sleepnetten te bevissen zijn, zoals steenachtige bodems. Schepen die met deze methode vissen schieten honderden (kleinere schepen) tot vele duizenden haken (grotere schepen). Deze visserijmethode kan gedurende het hele jaar worden toegepast.

De demersale beugvisserij. — Seafish

20.1 Beschrijving

De Engelse vertaling voor beugvissen of lijnenvissen is longlining. Haken en lijnen zijn de belangrijkste attributen. De beug bestaat uit een lange hoofdlijn (de reep) waaraan op regelmatige afstand korte zijlijnen (de sneuen) bevestigd zijn met aan het einde een geaasde haak.

Vishaak

De haken die nu worden gebruikt zijn van getemperd staal gemaakt. Het materiaal van een haak mag niet te zacht zijn, want dan zou de haak door de vis rechtgebogen kunnen worden als hij probeert te ontsnappen. Ook mag het materiaal niet te hard en bros zijn, want dan kan de haak door een hoge schokbelasting breken. Om roesten te voorkomen worden haken meestal gegalvaniseerd of vertind.

Vishaken — Daniel Jaeger

Tegenwoordig zijn er duizenden verschillende haken op de markt. Deze haken verschillen in afmeting, materiaal, vorm van de punt, vorm van het oog, hoek die de bocht met de steel maakt, lengte van de steel en vorm van de bocht. Meestal wordt de afmeting van een haak aangeduid door de afstand tussen de punt en de steel, de zogenaamde opening. De aanduiding van een haaktype is niet genormaliseerd. Iedere fabrikant heeft zijn eigen systeem voor type en afmeting van een haak.

Onderdelen van de haak:

  • Haakpunt: er zijn rechte punten en gebogen punten. De rechte punten slaan aan en gebogen punten hebben een betere grip.
  • Weerhaak: bij haken zonder weerhaak kan een vis zich relatief makkelijk van de haak ontdoen.
  • Bocht: dit is het gebogen deel tussen de punt en steel van de haak. De bocht heeft twee functies, namelijk het haken en vasthouden van de haak in de bek.
  • Steel: de lengte van de steel heeft de functie om het bevestigingspunt van de lijn aan de haak een stuk van de bocht af te brengen.
  • Oog: bevestigingspunt van de sneu.
De verschillende onderdelen van een vishaak.

De afmeting van een haak wordt bepaald door de grootte van het aas. Het aas moet weer in overeenstemming zijn met de grootte van de natuurlijke prooi. De vorm van de haak wordt bepaald door de manier waarop de vis in het aas bijt en de vorm van de bek. In de commerciële visserij wordt soms voor een bepaalde haakvorm gekozen vanwege het gemak waarmee de vis van de haak verwijderd kan worden. De ligging van zachte plekken in de bek van de vis zijn van invloed op de vorm van zowel de haak als ook de punt.

De reep

De keuze van het materiaal van de reep hangt af van de manier waarop de beug wordt gebruikt. Zo wordt voor de drijvende beug materiaal gebruikt met een soortelijke massa die groter is dan die van zeewater, zodat de lijn zinkt. Meestal wordt gevlochten nylon of monofilament gebruikt wat vrijwel niet zichtbaar is in het water. Bij de bodembeug kan het een voordeel zijn als het materiaal van de reep en sneu lichter is dan water. De haak met aas wordt daardoor iets van de bodem opgelicht en komt buiten het bereik van krabben en andere rovers. De bodemreep is vaak donker van kleur, waardoor de reep minder goed zichtbaar is op de zeebodem.

De sneu

Factoren die de keuze van het materiaal van sneuen bepalen zijn de breeksterkte en de zichtbaarheid. Uitgangspunt is dat de breeksterkte minstens twee keer zo groot moet zijn als het gewicht van de te vangen vissen. De breeksterkte van de sneu moet altijd kleiner zijn dan de breeksterkte van de reep. Het materiaal waarvan een sneu gemaakt is wordt ook bepaald door de vissoort waarop gevist wordt. Als geen gevaar bestaat dat de sneu doorgebeten wordt, dan past men multi- of monofilament materiaal toe, zoals nylon. Bij het beugvissen op haai, tonijn en andere grote pelagische roofvissen gebruikt men sneuen die vervaardigd zijn van dun en soepel staaldraad. Dit voorkomt het doorbijten van de sneuen.

De sneulengte ligt meestal traditioneel vast. Soms is het vrijboord van het schip bepalend voor de sneulengte. Een langere sneu heeft een grotere kans om verward te raken op de zeebodem of aan dek. Als een reep van geslagen materiaal is gemaakt, dan moet de sneulengte langer zijn dan bij een gevlochten reep. Een geslagen reep draait bij het schieten, waardoor de sneu zich om de hoofdlijn windt. Bij een te korte sneulengte komt het aas te dicht bij de reep en is het aas niet of minder goed voor vissen bereikbaar. Om dit te voorkomen worden sneuen tegenwoordig aan een ring bevestigd die om een op de reep geperste huls kan draaien.

De afstand tussen twee sneuen moet zo groot zijn dat de haken niet met elkaar in contact kunnen komen als ze langs een gestrekte reep naar elkaar toe getrokken worden. Het is dus belangrijk dat de afstand van de sneuen groter moet zijn dan twee keer de sneulengte. De sneulengte en de afstand tussen de sneuen zijn ook afhankelijk van de soort waarop je vist. Bij het vissen op verspreid voorkomende grote vissoorten, zoals heilbot of tonijnachtigen, is de sneulengte groot. Bij het vissen op scholende vissoorten, zoals kabeljauw, moeten de sneulengte en sneuafstand klein zijn. Dit is belangrijk omdat de kans groot is dat de vissen geconcentreerd bij een klein deel van de beug zullen voorkomen.

De verschillende onderdelen van de beugvisserijmethode. — Australian Fisheries Management Authority

De beug

De beug wordt afhankelijk van de diepte waarop de vissen zich in de waterkolom bevinden op drie verschillende manieren uitgezet:

  1. Beug op de zeebodem: een beug op de zeebodem wordt gebruikt voor de vangst van vissoorten die zich op óf vlak boven de zeebodem bevinden. De beug wordt op de zeebodem uitgezet en met behulp van ankers in positie gehouden. In gebieden met een ruwe bodemgesteldheid en stroming kan de hoofdlijn beschadigd raken door het schuren. Dit kan voorkomen worden door de hoofdlijn afwisselend van verzwaring en drijvers te voorzien. De hoofdlijn komt dan voor het grootste deel niet meer in contact met de zeebodem.
  2. Beug op afstand van de zeebodem: er zijn perioden waarin demersale vissoorten zich op enige afstand van de zeebodem ophouden. De beug moet dan op een bepaalde afstand van de zeebodem gebracht worden. Dit kan bereikt worden door de hoofdlijn van drijvers te voorzien en de lengte van de ankerlijnen te vergroten. Hierdoor drijft de beug op een afstand van de zeebodem.
  3. Drijvende beug: de drijvende beug ligt vlak onder het wateroppervlak en wordt voornamelijk gebruikt voor de vangst van grote pelagische vissoorten. Grote vis houdt zich meestal op in de bovenste waterlaag. De drijvende beug wordt voor de vangst van snelle en wijdverspreide vissoorten gebruikt, omdat gesleepte of omringende vistuigen minder lonend zijn.

De diepte waarop de haken van een drijvende beug zich bevinden kan ingesteld worden door tijdens het uitzetten de afstand tussen de drijvers, waaraan de hoofdlijn met een seizing is opgehangen, te verminderen. De dieptevariatie die hierdoor bereikt kan worden is echter beperkt. Is een grote dieptevariatie gewenst, dan moet een langere seizing toegepast worden.

De beug kan op verschillende manieren worden uitgezet in de waterkolom. Op de zeebodem (links), net boven de zeebodem (midden) of drijvend in de waterkolom (rechts).

20.2 Werkwijze

Het is voor de werkwijze van belang om een onderscheid te maken tussen beugvissen met een modern beugsysteem of het beugvissen op de traditionele manier. Beide zullen besproken worden.

Beugvissen met een modern beugsysteem

Op het schip moet ruimte zijn om een beugsysteem te kunnen plaatsen. Er zijn verschillende geautomatiseerde beugsystemen op de markt. De voordelen van het gemechaniseerde beugvissen zijn:

  • het azen gebeurt tijdens het uitzetten van de beug, waardoor de haak die overboord gaat vers aas heeft;
  • het azen van de haken levert geen tijdverlies op;
  • alle handelingen voor het visklaar maken van de beug gebeuren aan boord, zodat de schepen na het lossen van de vangst direct weer naar zee kunnen en de beug onmiddellijk weer kunnen schieten;
  • per bemanningslid kunnen 2500-3000 haken per dag in zee geschoten worden;
  • nieuwe bemanningsleden zijn binnen enkele dagen ingewerkt. De door jarenlange ervaring verkregen handigheid van de bemanningsleden in het azen en visklaar maken van de traditionele beug is niet meer vereist;
  • het uitzetten en inhalen kan vrijwel continu verlopen;
  • de arbeid die de bemanningsleden moeten leveren is behoorlijk verlicht en de arbeidsomstandigheden kunnen verbeterd worden door het werkdek geheel of gedeeltelijk van een overkapping te voorzien.
Geautomatiseerd beugsysteem aan boord van een vissersboot. — Oilwind.fo

Bij de geautomatiseerde beugsystemen zijn er twee manieren om de reep op te slaan. Met magazijnrekken en met trommels. Bij het gebruik van magazijnrekken worden de haken in een magazijn opgeslagen. De sneuen en de hoofdlijn hangen onder het, in een rek geplaatst, magazijn. Het nadeel van dit systeem is dat de sneuen tijdens het uitzetten van de beug verward kunnen raken. Het voordeel is dat de hoofdlijn, sneuen en haken geïnspecteerd en gerepareerd kunnen worden.

Wordt de beug op een trommel opgeslagen, dan moet er onderscheid gemaakt worden tussen twee verschillende systemen. Er is namelijk een systeem waarbij de hele beug, dus de hoofdlijn met sneuen en haken, op de trommel gedraaid wordt. Maar er is ook een systeem waarbij de trommel alleen voor de opslag van de hoofdlijn dient en de sneuen bij het uitzetten en/of inhalen automatisch aan de hoofdlijn vastgemaakt of losgemaakt worden.

Een voordeel van sneuen die losgemaakt kunnen worden is dat de sneu niet doorgesneden hoeft te worden als een vis niet snel van de haak verwijderd kan worden. Een geautomatiseerd longline-systeem bestaat uit een:

  • automatische aassnijder: snijdt het aas in porties van de gewenste grootte en heeft een aasmachine die het aas tijdens het uitzetten aan de haken bevestigd;
  • hydraulische lijnophaler: haalt de lijn op, onthaakt de vis, reinigt de haken en laadt de lijnen terug op de cassettes.
Een automatische aassnijder. — Downeastboatforum.com

Ook het automatisch azen kan op twee manieren gebeuren. Iedere haak wordt geaasd of de haken worden op goed geluk geaasd. Bij het precisie azen wordt de haak door een aasmachine gevoerd. In deze aasmachine wordt de haak in de positie gebracht die voor het aanbrengen van het aas nodig is, waarna dit aas op precies dezelfde wijze aan elke haak wordt bevestigd.

Een schematische weergave van een aasmachine (links) en een schematische weergave van een hydraulische lijnophaler. — Mustad Autoline

Bij het lukraak azen worden haken door een bak getrokken waarin zich het gesneden aas bevindt. Het is hierbij niet zeker of elke haak geaasd wordt en ook de bevestiging van het aas aan de haak is erg verschillend. Hierbij is het aasrendement lager dan bij precisie azen, maar toch geeft deze manier redelijke resultaten. Dit is vooral zo als het aas van gelijke stevigheid is zoals bij inktvis. Bij het gebruik van een automatische aasmachine mag het aas niet te zacht zijn. Vaak wordt diepgevroren makreel, haring of inktvis gebruikt wat nog niet helemaal ontdooid is. Bij het beugvissen op rondvis in de Noordzee en bij Noorwegen is het gemiddelde gewicht van het aas ongeveer 30 gram.

Over het algemeen wordt er met deze methode vooral gevist op voor sleepnetten moeilijk te bevissen plekken, zoals stenenvelden. Met behulp van GPS en een kaartplotter vaart het schip naar de juiste locatie. De 2D/3D elektronische kaartplotter geeft dan de precieze ligging van het gekozen visbestek aan.

Bovenstrooms, naast het gekozen visbestek, wordt een eerste anker met boei uitgezet. Het uiteinde van een eerste longline wordt met dit anker vastgezet. De longline wordt door de aasmachine geleid en langzaam met de stroming mee langs het visbestek uitgezet. De aasmachine wordt gevuld met stukjes aas uit de aassnijder. De haken worden automatisch geaasd tijdens het uitzetten. Er kunnen verschillende longline cassettes gecombineerd worden tot één lange longline.

Zodra de longline helemaal is uitgezet, wordt het andere einde benedenstrooms op het visbestek verankerd. Ook wordt er een boei op gezet. Op dezelfde manier worden meerdere longlines aan beide kanten van het visbestek uitgezet. Na een bepaalde tijd worden de longlines via de geleidegoot aan de zijkant van het schip opgehaald door de hydraulische lijnophaler. Ook hierbij wordt met de stroom meegevaren. De hydraulische lijnophaler onthaakt de vis, reinigt de haken en laadt de longlines opnieuw op de cassettes.

Traditionele beugvisserij

De traditionele grondbeugvisserij wordt in Nederlandse wateren niet meer toegepast. Deze methode wordt voornamelijk langs de Engelse oostkust nog toegepast door kleinschalige kustvissers met een open boot. Een groot nadeel van de traditionele beugvisserij is de arbeidsintensiviteit en verder vergt het ook speciale kennis en vaardigheden. Het voordeel van de traditionele grondbeugvisserij is dat de beug voor het schieten twee keer geïnspecteerd en gerepareerd kan worden, namelijk tijdens het halen en tijdens het weer visklaar maken.

Aan de Engelse oostkust vist met nog met de traditionele beugvisserijmethode zoals op bovenstaande figuren te zien is. Dit is een kleinschalige en arbeidsintensieve visserij. — Glenn Kilpatrick

Voordat er met de traditionele grondbeug gevist kan worden moet men het aas in de juiste afmetingen snijden of hakken. Ook moeten eventuele aasresten en oud aas worden verwijdert van de haken. Vervolgens kan men beginnen met het azen van de haken en met het in bakken opschieten van de visklare beug. Bij de traditionele grondbeugvisserij worden de haken één voor één geaasd. Tijdens het azen worden de onderdelen van de beug geïnspecteerd en eventueel gerepareerd.

De geaasde haken moeten zorgvuldig op volgorde in een bak gelegd worden, zodat ze tijdens het schieten één voor één, zonder verward te raken, uit de bak getrokken kunnen worden. Als het opschieten van de geaasde haken niet goed gebeurd, dan kan bijvoorbeeld een groot aantal haken tegelijk uit de bak getrokken worden. Dit deel van de beug kan daarbij beschadigd raken en kan geen vissen meer vangen.

Ook het klaren van de, om de hoofdlijn (reep) gedraaide, sneuen moet gebeuren voordat er daadwerkelijk gevist kan worden. Elke lijn wordt daarbij zorgvuldig opgeschoten in een ronde bak, waarbij de punten van de haken op volgorde in een, aan de randen bevestigd, stuk kurk gestoken worden. De bakken met de opgeschoten lijn worden vervolgens in volgorde vlakbij de plaats gezet waar de beug over het achterschip of over de zijkant in zee geschoten wordt. Bij het schieten van de beug bestaat de kans dat een wegspringende haak in een lichaamsdeel of kledingstuk van een bemanningslid slaat. De beug, sneu en haak worden door een speciale, op het achterschip aangebrachte, goot overboord geleid om dit risico zoveel mogelijk te beperken.

De haken zijn netjes opgeborgen in een stuk kunststof. — Seafish

Het is bij deze vismethode belangrijk om rekening te houden met de richting en de sterkte van de getijstroom, de wind en de bodemgesteldheid bij het schieten van de bodembeug. Er wordt zo geschoten dat bij het inhalen van de beug, de kans dat de reep zijwaarts over de bodem getrokken wordt, klein is. Dit gebeurd vooral bij een oneffen of ruwe zeebodem. De beug wordt altijd over het achtersteven in zee geschoten. Het schip heeft daarbij een vaart van 5 a 6 knopen. Als de bak geschoten is, dan wordt het einde van de geschoten lijn aan de lijn in de volgende bak bevestigd. Bij koersverandering tijdens het uitzetten worden een extra anker en boei aan de beug vastgemaakt. Dit geeft de koersverandering aan die bij het halen van de beug gemaakt moet worden.

Binnenhalen van de vangst over de zij van het schip. — Seawasp

Het inhalen moet over de zij van het schip gebeuren. Het liefst voorlijker dan midscheeps, zodat het schip de beug langzaam vooruit varend kan inhalen. De haalsnelheid is ongeveer 1,5 mijl per uur. Voor het binnenhalen van de beug wordt een mechanisch of hydraulisch aangedreven lijnhaler gebruikt. De vissen worden van de haken verwijderd op het moment dat deze over de verschansing komen. Grote en dure vissen worden soms buitenboord eerst aan een pik- of speerhaak geslagen om te voorkomen dat ze losraken en overboord vallen op het moment dat ze over de verschansing komen.

20.3 Doelsoorten en bijvangsten

De doelsoorten en bijvangsten hangen sterk af van welk type beugvisserij er gebruikt wordt. Zo wordt er met grondbeug voornamelijk in het noordelijk gedeelte van de Atlantische Oceaan gericht gevist op demersale soorten, zoals heilbot, kabeljauw, leng en koolvis. In de maanden juli, augustus en september probeert men in de Noordzee hondshaai, leng, zeepaling en rog te vangen met deze methode. Deze vorm van beugvisserij is in vergelijking tot andere visserijmethodes behoorlijk selectief, waardoor er nauwelijks sprake is van ongewenste bijvangst. Een van de nadelen bij deze visserijmethode is dat vogels bijgevangen kunnen worden bij het uitzetten en halen van de beug doordat ze op het aas duiken.

Een heilbot gevangen met de grondbeugmethode in de Golf van Alaska. — csmphotos

Met de drijvende beug wordt er voornamelijk op grote pelagische vissen zoals tonijn en zwaardvis gevist. Deze vismethode wordt niet gebruikt in Nederlandse wateren, maar vooral in tropische/warmere wateren. Doordat de haken zich bij deze beugmethode vlak onder het wateroppervlak bevinden, is deze visserijmethode berucht om het bijvangen van vogels. Daarnaast worden er ook zeezoogdieren, zeeschildpadden en zeldzame haaien bijgevangen. Er wordt veel onderzoek verricht naar manieren om bijvangsten te verminderen, bijvoorbeeld door de vorm van de haak aan te passen, gebruik te maken van geluidssignalen en laserstralen om bepaalde dieren af te schrikken.

Door de vorm van de haak aan te passen kan bijvangst van bijvoorbeeld schildpadden worden verminderd. Zo is bovenstaande circle hook selectiever en richt deze haak ook minder schade aan bij vissen. — Western Pacific Regional Fishery Management Council

De soort vis die wordt gevangen hangt ook sterk af van het soort aas en de grootte van het aas. Kleine vissen zullen zich niet snel aangetrokken voelen tot het eten van een stuk aas dat groter is dan hun natuurlijke prooi. Daarnaast is het vrijwel onmogelijk voor een kleine vis om een grote haak met een groot stuk aas naar binnen te werken. Al zou een kleine vis proberen een grote, geaasde haak naar binnen te werken, dan zal de kracht die de kleine vis op de haak uitoefent meestal te klein zijn om de haak in de bek vast te zetten.

Met behulp van de seabird saver kan men doormiddel van geluid en laserstralen om zeevogels op afstand te houden. — Mustad Autoline

20.4 Gedrag van de vis ten opzichte van vistuig

Op het vangvermogen van een beug zijn verschillende factoren van invloed zoals:

  • waarnemingsvermogen van de vis (visueel en/of reuk);
  • fysiologische conditie;
  • zwemdiepte;
  • trekgedrag van de vis;
  • soort en afmeting van het aas;
  • vorm en afmeting van de haak;
  • sneulengte en afstand tussen de sneuen;
  • materiaal van de hoofdlijn en sneuen;
  • het weer;
  • bodemgesteldheid;
  • tijd dat de geaasde haken in zee staan.

Het is van groot belang voor het resultaat dat de vis het aas goed kan waarnemen. Daarnaast is het belangrijk om een goed werkende haak, die een lage ontsnappingskans geeft, te gebruiken. De beste resultaten worden verkregen als aas gebruikt wordt dat qua afmetingen, vorm en geur op de natuurlijke prooi van de doelsoort lijkt. Daarom geven vissers de voorkeur aan het gebruik van de natuurlijke prooi als aas. Dit aas is daarentegen vaak kostbaar omdat het om vissoorten gaat die ook geschikt zijn voor menselijke consumptie, zoals makreel, haring, sardien, inktvis, garnaal en mossel. Daarom wordt al jaren onderzoek gedaan naar kunstaas, zodat natuurlijk aas niet langer nodig is.

Als het aas door een vis is opgemerkt, dan zal een vis het aas op verschillende manieren benaderen. Met onderwatercamera’s is waargenomen dat het gedrag van de vis ten opzichte van het aas erg verschillend kan zijn. Soms wordt het aas na de waarneming onmiddellijk met hoge snelheid genaderd en verzwolgen. In andere gevallen wordt het aas langzaam genaderd, waarbij de vis vaak in steeds kleiner wordende cirkels om het aas zwemt.

Uiteindelijk wordt het aas in de bek genomen en soms spugen ze het weer uit. Dit laatste kan zich verschillende keren herhalen, waarna het aas tenslotte toch ingeslikt wordt. Maar dit gebeurd lang niet altijd, aangezien het aanvallende gedrag van de vis naar verloop van tijd afneemt. Dat kan komen doordat de vis meer ervaring krijgt. Een beug die vissen vangt met de langzame manier van benaderen heeft daarom meestal een lager haakgetal dan bij fel op het aas toeschietende vissen. Het haakgetal is een maat voor het vangvermogen en geeft het aantal vissen aan dat per 100 uitgezette haken gevangen wordt.

Men kan ook succesvol vis vangen met de beugmethode bij gebruik van kunstaas. — Seafish

Bij de grondbeugvisserij op bijvoorbeeld platvissen, kabeljauw en kleine haaien worden de beste vangsten behaald als de beug dwarsstroom geschoten wordt. Dat komt doordat deze vissoorten zich voornamelijk voeden met bodemdieren.

20.5 Verwerking

De verwerking is sterk afhankelijk van het type schip waarmee gevist wordt. Grotere schepen die met de beugmethode vissen blijven voor langere tijd op zee en beschikken over apparatuur om hun vangst in te vriezen. Kleinere schepen hebben geen vries- of visruim en gebruiken ‘’slurry’’ ijs in koeltubs en koelboxen.

Noorse longliner en een kleinschalige longliner. — Tersan Shipyards & J. Cumes

20.6 Duurzaamheid

De beugvisserij wordt over het algemeen gezien als een vrij duurzame visserijmethode. Het vissen met lijnen en haken is zeer selectief, want er kan gericht gevist worden op bepaalde soorten van een bepaalde grootte. Met deze visserijmethode is er dus geen bijvangst van ondermaatse vis en geen bodemberoering. De vis die met de beug gevangen is, is vaak beter van kwaliteit dan vis gevangen met sleepnetten of staande netten en levert vaak een hogere prijs op. Daarnaast is het energiegebruik van de beugvisserij zeer laag, waardoor de CO2-uitstoot beperkt is en de brandstofkosten laag zijn.

De belangrijkste kostenpost van deze visserijmethode is het aas. Het aanschaffen van aas heeft dus een grote invloed op de P van profit. Daarnaast is het type aas van belang voor de duurzaamheid van deze vistechniek. Als er natuurlijk aas wordt gebruikt, dan is het belangrijk om geen vissen, schelp- en schaaldieren te gebruiken die bedreigd en/of beschermd worden.

Belangrijkste kritiekpunt op deze vismethode is de bijvangst van vogels, zeezoogdieren, zeeschildpadden en beschermde haaien. Dit is met name van toepassing op de drijvende beugvisserij in tropische wateren.

Een wenkbrauwalbatros heeft een haak van een longline te pakken gekregen. Veel zeevogels sterven of raken gewond als ze een haak te pakken krijgen van een longline. — F. Peppes

21 Jigvisserij

De jigvisserij (vroeger in Nederland “kolvisserij” genoemd) maakt net als de beugvisserij gebruik van haken en lijnen. Deze visserijmethode heeft zich sterk ontwikkeld gedurende enkele eeuwen. Bij deze visserijmethode worden zogenaamde “jigs’’ gebruikt voor het vangen van vissen. Van oudsher gebruikt men een lijn met een zinklood (‘kollood’) met daaraan een bedekte haak. Hierbij werkt de bedekte haak als kunstaas en probeert men de natuurlijke prooi van de vis zo goed mogelijk na te bootsen. Het kunstaas wordt in het water meestal ritmisch op-en-neer bewogen (ook wel ”jigging” genoemd in het Engels), zodat het kunstaas op kleine, bewegende vissen lijkt. Maar bij sommige vissoorten is het laten afzakken van het kunstaas op de juiste hoogte al voldoende om ze aan de haak te slaan. De glimmende haken zijn voor sommige vissen al genoeg reden om toe te happen en dan zijn er geen veren of plastic kunstaas nodig voor het lokken van de vis.

De jigvisserijmethode maakt gebruik van haken en lijnen voor het vangen van vissen. — Seafish

21.1 Beschrijving

Oorspronkelijk werd deze vismethode toegepast door een enkele visser met een enkele lijn met daaraan een geaasde haak. Met name Fransen, Spanjaarden en Portugezen visten op deze manier op kabeljauw vanuit bootjes (‘dories’) die uitvoeren vanaf een moederschip. Later werden er meerdere haken aan de lijn bevestigd, waardoor er meerdere vissen tegelijk gevangen konden worden.

Een ”dory” met heilbot in Zuidoost Alaska. — Ward T. Bower

Deze kleinschalige vorm van visserij wordt nog steeds door sommige vissers gebruikt in Europa, bijvoorbeeld in de kleinschalige makreelvisserij in Zuidwest Engeland. Meestal gaat het dan om boten van maximaal 10 meter, waarbij een enkele visser een vislijn gebruikt met 20 tot 30 haken. Deze lijnen worden dan vaak handmatig bovengehaald. Deze manier van vissen wordt nog steeds beoefend, maar tegenwoordig kan er door technologische vooruitgang met meerdere lijnen tegelijk gevist worden.

Zo worden er tegenwoordig vaak jigmachines gebruikt. De jigmachine is een machine die met de hand, elektrisch of hydraulisch wordt aangedreven. Daarbij is de elektrische aandrijving het meest voor de hand liggend vanwege de eenvoudige installatie. Deze jigmachines zijn uitgerust met een aantal verschillende programma’s, waardoor er ook gericht gevist kan worden op verschillende soorten vis.

Met een jigmachine kun je verschillende programma’s kiezen. Hierdoor bewegen de haken verschillend door het water en kun je je verschillende doelsoorten richten. — Gaski Marine

Jigvisserij met makreel

Naast jigmachines zijn er ook katrollen, spindels en onthaakbakken nodig voor de jigvisserij op makreel. De katrol wordt gebruikt als eerste geleiding van de lijn vanaf de machine, daar er geen haken doorheen gaan. Spindels zijn een soort van diabolo’s waarover de lijn wegloopt, waarbij ook de haken geleid kunnen worden zonder dat deze blijven hangen. Afhankelijk van de lengte van de lijn met haken, kan men vele spindels gebruiken. Op die manier kun je tot wel 250 haken per machine gebruiken.

Voor de jigvisserij op makreel heb je katrollen nodig (links), spindels (midden) en een onthaakbak (rechts). — IMARES

Per machine wordt er één onthaakbak gebruikt. Deze bakken zijn van roestvast staal en met grote nauwkeurigheid gefabriceerd. De afstanden van de pijpjes in de bakken moeten zodanig zijn dat de breedte van de haak er door heen gaat, maar het moet smaller zijn dan het breedste gedeelte van de makrelenkop. Zo niet, dan werkt het onthaken niet correct en gaan de makrelen door de onthaakbak heen. Een van de nadelen is dat de haken met hoge snelheid door de onthaakbak gaan en daardoor snel bot of stomp worden. Dit betekend dat haken vaak, bijvoorbeeld al na twee dagen vissen, vervangen moeten worden.

Voor de hoofdlijn wordt meestal Dyneema ™ gebruikt, daar deze gevlochten lijn veel trekkracht kan hebben en toch dun kan zijn (diameter 1.1 mm, 140 kg trekkracht). De onderlijn is van nylon, waardoor deze vaak lichter is dan de hoofdlijn (diameter 1.2 mm, 90 kg trekkracht). Een dunnere onderlijn wordt soms gebruikt van 0.9 mm (50-60 kg trekkracht) als de vis minder jaagt, maar dan zijn minder haken te gebruiken (maximaal ca. 15). Het aantal haken per lijn varieert sterk, zo zijn er lijnen te bestellen met 20 tot 50 haken. Beroepsvissers met grote aantallen haken (150+) maken deze lijnen meestal zelf zodat ze passend zijn op het schip.

Jigvisserij op kabeljauw

Voor deze visserij zijn geen spindels en onthaakbakken nodig. Een uithouder en een katrol per machine volstaat. Dezelfde lijn kan worden gebruikt en als onderlijn een 0.90 mm monofilament lijn met 3 haken maat 7/0 voorzien van kunstaas. Als lood kan een druppelvormig lood van 300 gram tot 1 kg gebruikt worden. Ook kan er in plaats van druppellood gebruikt gemaakt worden van een ‘pilker’. Een pilker is een vis gemaakt van lood met aan de onderzijde een driehaak, ook wel dreg genoemd, maat 6 of 7/0. Kunstaas kan variëren van ‘twisters’, ‘shads’ tot octopus.

Er bestaat veel variatie in kunstaas wat gebruikt kan worden voor het vangen van kabeljauw met de jigmethode. — Pilker-discount.de & Tsouros marine

Jigvisserij op pijlinktvis

Wereldwijd is het jiggen op inktvis de meest toegepaste vorm van jigvisserij. Jiggen op inktvis is in principe een oeroude vorm van visserij. In Azië vissen grote trawlers die gebruik maken van deze vismethode. Het geautomatiseerde vangstsysteem werkt technisch perfect. De vangst is afhankelijk van het visbestek, de aanwezigheid van stenen, de lichtsterkte van de maan en de zeestroom. Bij volle maan is het tij sterker en is de vangst minder. De jigmachines staan aan weerszijden achter de brug. Voor deze jigvisserij is het van belang dat men juist ‘s nachts in helder water vist. Het systeem werkt volautomatisch. De bemanning hoeft er niet voor op te blijven. Alleen de wachtsman moet een oogje in het zeil houden. Het uitgebreide bedieningspaneel zit aan de achterkant van de stuurstoelen in de brug.

Een schematische weergave van het jiggen op inktvis. — Australian Fisheries Management Authority

Boven de jigmachines zorgen zestien lampen van 2.000 watt elk voor een zee van licht in de nacht. Dat felle licht trekt kleine visjes aan waar de pijlinktvis op jaagt. De lijnen op spoelen zijn voorzien van verschillende kleuren fluorescerend kunstaas met korte haakjes aan de onderkant. Onder aan de lijnen hangt een loodje. De spoelen draaien de lijnen vloeiend naar beneden en halen deze schoksgewijs (jiggend) weer op. Dat gaat achter elkaar zo door.

Voor de jigvisserij op inktvis maakt men gebruik van lampen. De inktvis komt af op dit licht. — Bluedawe

Vanuit het donker schiet de inktvis als een pijl omhoog en slaat zijn tentakels om het aas, waarna de tentakels vast raken aan de haakjes van de jiggende lijn. Boven water draait de lijn over een diaboloblok en laat de inktvis los. Die glijdt vanaf het rek in een goot. Het jiggen op inktvis moet heel precies gebeuren. Soms kan het uren duren voordat de eerste pijlinktvis toeslaat. Er moet dus veel geduld worden opgebracht. Inktvis vissen is een seizoenactiviteit. Vanaf juni tot midden oktober is de meeste inktvis te klein en in die periode wordt er dus niet op gevist.

Een inktvis gevangen met een jig voor de kust van Pekan, Maleisië. — Kevin Poh

Al met al kan er geconcludeerd worden dat er met de huidige materialen en computergestuurde jigmachines met meerdere lijnen en haken tegelijk gevist kan worden. Hierdoor heeft de jigvisserij zich kunnen ontwikkelen tot een aantrekkelijke commerciële visserijmethode in sommige wateren.

21.2 Werkwijze

Voor de jigvisserij is er geen algemene werkwijze te beschrijven, want deze is sterk afhankelijk van de doelsoort. Voor iedere doelsoort kan er weer een verschillend menu worden gekozen op een jigmachine. Ook heeft iedere doelsoort weer zijn eigen soort aas en ieder schip weer zijn eigen opstelling. Daarnaast kan men bijvoorbeeld bij de jigvisserij op makreel kiezen voor verschillende vistechnieken, zoals:

  • driftend, wachtend op een school;
  • driftend, in een school;
  • trollend, zoekend naar een school;
  • trollend, in een school.

Driften betekent het schip met de stroom mee laten drijven om zodoende zonder voortstuwing makreel te vangen. Trollen houdt in dat het schip langzaam vooruit vaart. De vislijn staat dan niet verticaal in het water, maar onder een hoek. Zowel het trollen als driften kunnen succesvolle vangsten opleveren, al is de kans op het verstrikt raken van de lijnen groter bij het driften. Verder is het succes van de verschillende technieken van meerdere factoren afhankelijk, onder andere van de:

  • hoeveelheid beschikbare vissen van de doelsoort;
  • diepte waarop gevist wordt; en de
  • weersomstandigheden.

Het basisprincipe van alle vormen van jigvisserij is wel gelijk, namelijk het laten afzakken van lijnen met haken in zee en deze op-en-neer laten bewegen.

De onthaakbak jig-machine aan boord van de SCH-61. — A. Korving

21.3 Doelsoorten en bijvangsten

Vissoorten zoals kabeljauw, zeebaars, makreel, heilbot, koolvis, maar ook inktvis zijn hoofddoelsoorten in landen zoals Groot Brittannië, Frankrijk, IJsland, Zweden, Noorwegen en Denemarken.

Makreel gevangen met de jigvisserij. — A. Korving

21.4 Gedrag van de vis ten opzichte van vistuig

Net als voor de werkwijze, valt ook het gedrag van de vis ten opzichte van het vistuig niet op een algemene wijze te beschrijven. Het gedrag van de vis is sterk afhankelijk van de doelsoort.

Een skipjack tonijn gevangen met een jig in de vorm van een inktvis. — NOAA

21.5 Verwerking

Ook qua verwerking zijn er grote verschillen. Zo kan makreel bijvoorbeeld automatisch onthaakt worden in een onthaakbak, terwijl er ook kleinschalige visserijen zijn waar men de vis nog met de hand onthaakt. Bij de jigvisserij op inktvis draait de lijn over een diaboloblok en laat de inktvis los. De inkvis glijdt vervolgens vanaf het rek in een goot.

Ook wat betreft het koelen en de verdere verwerking aan boord zijn er grote verschillen. Op grotere schepen heeft men soms de capaciteit en apparatuur om de vangst in te vriezen, terwijl er aan boord van kleinere schepen gebruik gemaakt wordt van koeltubs en koelboxen met slurry ijs.

Pijlinktvis op ijs. — Nederlands Visbureau

Als men kijkt naar de kleinschalige jigvisserij op makreel, dan is het voor een goede prijs van belang dat de makreel dicht en onbeschadigd wordt aangevoerd. Deze makreel wordt vaak per stuk verpakt en wordt met name verkocht om er sushi en sashimi van te maken. Om de hoge kwaliteit van deze met de lijn gevangen vis te behouden, is het van belang om ervoor te zorgen dat de vis zo min mogelijk overgepakt hoeft te worden. Daarnaast is het belangrijk om verstoringen in de temperatuur zoveel mogelijk te voorkomen.

Het merendeel van makreel wordt als verwerkte makreelfilets (gerookt, gestoomd en al of niet gekruid) of in blik (in olie of met saus) aangeboden. — Nederlands Visbureau

21.6 Duurzaamheid

Deze methode levert nauwelijks discards op, heeft geen bodemberoering, weinig brandstofverbruik en kwalitatief uitmuntende vis. Er kan ook een hogere prijs voor worden gegeven vergeleken met de vis afkomstig uit de nettenvisserij.

22 Slakken (Gastropoda)

Slakken uit de zee worden in Nederland maar weinig gegeten. Dit laat niet weg dat sommige landen dit als een ware delicatesse zien. In Nederland zijn voor de visserij twee soorten slakken van belang: de wulk en de alikruik.

Een Alikruik (Littorina littorea). — R. Groeneveld
Een wulk (Buccinum undatum). — A. Hansen

22.1 Wulk

De wulk (Buccinum undatum) is geen doelsoort, maar wordt door sommige Nederlandse vissers als bijvangst gevangen.

De schelp van een wulk. — Biopix
Een wulk op een zandige bodem. — BioImages

De wulk behoort, samen met de noordhoren (Neptunea antiqua), tot de familie van wulkachtigen. De schelp van de wulk heeft zeven tot acht windingen en is grijs tot geelbruin. Over de breedte lopen ribben en in de lengte kun je groeilijnen zien. De noordhoren (max. 20 cm lang) wordt groter dan de wulk (max. 11 cm lang) en heeft meer ribben (reliëf) op de schelp.

De schelp van de noordhoren kan erg op die van de wulk lijken, maar wordt groter en heeft meer reliëf. — Aphotomarine

De speekselklier van de noordhoren bevat een licht giftig stofje (tetriamine). Hierom worden noordhorens soms uit de vangsten van wulken verwijderd. Hij kan wel gegeten worden, maar dan wordt de klier eerst verwijderd. Consumptie van (teveel) tetriamine kan leiden tot verschillende ziekteverschijnselen, zoals verlammingen en dubbelzien.

Een eikapsel van de wulk. — G. Geller-Grim

De wulk maakt een eikapsel om de eitjes heen en zet ze aan elkaar vast. Op die manier vormt zich een bal, zoals te zien is op de afbeelding hieronder. Deze kun je vaak op het strand vinden. Larfjes die uit het eikapsel komen hebben direct al een miniatuur schelpje.

Jonge wulken, al met een miniatuur schelp, kruipen uit het eikapsel. — D.P. Wilson

22.2 Alikruik

De alikruik (Littorina littorea) wordt in Nederland niet veel gegeten en gekweekt, hoewel hij in een aantal andere landen een ware delicatesse is. Deze slakken worden gekookt en vervolgens met een kromme naald uit het huisje gepeuterd. Ze worden vanuit Nederland geëxporteerd naar Engeland en Ierland. In de oesterputten in Yerseke worden ze tijdelijk opgeslagen. Er worden gele plastic flappen neergelegd in de oesterputten om de levende alikruiken van de dode te onderscheiden. De levende alikruiken kruipen op deze plastic flappen en hechten zich er met een slijmlaagje op vast. Zo worden alleen levende alikruiken bovengehaald.

Een alikruik op een steen. — Paul Morris

De alikruik is meestal niet groter dan 4 centimeter en heeft een kegelvormig zwart, soms groen tot bruinachtig, huisje. Het is een zeediertje dat zich in de waterlaag tussen eb en vloed vasthecht aan bijvoorbeeld een meerpaal, betonrand of steen. Bij eb kun je deze diertjes verzamelen. In Zeeland worden ze ook wel kreukels genoemd. De alikruik zet eitjes in doorzichtige eikapsels af. Deze eikapsels lijken op die van de wulk. Na enkele dagen kruipen de larfjes al uit de eikapsels en zwemmen ze eerst een tijd vrij rond, voordat ze een schelpje ontwikkelen.

23 Koppotigen (inktvissen en octopussen)

Inktvissen en octopussen horen samen tot de koppotigen (Cephalopoda). De verschillende soorten koppotigen kun je in twee groepen verdelen: de octopussen (achtarmen) en de inktvissen (tienarmen). In de Noordzee komen met name de volgende soorten voor:

Inktvissen

  • Sepia of zeekat (Sepia officinalis)
  • Gewone pijlinktvis (Loligo vulgaris)
  • Dwergpijlinktvis (Alloteuthis subulata)
  • Dwerginktvis (Sepiola atlantica)

Octopussen

  • Kleine achtarm (Eledone cirrhosa)
Verschillende koppotigen die in de Noordzee voorkomen. Aantekening: A. Sepia, B. Gewone Pijlinktvis, C. Dwerginktvis, D. Kleine Achtarm, E. Dwergpijlinktvis. — Bernard Picton, Wikimedia commons, Static.digischool, Bernard Picton & Oscar Bos

Visserij

In Nederland wordt er met name op één soort inktvis gevist, namelijk de pijlinktvis. Hiervoor wordt voornamelijk de flyshootmethode gebruikt. Ze kunnen ook gevangen worden met de jigvisserij, waarbij ze kunstaas op-en-neer bewegen in de waterkolom. Met name in het donker is dit een effectieve methode, want de inktvis wordt met licht naar het schip gelokt. Deze methode wordt voornamelijk op andere plaatsen in de wereld toegepast. Het gaat dan vrijwel alleen om de vangst van de pijlinktvis.

Gevangen inktvis op de visafslag. — Seafish

Naast deze gerichte vismethodes wordt de pijlinktvis, net als de dwergpijlinktvis, dwerginktvis en de sepia, met verschillende vismethoden in Nederland voornamelijk als bijvangst gevangen. De hoeveelheid gevangen koppotigen in de Noordzee neemt de laatste jaren toe. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het warmer worden van het zeewater, waardoor ze meer naar het noorden trekken dan voorheen. De kleine achtarm wordt zelden door Nederlandse vissers gevangen en geldt vrijwel altijd als bijvangst. Een enkele keer worden ze in de Waddenzee gevangen.

Viskist met sepia. — Seafish

Lichaamsbouw

In het noordoosten van de Atlantische Oceaan komen ongeveer 40 soorten inktvissen voor. Hoewel ze verwant zijn aan slakken en schelpdieren, komt hun levenswijze meer overeen met die van vissen. Vele soorten inktvissen zwemmen in dichte scholen en ondernemen uitgebreide seizoenstrektochten. Ze leggen pelagische eieren (eieren in de waterkolom) en jagen op prooien zoals vissen. Zelf worden ze gegeten door vissen en zeezoogdieren. Octopussen leven daarentegen meer op de bodem.

Anatomie van een Pijlinktvis (links) en een Octopus (rechts). Aantekening: 1. Mantel, 2. Kop, 3. Vin, 4. Armen, 5. Vangtentakels, 6. Knots met zuignappen — Wikimedia Commons

Het lichaam van de inktvis en octopus bestaat uit de mantel (1), een kop (2) met daaraan de armen. Aan de romp van de inktvis zitten vinnen (3) die worden gebruik om te zwemmen en te sturen. De inktvis heeft acht armen (4) en twee vangtentakels (5) met aan het uiteinde een knots met zuignappen (6). Met die vangtentakels vangen ze hun prooi, waarbij de armen worden gebruikt om de prooi naar de mond te brengen. De octopus heeft ook acht armen (4), maar geen vangtentakels.

De tentakels van de kleine achtarm (een soort octopus). Tussen de armen zit de bek, die nu ingetrokken is en daardoor niet zichtbaar. — Biopix

De armen van de inktvis en octopus zijn bezet met één of meer rijen zuignappen. Tussen de armen zit de bek, een soort harde snavel, bedoeld om voedsel te vermalen en in stukken te snijden. Deze snavel is goed te zien in onderstaande afbeelding. Hiermee kan zelfs het harde schild van een krab gekraakt worden. Inktvissen en octopussen ademen met hun kieuwen.

De snavelbek van een octopus is ontzettend hard en wordt onder andere gebruikt voor het kraken van schaal- en schelpdieren. — Tepapamuseum

Zintuigen

De koppotigen zijn van alle soorten weekdieren het hoogst ontwikkeld. Ze beschikken over zintuigen waarmee ze prestaties kunnen leveren die je kunt vergelijken met die van de gewervelde dieren. Ze hebben grote ogen met een lens waarmee ze bijzonder scherp kunnen zien in het water, zelfs scherper en met een groter gezichtsveld dan dat van de mens. Ook kunnen ze bijzonder goed ruiken met een orgaan dat boven de ogen zit en lijkt op een wrat.

Het oog van een inktvis. — Die Cephalopoden p.111

Intelligentie

Koppotigen, en met name octopussen, zijn zeer intelligente dieren. Ze kunnen symbolen en voorwerpen herkennen, voor lange tijd onthouden en zelfs gebruiken. Zo zijn er voorbeelden van octopussen die kokosnootschalen en glazen potten open-en-dicht draaiden, met zich meedroegen om er een optimale schuilplaats van te maken of iets anders mee te doen. Het inzicht van de octopus om voorwerpen mee te nemen, en soms zelfs te bewaren voor later gebruik, toont hogere intelligentie aan.

Een octopus ‘verstopt’ in een glazen pot. Doordat de octopus geen inwendig skelet heeft, is dit mogelijk. — T. Sequeira

Inwendige schelp

De meeste inktvissen hebben een schelp onder hun huid zitten. Dit is een overblijfsel van de vroegere uitwendige schelp, waarin het weekdier leefde. Deze plaat van kalk geeft stevigheid aan het lichaam en verhoogt het drijfvermogen. Op het strand kun je de inwendige schelpen soms vinden. Octopussen hebben geen inwendige schelp, waardoor zij hun lichaam in alle bochten kunnen wringen.

De inwendige schelp van een sepia, ook wel zeekat genoemd. In dierenwinkels worden de schelpen van de sepia, ook wel zeekat genoemd, ze als zeeschuim verkocht en dienen ze als kalkbron voor vogels en om hun snavel aan te slijpen. — Valter Jacinto
De inwendige schelp van een pijlinktvis. — D. Leeuw

Voortbeweging

Inktvissen zwemmen met behulp van vinnen die aan de zijkanten van hun lichaam zitten. Door deze heen-en-weer te golven kunnen ze zwemmen en sturen. Verder kunnen ze zichzelf snel wegschieten door water met kracht door een trechter te persen. Je kunt dit zien als een soort straalaandrijving. Ze schieten door het water met de armen recht naar achteren. Dit systeem werkt door een buis, een soort trechter, die in de mantelholte aan de onderkant van de kop van de inktvis zit. Het water stroomt via de zijkanten van deze mantelholte naar binnen. Vervolgens kan, door het samentrekken van spieren van de mantel, het water met kracht door de trechter naar buiten worden geperst.

Hier zie je een tekening van hoe een inktvis zich voortbeweegt. De manier van voortbewegen van inktvissen vormde ook een belangrijke bron van inspiratie voor de ontwikkeling van straalmotoren. — Love Life of the Octopus

Octopussen lopen met hun lange armen over de bodem, gebruikmakend van hun zuignappen om zich vast te houden. Ook de octopus heeft de straalaandrijving die hij gebruikt om te zwemmen, te ontsnappen aan roofdieren en om prooien te verrassen.

Een zwemmende octopus, kop eerst met de armen die volgen. — Albert Kok

Verdediging

Sommige soorten inktvis en octopus hebben een gifklier en/of inktklier. Met de inktklier kan hij een donkere wolk spuiten zodra een vijand te dichtbij komt. De vijand zwemt dan in die zwarte inkt en ziet niets meer. Op die manier kan de inktvis snel ontsnappen. Inktvissen kunnen ook van kleur veranderen door het uitzetten en samentrekken van de pigmentcellen. Hierdoor zijn sommige soorten ware meesters in de camouflage. Ze gebruiken het ook tijdens de voortplanting om met elkaar te communiceren.

Deze octopus stoot een inktwolk uit. Hij voelde zich waarschijnlijk bedreigd door de fotograaf. — Scubazoo Images

Voortplanting

De mannetjes inktvis of octopus brengt met een speciale arm, hectocotylus genaamd, een pakketje sperma over in de trechter van het vrouwtje. Zij transporteert het sperma naar de eitjes, in de eierstof of eileiders, waarna ze bevrucht worden.

23.1 Pijlinktvis

De gewone pijlinktvis (Loligo vulgaris) heeft een slank, langwerpig, torpedovormig lichaam dat eindigt in een ruitvormige vin. De kop met tentakels is langgerekt. Ze hebben acht korte armen en twee vangtentakels waarmee de prooi wordt gevangen. Deze kunnen gedeeltelijk worden ingetrokken.

De pijlinktvis. — A. Brisotto

De gewone pijlinktvis varieert van kleur, van vrij doorzichtig, zandkleurig tot bruin gekleurd. Meestal bedraagt de lengte maximaal 50 centimeter. Ze worden ½ tot 2 jaar oud. De dwergpijlinktvis (Allotheuthis subulata) lijkt sterk op de gewone pijlinktvis, maar wordt lang niet zo groot (maximaal 20 cm). Beide soorten pijlinktvissen komen voor in de Atlantische oceaan, het Kanaal en de Noordzee.

Dwergpijlinktvis. — St. Anemoon

Jagen

De pijlinktvis jaagt op vis zoals haring, sprot en zandspiering. Met behulp van de straalaandrijving kunnen ze snel op hun prooi afschieten. Op het laatste moment draaien ze zich dan razendsnel om en schieten de vangtentakels op de vis af. Met de zuignappen wordt de prooi vastgezogen en naar de snavelbek getrokken. Jonge pijlinktvissen zijn hier nog te klein voor en voeden zich eerst met dierlijk plankton (zoöplankton) en vissenlarven.

Voortplanting

Het vrouwtje produceert in één keer grote hoeveelheden eieren die ze aan wieren en stenen vastkleeft, zoals te zien is in onderstaande afbeelding. Dit kost zoveel energie dat het vrouwtje na de voortplanting meestal sterft. Na enkele weken komen de pijlinktvisjes tevoorschijn. Ze zijn dan al volledig ontwikkeld en kunnen zelfs al inkt spuiten.

Eieren van de pijlinktvis. — TC Prins
Een jonge pijlinktvis. — Hans Hillewaert

23.2 Sepia of zeekat

De sepia, zeekat of inktkat (Sepia officinalis) is een echte kleurkunstenaar. Ze gebruiken het niet alleen voor camouflage, maar ook voor snelle kleurwisselingen tijdens gevechten, de balts en de voortplanting. De kleuren, afhankelijk van zijn humeur, kunnen variëren van bruin met zwarte banden tot groenwit. Mede door deze kleurveranderingen is het schouwspel van parende sepia’s heel bijzonder, wat jaarlijks veel duikers naar de Oosterschelde trekt. De Oosterschelde is ook een belangrijk paringsgebied voor de sepia.

De sepia is in staat om zijn kleur te verwisselen, zoals goed te zien is op bovenstaande foto’s. — B. Picton & De Jong, Marine Life

De sepia wordt tussen de 20 en 40 cm lang en heeft normaal gesproken een strepenpatroon op de rug. Sepia’s komen voor in de Atlantische Oceaan, langs de gehele Afrikaanse kust en in de zomer aan de kusten van de Middellandse zee en in de Noordzee.

Jagen

Sepia’s zwemmen in groepen en jagen op de bodem naar kleine vissen, krabben en garnalen. Net zoals de pijlinktvis heeft de sepia korte mondarmen en twee lange vangtentakels. Aan de toppen van de tentakels staan vijf tot zes rijen zuignappen om de prooi vast te houden.

Zwemmende Sepia officinalis. — ©OCEANA/Carlos Minguell

Voortplanting

In het voorjaar trekken de sepia’s vanuit het Kanaal naar het kustwater (o.a. de Zeeuwse wateren) om zich daar voort te planten. De blauwzwarte, bevruchte eitjes (ongeveer 300 per keer) worden in trosjes van 20 à 30 op stenen of wieren gezet. Het vrouwtje sterft direct na het afzetten van de eitjes. Het mannetje vertrekt na het afzetten van de eieren naar warmere wateren en kan 3 jaar oud worden.

Bevruchte eitjes van de sepia. — Valter Jacinto

Na ongeveer 8 weken komen de jongen uit de eieren. Ze zijn dan ongeveer 1 cm groot, maar ze zijn dan al een exacte kopie van hun ouders. Ze kunnen al inkt spugen en van kleur veranderen. Het eerste dat de jongen doen zodra ze uit het ei komen is een beschut plekje in het zand zoeken. Daar graven ze zich dan in tot ze wat groter zijn. Wanneer ze groot genoeg zijn vertrekken ze naar de Noordzee.

Een jonge sepia. — D. Fenwick, Aphotmarine

23.3 Dwerginktvis

De dwerginktvis (Sepiola atlantica) is een klein, onopvallend inktvisje van slechts 2 tot 5 cm lang. Het beestje is wat plomp en zijn vinnen zijn ronde flapjes aan de zijkant van zijn lichaam die aan dombo-oortjes doen denken. De kleur is doorschijnend wit met gekleurde vlekken, waarvan hij de kleur kan aanpassen en zo kan wegvallen op de ondergrond. Dit inktvisje jaagt op kleine kreeftachtigen en visjes, vaak vanuit een hinderlaag. Meestal zit dit inktvisje dan half ingegraven in de zand- of slibbodem. De dwerginktvis komt voor van Noorwegen tot Marokko, van de laagwaterlijn tot in de open zee.

De dwerginktvis. — Mick Otten

23.4 Kleine achtarm

In de Noordzee komen waar weinig soorten octopussen voor. Eigenlijk komt alleen de kleine achtarm (Eledone cirrhosa) weleens in de Noordzee voor, alhoewel ze zich meestal ophouden in de Middelandse zee tot aan het Kanaal.

De kleine achtarm. — B. Picton

Hij heeft twee rijen zuignappen op zijn armen en kan tot 1 meter lang worden (2-3 kg). Deze soort is een echte rotskustbewoner en komt meer aan de Engelse kust voor dan aan de Nederlandse kust. De kleine achtarm krult vaak zijn armen op. Dit gedrag is ook terug te herleiden aan zijn Engelse naam (curled octopus) en Latijnse naam (cirrhosa; wat gekruld betekent). In de Noordzee worden de octopussen zelden groter dan 70 centimeter.

Jagen

De octopus jaagt op kreeften, krabben en mosselen. Hij schiet op de prooi af en verlamt de prooi met gif dat het zenuwstelstel aantast. Bij schelp- en schaaldieren kraakt hij de schaal stuk met zijn snavelbek. Als het een gevaarlijkere prooi is, dan spuit de octopus eerst een wolk inkt zodat de prooi nauwelijks meer kan zien. De octopus maakt hiervan gebruik om van achteren op de prooi af te schieten.

Voortplanting

Het vrouwtje zorgt langer voor de eitjes dan de pijlinktvis en sepia. Zij blijft na het afzetten van de eieren bij de eitjes, bewaakt ze tegen roofdieren en voorziet de eieren van verse zuurstof door water over ze heen te blazen. Wanneer de eitjes uitkomen sterft het vrouwtje van uitputting. Het mannetje sterft enkele maanden na de voortplanting. De jonge octopussen drijven in wolken plankton en leven van krabben- en zeesterlarven totdat ze groter worden en naar de bodem zinken. Daar verblijven ze gedurende de rest van hun leven.

De kleine achtarm die al voedsel zoekend op het Nederlands Continentaal Plat terecht komen, zijn vrijwel allemaal vrouwtjes. — Ecomare

24 Outrig

De outrig is een alternatief voor de boomkor. In tegenstelling tot de boomkor maakt de outrig geen gebruik van een boom voor het openen van het net. Om het net open te houden maakt deze vismethode gebruik van visborden. Je bespaart veel brandstof met deze visserijmethode (gemiddeld 45% ten opzichte van de boomkor). Dit komt door de lagere weerstand van het vistuig en doordat je vist met een lagere snelheid (drie mijl per uur). Ook zijn de materiaalkosten lager doordat er minder slijtage is dan bij de boomkor. Zo zijn er kotters die vissen met netten die al enkele jaren oud zijn, ondanks dat ze meerdere maanden per jaar intensief worden gebruikt. Wanneer de kotter binnen ligt, dan is er voor de bemanning meestal veel minder herstelwerk dan bij de boomkor. Met de boomkormethode heb je veel meer slijtage aan bijvoorbeeld de wekkers, kettingen en kabels. Verder is de kwaliteit van de gevangen vis beter omdat die niet is beschadigd tijdens het vissen.

De outrig methode is minder geschikt om tong te vangen en kent als voornaamste doelsoorten schol en Noorse kreeft (langoustines). Onderzoek uit 2007 toont aan dat de vangsten van Noorse kreeft soms vier tot vijf keer groter zijn ten opzichte van de boomkor. Kortom, de outrig vismethode is een zuiniger alternatief voor de traditionele boomkor. In België en Nederland vissen enkele kotters commercieel met deze vismethode. Weersomstandigheden en de bodemstructuur van de visgrond kunnen beperkende factoren zijn voor het beoefenen van deze visserij. Als het weer te slecht is, dan kan de lange kuil in de schroef komen. De periode van april tot september is geschikt voor het gebruik van deze vismethode, dus buiten de winterperiode om.

Hier zie je een outrig. — Wageningen UR

24.1 Beschrijving

Deze vismethode kenmerkt zich doordat het net wordt opgehouden door borden in plaats van een boom. Voor deze visserij kun je de volgende visborden gebruiken:

  • Rechthoekige visborden
  • V-borden (Dunbar borden, Thyborøn borden)
  • Ovale borden (Morgère borden)
Thyborøn borden (boven) met beweegbaar ketting trekpunt, een Durban bord (links beneden) met scharnierende beugel en een Morgère bord met vast trekpunt — SDVO

De borden moeten de juiste afmeting en gewicht hebben voor een optimale stand en spreiding. Het snijpunt (bevestigingspunt van de vislijn) en de trekpunten (bevestigingspunten van de bordenstroppen) zijn belangrijk voor de stand van de visborden. Extra gewicht op de zool of het gebruik van een opzetstuk verhoogt de stabiliteit. Belangrijk zijn de sleepsnelheid, verhouding vislijnlengte, lengte van de spruiten, lengte van de boven- en onderstrop en de trekkracht. Met de afstelling van die zaken kun je de visnamigheid beïnvloeden.

Een schematische weergave van de outrig methode — Gibo groep Accountants en Aadviseurs

Spreiding borden

Bij de outrig methode vis je met twee visnetten, aan elke giek één (zie afbeelding hierboven). De spreiding van de borden wordt beperkt door de lengte van de gieken. Wanneer de spreiding te groot is, dan kunnen de binnenste borden elkaar raken. Hierdoor kunnen de netten verward raken. De afstand tussen de twee binnenste borden mag ook niet te klein zijn. Bij een te kleine afstand zal de vangst sterk afnemen. De spreiding van de borden blijft tijdens het vissen niet constant.

Een vissnelheid van 2,5 tot 3,5 mijl geeft een optimale spreiding van het net (17 tot 18 meter). De gemiddelde spreiding van de beide tuigen is 35 meter voor de grotere kotters. Voor de kleinere kotters ligt de spreiding per tuig op ongeveer 8 meter. De lengte van de uitgevierde vislijn is ongeveer drie keer de waterdiepte. Verder zijn de lengte en plaats van het trekpunt van het visbord, en de onderlinge verhouding van de bevestigingskettingen van de spruiten aan het visbord en van de bordenstroppen zeer belangrijk. De kleinste aanpassing kan het gedrag van de visborden beïnvloeden.

De constructie van het vistuig.

Bordenstroppen

Je kunt de spruiten ook vastmaken aan het visbord door middel van een beweegbare beugel. Qua lengte kunnen de spruiten ongeveer 35 meter zijn. De bordenstroppen voor kleinere kotters die met lichte visborden vissen kunnen ongeveer 4 meter zijn. Voor de grotere kotters met zwaardere visborden zijn de bordenstroppen 7 tot 8,5 meter. De bovenste en onderste bordenstroppen hebben (ongeveer) dezelfde lengte. Is de bovenste bordenstrop korter dan de onderste, dan zal het visbord sneller op de hak trekken. Als de bovenste bordenstrop langer is dan de onderste, dan zal het visbord voorover lopen en trek je hem sneller in de zeebodem.

Er zijn elektronische systemen die het functioneren van het vistuig onder water kunnen volgen. Dit kan de schipper op de brug zien op een scherm. De borden moeten het juiste gewicht en oppervlak hebben om rechtop te blijven en het net optimaal te spreiden. Het zwaartepunt van het visbord bevindt zich onder het middelpunt. Met een extra zool of opzetstuk kun je de stabiliteit van het visbord verhogen.

Voorbeeld beschrijving tuig

Hieronder zie je een voorbeeld van een beschrijving van een volledig tuig:

  • Lengte kabel van spruitstuk tot visbord; 60 meter.
  • Visbord; Thyborøn type 80 inch Multi Perfect Special, 400 kg.
  • Totale lengte net (vlerken + kuil gestrekt); 60 m.
  • Vlerklengte; 21 m en hoogte 1,40 m.
  • De hele grondpees kan +/- 50 meter lang zijn bestaande uit ketting van 13 mm. Over de hele lengte van de pees kunnen rubberschijven bevestigd zijn. In het midden kunnen rubberschijven van rond de 30 cm bevestigd worden.
  • Lussen aan de onderpees zijn 45 m met een ketting van 8 mm. De UK 246 heeft geëxperimenteerd met onderpezen zonder lussen. Vermoedelijk blijft het tuig hierdoor niet voldoende aan de grond, waardoor de vangsten sterk afnemen.
  • Lengte kuil; 39 m.
  • Maaswijdte kuil; 80-100 mm.
  • Lengte rollenpees (kunststof); 12 m.

Square rockhopper

Een square rockhopper (bordjes-pees) bestaat uit afzonderlijke rubberen rechthoeken, bijeengehouden door stalen kabels en ketting. Bij het vissen komt deze pees sneller terug op de zeebodem als je bijvoorbeeld over een steen vist. Als je over een steen vist komt de pees namelijk los van de zeebodem. Bij de traditionele bollenpees duurt het dan langer voordat deze weer terugzakt op de bodem. Met een square rockhopper voorkom je dus het verlies van vis en vang je minder stenen en ander bodemmateriaal.

Onderpees met grote rubberen schuiven

Een bollenpees is gemaakt van grote rubberen schijven om te kunnen vissen in zeeduinen. Met behulp van deze pees kun je voorkomen dat stenen en vuil in het net komen.

Onderpees met grote rubberen schijven met kettinglussen.

Touwschot

Door een touwschot te gebruiken in combinatie met een bollenpees kun je het meevangen van stenen nog beter voorkomen. Op de tuigconstructie zijn variaties mogelijk, namelijk:

  • met en zonder enkele of meerdere kietelaars;
  • met en zonder kettinglussen aan de onderpees;
  • verschillende maaswijdtes (80 en 100 mm);
  • iets groter tuig met zwaardere onderpees en grotere visborden; en
  • verlengde kabels tussen spruitstuk en vlerken van 60 meter naar 100 meter.

24.2 Werkwijze

In dit hoofdstuk bespreken we de wijze waarop je de outrig normaal gesproken gebruikt. De hier beschreven werkwijze kan afwijken van de praktijk en verschillen per kotter. Het belangrijkste is dat een visser ten alle tijden rekening houdt met de veiligheid.

Uitzetten

Bij het uitzetten van het visnet volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met outrig:

  • bij het uitzetten worden eerst de gieken rechtop gezet tegen de mast. Je noemt dit ook wel ‘’het stoppen van de gieken’’;
  • vervolgens gaan de borden omhoog tot ongeveer driekwart van de giekhoogte;
  • daarna zet je de gieken op ongeveer 45 graden;
  • daarna leg je de touwstrop, die je om het net heen kunt slaan, tegen de reling;
  • met de jumper hijs je het beginstuk van het net en het middenstuk omhoog. De wekkers kun je dan goed uit elkaar halen;
  • daarna hijs je het achtereind op met de jumper;
  • vervolgens kun je de kuil naar achteren trekken en kun je de pooklijn dichtknopen;
  • je laat de jumper naar beneden zakken en dan kun je de jumper in de verdeelstrop inpikken;
  • de schipper kan nu vaart maken en dan vier je de tuigen met visborden kant voor kant uit;
  • de giek zakt langzaam en de jumper wordt losgegooid. Vervolgens kun je het visnet uitvieren.
Hier zie je hoe het net geopend wordt doormiddel van de waterdruk.

Binnenhalen net

Bij het binnenhalen van het visnet volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met de outrig methode:

  • je haalt de vislijnen in tot de visborden aan het visblok komen;
  • daarna zet je de gieken op ongeveer 45 graden;
  • met een pikhaak pak je het kuiltouw en deze doe je op de haalkop van de vislier;
  • daarna bevestig je de jumper aan de verdeelstrop. De jumper wordt opgedraaid, waardoor je de kuil boven de stortbakken van de vangstsorteerder kunt trekken;
  • je trekt de pooklijn los en de vangst valt in de stortbakken;
  • vervolgens schudt je de kuil om de laatste vissen te verwijderen;
  • daarna kun je de netten naar achteren trekken en knoop je de kuil weer dicht. Hierna kun je de netten weer uitzetten.
Het vistuig in de top van de giek.

Beëindigen van het vissen

Bij het beëindigen van het vissen volgt meestal deze procedure aan boord van een kotter met de outrig methode:

  • na het vissen moet je beide vistuigen aan boord zetten. Het binnenhalen van de vistuigen is hierboven al beschreven;
  • de jumper hijs je zo hoog mogelijk tegen het jumperblok;
  • je maakt een strop vast aan het achtereind;
  • daarna gaat de jumper omlaag en wordt deze in de strop ingepikt. Dit gaat zo door totdat alleen nog het laatste stuk net met de borden buitenboord hangt;
  • de visborden hijs je helemaal tot in de top van de giek, terwijl de gieken getopt staan;
  • daarna breng je de visborden langzaam op het dek en maak je ze met een strop zeevast.

Innovaties

Om de vangst van tong te vergroten zijn de outriggers volop bezig met experimenteren. Het doel is om de tongvangst te vergroten tot 25% van de totale weekvangst. Tegelijk moet het brandstofverbruik ten opzichte van de boomkor met 60% verminderd worden en het kettinggewicht in het tuig met 80% worden teruggebracht. Belgische outriggers hebben al langer ervaring met deze vismethode, vooral op bestekken in de stenen in de zuid.

Ongeveer 8% tot 13% van de vangst bestaat uit tong bij de Belgische vissers. Er is een nieuw outrig-net ontwikkeld door een nettenmaker in Denemarken, namelijk een net met dubbele midden. Dit net geeft drie meter extra spreiding en heeft als doel om meer tong en kreeftjes te vangen.

Ook zijn er testen gedaan met een tongflap. Dat is een stuk netwerk dat wordt bevestigd aan de laatste kietelaar en aan de eerste mazen van de onderzijde. Daarmee hoopt men te voorkomen dat de tong ontsnapt tussen de laatste kietelaar en de onderpees. De kettingpees is vervangen door een rubberen onderpees. Het brandstofverbruik blijft gelijk.

24.3 Doelsoorten en bijvangsten

De doelsoorten zijn vooral demersale vissoorten. Dat zijn soorten die op, in of bij de zeebodem leven. De voornaamste doelsoorten van de outrig zijn:

  • Schol
  • Schar
  • Kabeljauw
  • Wijting
  • Noorse kreeft

Qua bijvangst vang je met de outrig voornamelijk:

  • Tong
  • Tarbot
  • Griet
  • Tongschar
  • Zeeduivel
  • Rog

Ongewenste bijvangst

Naast deze genoemde doelsoorten en bijvangstsoorten worden er ook ongewenste bijvangst gevangen zoals benthos (zeebodemdieren). Hierbij kun je denken aan zeesterren, zwemkrabben en helmkrabben (5% tot 18% van totale vangst). Het vergelijkend onderzoek tussen de boomkor en de outrig laat zien dat er minder benthos worden bijgevangen met de outrig per bevist oppervlak. Met name soorten die zich in de bodem ingraven, zoals de gedoornde hartschelp en de grote strandschelp (zie onderstaande afbeeldingen) worden minder bijgevangen met de outrig methode.

Dat komt doordat de outrig lichter vist en minder kettingen gebruikt. Daardoor ontstaat er minder bodemberoering en hebben vissers ook minder last van het vangen van veen en stenen. Dit heeft een gunstige invloed op de kwaliteit van de vangst, welke hoger is voor de outrig. Zo toonde het vergelijkingsonderzoek tussen de boomkor en de outrig aan dat de schol bij aanlanden een onbeschadigde donkere zijde heeft (schubben waren nog aanwezig) in tegenstelling tot de schol gevangen met de boomkor. De schollen die zijn gevangen met de boomkor hebben meer kale plekken aan de donkere zijde. Verder vertoonde de witte zijde van de schol, gevangen met de outrigger, geen kneuzingen en rode puntjes.

24.4 Gedrag van de vis ten opzichte van het tuig

Het gedrag van platvis is bij het gebruik van de outrig vergelijkbaar aan het gedrag wat ze vertonen bij de boomkor. Belangrijke verschillen zijn wel dat de outrig:

  • een veel lichter vistuig is (mede door afwezigheid van een boom);
  • vist met minder/geen kettingen; en
  • een lagere vissnelheid gebruikt (2,5 tot 3,5 mijl).
De schar (Limanda limanda). — OCEANA/Juan Cuetos

24.5 Verwerking

Het verwerken van de vis aan boord van een kotter die vist met een outrig is vergelijkbaar met de boomkor. Belangrijk verschil is wel dat er minder zeebodemdieren worden bijgevangen met de outrig, waardoor je schonere boxen hebt. Dit heeft ook een positief effect op de overlevingskans van de ongewenste bijvangst. Ook komt dit de kwaliteit van de gevangen vis ten goede. In alle onderzoeken scoort de vangst van de outrig hoger op kwaliteit.

Kwaliteit kan worden bepaald aan de hand van de Quality Index Method, waarbij een score van 0 een verse vis betekend. Zodra de QIM score oploopt, neemt de versheid van de vis af. Onderstaande afbeelding laat de QIM scores zien van een vergelijkende visreis tussen een boomkor, SumWing en outrig. Daarbij scoort de outrig (rood) het beste.

De QIM scores van schol gevangen met een boomkor, SumWing en outrig. — IMARES

24.6 Duurzaamheid

De outrig vist lichter en met een lagere vissnelheid dan de boomkor. Hierdoor bespaar je veel brandstof. Een brandstofbesparing van rond de 50% is haalbaar ten opzichte van de boomkor. Dit is goed voor het milieu, maar ook voor de portemonnee. Een ander financieel voordeel is dat de materiaalkosten lager zijn doordat het materiaal minder snel slijt.

Verder is de kwaliteit van de gevangen vis beter. De gemiddelde vangst van maatse vis per bevist oppervlak is voor de outrig ongeveer gelijk aan die van de boomkor. Wel zijn er verschillen te zien in de vangstsamenstelling. Zo worden er met de outrig minder zeebodemdieren bijgevangen, maar zijn de tongvangsten ook lager. Sinds 2012 wordt er schol en tong aangeland met de outrig die MSC gecertificeerd is. Meer informatie over het MSC certificaat is te vinden in het artikel over de twinrig.

. De gemiddelde visserijresultaten van het onderzoek waarbij vergelijkend werd gevist tussen een outrig en een boomkor. Hieruit blijkt dat de outrig beter scoort op brandstofverbruik, deellonen en onderhoudskosten, wat resulteert in een beter visserijresultaat. — Gibo groep Accountants en Adviseurs

25 Twinrig

De twinrig komt oorspronkelijk uit de golf van Mexico waar dit vistuig in de jaren vijftig is uitgeprobeerd. In Australië werd er in de jaren zeventig mee gevist op garnalen en kreeften. Deze methode is in 1983 voor het eerst in Europa toegepast door de Denen. Vissers behaalden zulke goede resultaten dat ook vissers uit andere landen belangstelling gingen tonen. In Nederland kwam de interesse in de twinrig pas laat op gang in vergelijking met andere Europese landen. De twinrig is inmiddels een vismethode die veel wordt toegepast in Noordwest-Europa. Er zijn verschillende twinriggers actief in de Nederlandse en Belgische vloot. Er zijn ook kotters die gedurende het jaar met zowel de twinrig als ook de boomkor vissen.

Een kotter die vist met de twinrig methode. — Maritieme Fotografie

25.1 Beschrijving

De twinrig is een aangepaste versie van de klassieke bodemtrawl. Hierbij krijg je een horizontale netopening door het gebruik van visborden. Bij de twinrig zijn twee bodemtrawlnetten via een centrumgewicht aan elkaar gekoppeld (zie onderstaande afbeelding). Hierbij gebruik je een drie- of tweelijnen-systeem. Aan de buitenkanten bevinden zich de visborden. Die borden zorgen ervoor dat de netten horizontaal worden opengehouden. Een twinrig kan zo een spreiding krijgen van ongeveer 180 meter.

Twinrig uitvoeringen met een drie lijnensysteem (links) en een twee lijnensysteem (rechts). — IMARES

Met de twinrig kun je een groter oppervlak bevissen dan met een enkel net, waarbij de totale netweerstand en het motorvermogen hetzelfde zijn. Dit zorgt voor een hogere opbrengst van platvis. De verticale netopening is kleiner bij een twinrig, waardoor deze minder geschikt is voor het vissen op rondvis dan de traditionele enkele bodemtrawl. Twinriggers kunnen, als ze dat willen, ook deze enkele bodemtrawl optuigen.

Hier zie je de ombouw van een boomkorkotter naar een boomkor/twinrig kotter.

Vistuig

Het vistuig bestaat uit twee visborden, twee netten en een centrumgewicht. Daarnaast is het schip uitgerust met twee nettentrommels die onafhankelijk van elkaar kunnen draaien. Deze trommels zijn nodig om de kabels en netten op te slaan. Een ruim achterdek is gemakkelijk bij het uitzetten en inhalen van de tuigen. Bij schade aan de netten komt dat ook van pas.

Verder heb je nog een vislier met drie trommels nodig, zodat je de drie vislijnen afzonderlijk van elkaar kunt halen en vieren. Er zijn ook kotters die een middenlier en twee bordenlieren hebben. Ook zijn er schepen die op een automatische lierbediening vissen, de zogenaamde autotrawl. Bij dit systeem wordt de lier bedient door een computer die het net in de juiste (vang)stand houdt.

Een selectiepaneel met vierkante mazen.

Om het vissen te vergemakkelijken gebruiken veel vissers tegenwoordig sensoren die informatie geven over:

  • de stand van het net (2x);
  • de pitch (stand bord voor- of achterover);
  • roll (hellingshoek);
  • height (hoogte gemeten tot de bodem); en
  • de spreiding.

Vaak gebruik je een selectiepaneel. De maaswijdte varieert van 80 tot 120 mm. Netmaterialen die veel worden gebruikt zijn PA (polyamide of nylon), PE (polyethyleen) en PES (polyester). De diepte en breedte van het paneel variëren van 25 tot 100 mazen.

Voortuig

Het voortuig bestaat uit:

  • Vislijnen: Lengte varieert van 175 tot 375 m (afhankelijk van diepte). Diameter bedraagt 18 tot 26 mm. Vis je met dynema, dan gebruik je 28 mm met een beschermingsmantel. Daarmee komt de lijn op 34 mm. Vaak is de klomplijn ook dikker aangezien deze het meest voor z’n kiezen krijgt. Meestal is de verhouding vislijnlengte/waterdiepte 4:1 tot 7:1.
  • Visborden: Oppervlakte varieert van 2,5 tot 9,5 m2. Meest voorkomend is 6 m2. Het gewicht varieert van 275 tot 1500 kg, 600 kg wordt het meest gebruikt.
  • Centrumgewicht: Vaak een kluwen ketting, maar soms een rollende variant. Vaak gebruik je een boomkorslof. Het gewicht varieert van 175 tot 1500 kg. Een doorsneegewicht is 500 tot 600 kg.
  • Bordenstroppen: Varieert tussen de 6 tot 9 meter.
  • Kabels of voorlopers: Ligt tussen de 75 tot 210 meter met een diameter van 16 tot 20 mm. Bij Noorse kreeft zijn de kabels korter. De kabels zijn vaak voorzien van rubberschijven van 40 tot 60 mm. Tussen de kabels en de nokken van het net zitten de stroppen. De lengte van de kabels varieert.
  • Grondpees: De lengte is afhankelijk van de afmetingen van de netten. De grondpees is voorzien van rubberschijven. Een diameter van 55 mm komt voor, maar de diameter loopt op tot 120 mm. Tegenwoordig worden kietelaars gebruikt.
  • Netgeometrie: Netten hebben geen grote verticale opening. Deze varieert tussen de 1 en 4 meter, met een gemiddelde van 1,5 meter. De bordspreiding varieert tussen 100 tot 250 meter, waarbij het merendeel van de schepen vist met ongeveer 230-250 meter. De horizontale netopening is ongeveer 1/3 van de lengte van het net. Ondanks grotere netten dan bij de boomkorvisserij, kun je door de lagere vissnelheid en de lichtere uitvoering van de netten tot 25% besparen op de brandstofkosten.

Overschakelen

Het vistuig veroorzaakt weinig bodemverstoring als je het niet met wekkerkettingen uitrust. Er worden goede vangsten behaalt met vis van goede kwaliteit met de twinrig.

Overschakelen van de boomkor naar de twinrig is relatief makkelijk. Zo plaats je op het achterdek een portaalmast met een dubbele nettrommel. Verder gebruik je de bestaande vislieren voor de visborden. Voor de middenklomp moet eventueel een extra lier geïnstalleerd worden. De vangst wordt langszij op het voordek gelost en in de bestaande installatie verwerkt. Natuurlijk kun je er ook voor kiezen om extra aanpassingen door te voeren waardoor je de vangst op het achterdek kunt lossen. Dit maakt de vangstverwerking wel makkelijker.

Achterschip uitgerust voor de twinrig.

Multirig

Ook zijn er inmiddels schepen die vissen met meer dan twee netten, dit noemt men dan geen twinrig maar een multirig. Bij een multirig gebruikt men drie tot acht netten, zoals te zien is in onderstaande afbeelding.

Verschillende uitvoeringen van een multirig. Aantekening: A. Een triple-rig, B. Een quad-rig met een drielijnensysteem, C. Een quad-rig met een vijflijnensysteem, D. Een multi-rig met zes netten, E. Een multi-rig met acht netten — Seafish

25.2 Werkwijze

In dit hoofdstuk bespreken we de wijze waarop de twinrig normaal gesproken gebruikt. De hier beschreven werkwijze kan afwijken van de praktijk en verschillen per kotter. Het belangrijkste is dat een visser ten alle tijden rekening houdt met de veiligheid.

Uitzetten bij een hekkotter

Bij het uitzetten van het visnet volgt meestal deze procedure aan boord van een hekkotter met twinrig:

  • eerst vier je beide netten van de nettentrommel;
  • daarna kijk je of de drijvers op de bovenpees goed komen bovendrijven;
  • aan beide netten bevestig je kabels, deze zijn ook aan de nettentrommel bevestigd. Er zijn in totaal vier kabels, waarbij je twee kabels bevestigt met een G-schalm aan het centrumgewicht en twee aan de visborden.
Het uitzetten van een twinrig net. Aantekening: A. De middenlier voor het centrumgewicht, B. Dichtmaken van de kuilen, C. Overboord zetten van de kuilen, D. Het net van de trommel vieren, E. Middeling wordt overboord geleid, F. Kabels aan de visborden / centrumgewicht inpikken.

Binnenhalen bij een hekkotter

Bij het binnenhalen van het visnet volgt meestal deze procedure aan boord van een hekkotter met de twinrig-methode:

  • je haalt de drie vislijnen in totdat de visborden en het centrumgewicht achter de kotter op hun plaats hangen;
  • bevestig de thuishalers van de nettenrol aan de kabels en draai ze op totdat de bordenstroppen zonder spanning hangen;
  • maak de bordenstroppen los en leg ze veilig aan de kant. Nu kun je de kabels en het net op de nettenrol draaien;
  • als het kuiltouw bij de verschansing verschijnt, dan stop je de nettenrol;
  • maak de jumper vast aan het kuiltouw en draai deze op. Trek nu de kuilen boven de stortbakken. Je kunt de kuilen nu legen. Daarna kun je de netten weer uitzetten.
Het binnenhalen van een twinrig net. Aantekening: A. Bordenstroppen uit visbord / centrumgewicht pikken en in nettenrol inpikken, B. Kabels uit de visborden pikken, C. Netten op de nettenrol draaien, D. Kuil vol kabeljauw. — ProSea

Beëindigen van het vissen bij een hekkotter

Bij het beëindigen van het vissen volgt meestal deze procedure aan boord van een hekkotter met twinrig:

  • haal het vistuig binnen;
  • hang de kabels en de netten aan de thuishalers van de nettentrommel;
  • spoel daarna de netten schoon voordat ze worden opgedraaid;
  • vervolgens zet je de netten zeevast op de rol, net zoals de visborden.
Het beëindigen van het vissen bij een hekkotter met twinrig. Aantekening: A. Rubberkabels op de nettenrol, B. Het uitvieren van het net om het schoon te spoelen, C. Kuilen op de nettenrol draaien, D. Op de weg terug naar de thuishaven. — ProSea

Uitzetten bij een boomkorkotter

Het uitzetten van het visnet aan boord van een boomkorkotter met twinrig is vergelijkbare aan het uitzetten bij een hekkotter, zoals ook is te zien in onderstaande afbeeldingen.

Het uitzetten van het visnet aan boord van een boomkorkotter met twinrig. Aantekening: A. Het vieren van de netten van de nettenrol, B. Daarna volgen de rubberkabels, C. Het losmaken van de rubberkabel aan het middengewicht, D. Het losmaken van de thuishalers.
E. Het vastmaken van de thuishalers aan de visborden, F. Het vastmaken van de thuishalers aan het middengewicht, G. Uitvieren van het visbord, H. Uitvieren van het middengewicht, I. De jumper naar het achterdek, J. Vastmaken van de jumper.

Binnenhalen bij een boomkorkotter

Het binnenhalen van het visnet aan boord van een boomkorkotter met twinrig is vergelijkbare aan de procedure bij een hekkotter. Bij het halen van het vistuig is het belangrijk om de snelheid van het schip terug te brengen tot zeer langzaam. Daarna kun je beginnen met het inhalen van de vislijnen en de middenlijn. Als de visborden en het middengewicht boven zijn, dan kan de bemanning aan het werk.

Het beëindigen van het vissen bij een boomkorkotter met twinrig. Aantekening: A. Het halen van het middengewicht, B. Het halen van de visborden, C. Het visbord valt in de bordenvanger, D. De rubberkabel wordt van het middengewicht losgemaakt.
E. De haken worden aan de nettenrol vastgemaakt, F. De nettenrol draait het net op, G. De stroppen worden aan het schip vastgemaakt, H. De stroppen worden aan het schip vastgemaakt, I. De rubberkabels draaien op de nettenrol, J. Het eind van de rubberkabels, K. Na de rubberkabels komen de netten, L. De kuilen komen boven, M. De kuilen zijn boven, N. De kuilen kunnen geleegd worden, O. De kuilen draaien op de nettenrol, P. Het kuiltouw wordt aan de jumper bevestigd om de vis te boxen.
Q. Het kuiltouw wordt aan de jumper bevestigd, De jumper wordt laag gehouden door een touw met een oog erin, zodat de jumper niet langs de opbouw en de brug schuurt, S. De kuilen worden geleegd, T. De kuilen worden geleegd, U. Schone twinrig box met schol, V. Het touw om de jumper laag te houden wordt bevestigd aan de jumper, W. Het achtereind wordt afgestropt, zodat het met slecht weer niet van het dek afgetrokken wordt, X. De kuil wordt dichtgemaakt, Y. De jumper wordt weer naar beneden getrokken, Z. Daarna wordt het kuiltouw aan de kuil bevestigd.

25.3 Doelsoorten en bijvangsten

De voornaamste doelsoorten van de twinrig zijn schol en Noorse kreeft. Schol is met name interessant voor omgeschakelde boomkorvissers met een klein tongquotum, want tong laat zich slecht vangen met de twinrig. Door met de twinrig te vissen kun je als visser een overschrijding van je tongquotum voorkomen.

Bijvangst

Voornaamste bijvangsten van de twinrig zijn tarbot, Noordzeekrab, schar, tongschar, kabeljauw, mul en poon. Toch vangen twinriggers minder ondermaatse schol per eenheid inspanning (per etmaal op zee, per uur vissen en per hectare bevist oppervlak) met een kuil met mazen van 100 mm in vergelijking met boomkorschepen (zie onderstaande afbeelding).

Dit is wel verschillend per vistrek, want een gemiddelde vistrek van een twinrigger is ruim vier uur en bij een boomkor ongeveer twee uur. De ongewenste bijvangst bestaat voornamelijk uit ondermaatse schol. Daarnaast vangt een twinrigger ook benthos (zeebodemdieren), maar gemiddeld vangt een twinrigger 6 tot 60 keer minder benthos dan een boomkor.

Hier zie je het aantal scholdiscards per uur vissen voor 10+ en 8+ cm twinrigvisserij en 80 mm boomkorvisserij van een onderzoek uit 2004. — RIVO

Visgronden

De belangrijkste visgronden voor de twinrig liggen verspreid over de Noordzee. Zo vang je poon bijvoorbeeld veelal op dezelfde plaatsen als waar je vist met de boomkor. Dit is dus tussen Nederland en Groot-Brittannië in, maar ook in de Duitse Bocht. Poon heeft een aanvoerpiek in de periode mei tot oktober met de twinrig.

Poon op ijs. — Nederlands visbureau

Noorse kreeft vangt men ver uit de kust, meestal ten noordwesten van Nederland en in de Silverpit. Voor de Noorse kreeft ligt de aanvoerpiek in de periode juli tot augustus. Mul wordt het meest in de zomer aangeland. De aanvoer van wijting neemt tussen januari en augustus af, maar neemt vanaf augustus weer toe. Met name vlakke en harde zandgronden zijn geschikte visgronden voor de twinrig en deze visgronden kunnen ook vrij diep zijn, zoals het geval is bij de Silverpit en de Botneyground.

Noorse kreeft is een doelsoort van de twinrig. — ProSea

25.4 Gedrag van vis ten opzichte van het tuig

De visborden en het centrumgewicht slepen over de grond en zorgen voor stofwolken die de vis doet opschrikken. Door de stofwolken zwemt de vis naar het midden voor de kabels uit. Zodra de vis uitgeput is komt de vis in het net terecht. Ook zorgen de vislijnen voor vibraties in de waterkolom die daarmee de vis opjagen. De vissnelheid ligt rond de drie mijl. Als er met een te hoge snelheid wordt gevist, dan bestaat het risico dat de vis door het net en de kabels wordt ingehaald en zo ontsnapt. Een ander probleem is ook dat de borden dan omhooggaan en dat op den duur het net gaat zweven.

Vangvermogen

Het vangvermogen is afhankelijk van de helderheid van het water. Deze methode vangt het beste overdag en met gunstig weer. Bij troebel water neemt het effect van de stofwolken af en vang je minder vis. De twinrig methode is (nog) niet jaarrond geschikt. In het voorjaar (maart tot mei) wordt vaak gevist met andere vismethoden. In de zomermaanden (juli en augustus) is de twinrig aan de beurt.

De twinrigger MDV 2. — Hendrik Kramer

Het vangvermogen van de netten wordt bevorderd door het gebruik van kietelaars. Op harde grond wordt het tuig zwaarder gemaakt met zwaardere kietelaars. Je kunt ook het laatste stuk kabel voor het net vervangen door een zwaardere ketting. Ook kun je vissen met een hogere kabellengte (van 100 tot 250 meter).

Op slappe grond wordt licht gevist met een lichte, rubberen pees. Je kunt de rubberen onderpees ook doorhalen of juist laten vieren. Met slechter weer kun je wat gewicht op de onderpees aanbrengen. De bovenpees kun je iets verlengen. Sommige vissers passen geen veranderingen toe, maar variëren wel met de lengte van de vislijnen of van de kabels. De controle op de optimale stand van het vistuig kan geregeld worden met merkjes op de vislijnen of door het gebruik van sensoren.

25.5 Verwerking

Het verwerken van de vis aan boord van een kotter die vist met een twinrig is vergelijkbaar met de boomkor en outrig. Voor meer informatie kun je de lesboeken over deze visserijmethodes raadplegen.

Aan boord van de twinrigger MDV 1 staat een scholstripmachine voor het verwerken van de vangst. — Masterplan Duurzame Visserij

25.6 Duurzaamheid

De twinrig is een alternatief voor de traditionele boomkor. Het vistuig van de twinrig is in vergelijking met de boomkor veel lichter, omdat je meestal geen wekkers gebruikt. Verder veroorzaakt het vistuig relatief weinig bodemberoering als het niet met wekkerkettingen is uitgerust. Soms worden een aantal lichte kietelaars gebruikt. Door het lichtere tuig is er minder bodemberoering, wordt er minder ongewenste bijvangst gevangen en is de kwaliteit van de vis hoger ten opzichte van de boomkor.

Werkzaamheden aan het net van de Spes Nova (UK 205) die ook vist met de twinrigmethode. — ProSea

Daarnaast gebruikt de twinrig methode aanzienlijk minder brandstof dan de boomkorvisserij. Hoewel de netten groter zijn dan bij de boomkorvisserij, kan er door de lagere vissnelheid en de lichtere uitvoering van de netten tot 25% bespaard worden op de brandstofkosten. Dit resulteert ook weer in een lagere CO2-uitstoot.

MSC-certificaat

Schol gevangen met de twinrig kan in aanmerking komen voor een MSC-certificaat. Dit certificaat geeft aan dat de vis op een manier is gevangen die voldoet aan de standaard van MSC. Zulke standaarden worden opgesteld in overleg met de visserij, wetenschappers, natuurorganisaties, experts en belanghebbenden. In deze standaarden staan de eisen vermeld waaraan visserijen moeten voldoen om als duurzaam te worden gecertificeerd.

Zodra een visser een MSC-certificaat heeft ontvangen mag zijn vis verkocht worden met het MSC-logo erop. Het is bijzonder dat het MSC-certificaat is uitgereikt aan de twinrig-visserij met 80mm maaswijdte. Het kan gezien worden als een mijlpaal voor de Nederlandse vissersvloot, omdat met dit certificaat is bewezen dat ook vissen met een kleine maaswijdte duurzaam kan zijn.

Het MSC logo voor Noordzee schol en tong gevangen met de twinrig/flyshoot/outrig vismethode — CVO

Twinrig-puls

Er is ook getest met een twinrig-pulssysteem aan boord van MDV 1. Deze vismethode combineert de twinrig met een pulssysteem. Dit pulssysteem is vergelijkbaar aan het pulssysteem dat gebruikt wordt voor de pulsvisserij op platvis. Dit is een compleet nieuwe vismethode en het doel is om met deze innovatieve vismethode ook meer tong te vangen tijdens het twinriggen. In de praktijk zijn er nog teveel problemen met dit tuig en mede door het pulsverbod is de ontwikkeling stil komen te liggen.

De twinrig-puls voor het MDV schip Immanuel. — Visserijnieuws

26 Tweekleppige schelpdieren

In Nederland wordt een variatie aan tweekleppige schelpdieren (Bivalvia) bevist en gekweekt. De belangrijkste hiervan worden in dit hoofdstuk besproken, namelijk de:

  • mossel;
  • oester;
  • kokkel;
  • strandschelp;
  • mesheft;
  • sint jacobsschelp.

De tweekleppige schelpdieren die hier worden besproken eten grotendeels hetzelfde. Mosselen, oesters, kokkels, strandschelpen, mesheften en de sint jacobsschelpen; allemaal eten ze voornamelijk plankton. Daarnaast eten ze ook wel bacteriën en dode planten- en dierenresten, welke ze binnenkrijgen met het water waaruit ze hun voedsel filteren.

26.1 Gewone mossel

De gewone mossel (Mytilus edulis), ook wel blauwe mossel genoemd, komt veel voor langs de Nederlandse kust. Ze kunnen gevonden worden op harde ondergrond. Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan andere mosselen, palen, touwen of stenen. Ze komen voor in gebieden variërend van getijdezones tot dieptes van ongeveer 20 m. Al vele jaren is dit schelpdier een belangrijke doelsoort van Nederlandse vissers.

De gewone mossel (Mytilus edulis). — Wikimedia Commons

Kenmerken

De gewone mossel heeft een lange, asymmetrische schelp die vrij dun en hard is. Verder is de schelp blauwzwart gekleurd met een dun glanzend vlies dat bij het opdrogen snel afschilfert. De binnenkant van de schelp is parelmoer glanzend van kleur. Het heeft een slot zonder tanden.

Tekening van de gewone mossel (Mytilus edulis). — Seafish

Meestal bereiken deze mosselen een lengte van 3 tot 8 cm, maar in extreme gevallen kunnen ze zelfs 15 cm worden. Gekweekte mosselen zijn meestal 4 à 6 cm lang. De mossel bindt zich met behulp van byssusdraden (zie onderstaande afbeelding), ook wel baard van de mossel genoemd, vast aan hard substraat. Deze draden bestaan uit een soort kleefstof die kan worden aangemaakt door een speciale klier. Het zijn extreem elastische draden met aan het einde een hechtvoetje, welke aan de ondergrond zit vastgelijmd. Het wonderlijke is dat de lijm werkt in zeewater en blijft plakken op stenen, schelpen en zelfs op het slijm van bacteriën en algen (algenfilm). Nog geen enkele door mensen gemaakte lijm heeft deze combinatie van eigenschappen.

Byssusdraden zijn stevige eiwitdraden, waarmee een mossel zich vasthecht aan het substraat (soms ook wel eens baard genoemd). — Rijkswaterstaat

Verder heeft de gewone mossel een gespierde voet die donkerbruin van kleur is. Meestal bereiken ze een leeftijd van 2tot 3 jaar, maar ze kunnen maximaal 24 jaar worden.

Een ander kenmerk van mosselen is dat ze clusteren en op die manier mosselbanken vormen. Dit begint soms al in de larvefase. In dat geval vormt zich een cluster van mosselen in het water, welke zwaarder wordt naarmate meer mosselen zich eraan hechten. Uiteindelijk wordt het cluster zwaar genoeg om naar de bodem te zinken om daar te blijven liggen. Waarschijnlijk zenden larven die zich hechten een chemisch signaal uit waarmee ze andere larven ook stimuleren om zich te hechten.

Een drooggevallen mosselbank. — Ecomare

Mosselen die zich aan elkaar hechten kunnen uiteindelijk een mosselbank vormen. Dit kan beginnen met één mossel die zich hecht aan een schelp of steen, maar dit kan ook ontstaan door een cluster van mosselen wat zinkt naar de bodem. Mosselbanken vormen belangrijke leefgebieden voor andere soorten en zijn voedselrijke plekken voor tal van zeedieren en vogels. Mosselbanken zijn hotspots voor biodiversiteit; ze trekken veel verschillende soorten (bodem)dieren aan. Ze worden daarom ook weleens het koraal van het wad genoemd.

Er leven vaak allerlei soorten op- en rondom mosselbanken — ProSea

Eten en gegeten worden

Mosselen voeden zich met plankton. Het plankton zit in het zeewater wat ze naar binnen zuigen en wordt eruit gefilterd. Het water loopt langs de kieuwen en stroomt daarna naar buiten via de uitstroomopening. De kieuwen nemen zuurstof op en de trilhaartjes vangen het voedsel.

Een mossel tijdens het filtreren van water. — Biopix

Bij het binnenhalen van water komen er ook andere zwevende deeltjes, zoals slib- en zanddeeltjes, mee die via de uitstroomopening worden uitgeworpen/geloosd. Om te voorkomen dat deze deeltjes gelijk weer in de instroomopening terecht komen, worden ze eerst vermengd met slijm en daarna als kleine pakketjes uitgeworpen. Deze pakketjes, pseudofaeces genoemd, gedragen zich als grote korrels en zinken naar de bodem. Hierdoor komen de mosselen op een dikke sliblaag. Mosselen maken het water dus minder troebel doordat ze deeltjes invangen en laten bezinken. Eén mossel kan 1,5 liter water per uur langs zijn kieuwen pompen. De huidige mosselpopulatie kan het hele volume van de Waddenzee in één week filtreren.

De mossel voedt zich met plankton wat uit het zeewater wordt gefilterd. — Visgilde

Mensen eten graag mosselen, maar er zijn nog veel meer dieren die graag mosselen eten. Jonge mosselen worden voornamelijk gegeten door vissen en garnalen. Zodra ze groter worden is de schelp te dik voor deze roofdieren. Dan worden ze interessant voor verschillende vogelsoorten die regelmatig mosselen eten. Hierbij kun je denken aan meeuwen, scholeksters en eidereenden.

Meeuwen eten ook graag mosselen. — Ben Kerckx

Ook zijn er verschillende bodemdieren die zich tegoed doen aan mosselen, zoals zeesterren en de tepelhoorn. Zeesterren kunnen met behulp van hun zuignappen de mossel opentrekken. Vervolgens spuiten ze hun maagzuur naar binnen, waarna ze de mossel op kunnen slurpen.

De zeester vindt de mossel een smakelijk hapje. — Ecomare

De purperslak en de tepelhoorn, geduchte roofslakken, gebruikt een vergelijkbare tactiek. Ze boren een gaatje in de schelp met hun rasptong. Door dit gaatje spugen ze een zuur naar binnen dat het weefsel van de mossel afbreekt en vloeibaar maakt. De roofslak hoeft dan alleen nog maar het halfverteerde vlees uit de schelp te zuigen.

Voortplanting

Ieder jaar planten mosselen zicht voort rondom de maanden april – mei, wanneer de watertemperatuur stijgt. De mossel gaat dan ‘melken’, oftewel zich voortplanten. Een mossel laat dan miljoenen eieren of zaadcellen vrij in het water. Vrouwtjes en mannetjes doen dit ongeveer gelijktijdig, waardoor de eitjes in het water worden bevrucht. Er zijn aanwijzingen dat er in het voorjaar meerdere voortplantingsgolven voorkomen.

Mossellarven onder een microscoop. — Wageningen University & Research

Bij mosselen zijn er geen wisselingen van geslacht zoals bij de oester. Mosselen zijn vrouwelijk of mannelijk. In het eerste jaar kunnen ze onder gunstige omstandigheden al geslachtsrijp worden. De eitjes van de mossel zijn ongeveer 70 μm in diameter als ze in het water worden uitgestoten. De hoeveelheid eitjes kan variëren van 0,5 tot 10 miljoen. In het water worden de eitjes bevrucht door het eveneens in het water afgezette zaad. Eitjes die niet binnen 4 tot 6 uur (bij 18°C) bevrucht worden, kunnen zich niet verder ontwikkelen, terwijl het zaad binnen 1 à 2 uur zijn beweeglijkheid verliest. De periode van paaien is voor de mossel in Nederland van april tot en met juni. Vaak volgt er een tweede piek in de nazomer.

Ontwikkeling van de mossel. — Seafish

De larven die uit de eitjes komen zweven ruim een maand vrij rond in het water als dierlijk plankton. De larve voedt zich gedurende één tot drie weken met plankton (in het water zwevende microscopisch kleine plantjes en diertjes), voordat broedval plaatsvindt. Hierbij worden de schelpen van de larven te zwaar om in de waterkolom te blijven, waardoor ze naar de zeebodem zakken.

De mossellarve ontwikkelt een schelp. Zodra de mosselschelp te zwaar, zakt de mossel naar de bodem. — Seafish

Waar de larven uiteindelijk terechtkomen is afhankelijk van de stromingen, die de larven ver van hun brongebied kunnen brengen. Als ze in die tijd niet worden opgegeten of sterven van de honger, dan zullen ze zich vestigen op een harde ondergrond. De fase waarin larven zich vestigen aan de bodem wordt ‘broedval’ genoemd. Slechts één op de 100.000 eitjes overleeft en bereikt deze fase. Uiteindelijk zal maximaal 10% daarvan volwassen worden.

De gewone mossel (links) en de larven van de gewone mossel (rechts). — Zilte Zee & ILVO

De periode van bevruchting tot het vastzetten duurt ongeveer 20 dagen. De overleving tijdens de larvenfase en de mogelijkheid tot broedval zijn van groot belang voor het broedsucces. Over het algemeen treedt er grote sterfte op onder de larven en het broed. De overleving wordt geschat op minder dan 1% van de oorspronkelijk geproduceerde larven. Een belangrijke sterftefactor van het broed is voedseltekort door competitie met ander broed of met andere diersoorten. Het kleine mosselbroed is voedsel voor veel andere dieren zoals slakken, kleine krabben, garnalen en zeesterren.

26.2 Oesters

In Nederland worden twee soorten oesters gekweekt:

  1. de Japanse oester, ook wel de Zeeuwse creuse (Crassostrea gigas) genoemd.
  2. de platte oester (Ostrea edulis).

De Japanse oester komt van oorsprong niet in Europa voor. Deze oester is afkomstig uit Zuidoost Azië en Japan en is in de jaren zestig in Nederland geïntroduceerd. De platte oester is een oestersoort die van oudsher voorkomt in alle Zeeuwse wateren, maar tegenwoordig kun je ze voornamelijk vinden in de Grevelingen. Beide schelpdieren worden beschouwd als een delicatesse.

De japanse oester is ovaal en grillig gevormd. — Worms editorial board
De platte oester is ronder en gladder dan de japanse oester. — Wikimedia Commons

Jaarlijks worden in Nederland tussen de 20 en 35 miljoen Japanse oesters geproduceerd. Voor de platte oester ligt het aantal geproduceerde stuks een stuk lager. Zo lag de productie van de platte oester sinds 2001 jarenlang rond de 1 miljoen stuks per jaar. Echter, sinds 2013 is er een verhoogde productie. De productie van platte oesters wordt bepaald door de natuurlijke groei en aanwas, maar die groei en aanwas heeft te lijden gehad onder de bonamia parasiet. Sinds 2013 zijn er tekenen van herstel van platte oesters door de toegenomen weerstand tegen bonamia en de afname van de Japanse oester.

De aanvoer van Japanse oesters (blauw) en platte oesters (groen) in de afgelopen jaren in Nederland. — Wageningen Economic Research

De platte oester is de meest waardevolle oestersoort in Europa, deze plant zich moeilijker voort, is moeilijker te kweken en mede daardoor schaarser dan de Japanse. De Japanse oester groeit ook sneller. Zo is een Japanse oester na drie jaar consumptiegeschikt, terwijl de platte oester daar vijf jaar over doet. Daarnaast is de platte oester kwetsbaar voor de eencellige parasiet Bonamia sp., die een ziekte overbrengt welke verantwoordelijk is voor veel sterfte van platte oesters.

De Japanse oester kweek heeft veel last van een agressief herpes virus en de Japanse oesterboorder, een slak die gaatjes in de oesters boord. Als deze bedreigingen samen aanwezig zijn op een perceel, dan kan dat tot 100% sterfte van de Japanse oesters leiden.

De oesterboorder maakt een gaatje in de oester, waarna andere bodemdieren de oester opeten. — Wageningen University & Research

Wilde oesters

Er komen in Nederland ook wilde oesters voor. Dit zijn vrijwel altijd Japanse oesters, alhoewel er in 2015 ook een oesterbank met wilde platte oesters werd ontdekt voor de kust van Zeeland. Wilde oesters hebben in het algemeen minder vlees, omdat ze al hun energie steken in de groei van de schelp. Verder hebben de wilde oesters de neiging elkaar te overwoekeren, waardoor oesters op de wilde oesterbanken aan elkaar groeien. De wilde oesters zorgen wel voor zaadproductie. Dit zaad komt ook op de kweekpercelen terecht, wat soms problematisch is voor oesterkwekers. Het is de kunst van de kweker om van het zaad van de wilde oester uiteindelijk een marktwaardig product te maken.

Wilde schelpdierbank met o.a. Japanse oesters in de Waddenzee bij Schiermonnikoog. — Wikimedia Commons

De kweek van oesters

Er is in Nederland sprake van semi-natuurlijke oesterkweek. Jonge oesters worden op natuurlijke wijze ingevangen en verder opgekweekt op de bodem van kweekpercelen. Het opkweken van oesters op de zeebodem noemt men ook wel bodemcultuur. In Nederlands is dit de voornaamste vorm van oesterkweek. Naast de bodemcultuur heb je ook de off-bottom kweek. Hierbij worden oesters gekweekt in zakken of manden. Deze zakken en manden liggen op tafels of in kooien of hangen aan longlines.

Bodemcultuur

De opkweekpercelen liggen in de Kom van de Oosterschelde en in de Grevelingen. Deze gebieden zijn zeer geschikt voor de kweek van oesters door de temperatuur van het water, het zoutgehalte, de bodemgesteldheid, het zuivere water en de beschutte ligging.

De oesterkweker vangt het oesterbroed op met zogenaamde collecteurs op zijn percelen. Collecteurs zijn voorwerpen waar de oester zich aan vast kan hechten. Die voorwerpen hebben wel een vereiste: het moet de oesters stimuleren om individueel erop te groeien, zodat ze elkaar niet overwoekeren. In Nederland worden mosselschelpen gebruikt als hard substraat voor jonge oesters om zich aan te kunnen hechten.

Zodra de oesters geschikt zijn voor consumptie worden ze opgevist. Onder het kotje aan dek wordt de oesters handmatig gesorteerd. — oesters©Biondina voor DNA-beeldbank op www.laatzeelandzien.nl

Naast het opvangen van oesterbroed met collecteurs, maakt men ook gebruik van oesterbroed geproduceerd in speciale kwekerijen. In deze kwekerijen worden ouderdieren aangezet tot voortplanting, waarna de larven onder min of meer gecontroleerde omstandigheden worden opgekweekt. Tijdens het groeiproces verplaatst de kweker de oesters af en toe naar andere percelen. Het verplaatsen van oesters is nodig om ze optimaal te laten groeien. De Zeeuwse oester (creuse) wordt gemiddeld twee keer per jaar verplaatst. De platte oester wordt jaarlijks verplaatst.

De anatomie van de platte oester.

Het oesterbroed van de Zeeuwse oester en de platte oester wordt eerst in ondiep water een paar maanden opgekweekt. Hier blijft de oester een paar maanden liggen. Daarna wordt de oester verplaatst naar de percelen waar op dat moment de juiste natuurlijke omstandigheden heersen die passen bij de levensfase waarin de oester dan verkeert. In de laatste fase komen de oesters op de beste, schone gronden terecht met het voedselrijkste water en veel stroming. Hier is een continue toevoer van voedsel, waardoor het vlees in de schelp mooi vol wordt.

Voor de Zeeuwse oester is het verplaatsen niet alleen om de oester optimaal te laten groeien, maar ook om de vorm van de oester te beïnvloeden. De oester is namelijk geneigd schuin of rechtop te gaan staan en verschillende vormen aan te nemen. Door de oester van perceel naar perceel te verplaatsen krijgt hij niet de kans om rechtop te gaan staan en wordt hij ovaal van vorm. Door dit speciale proces heeft de kweker van een wilde oester een marktwaardig product van topkwaliteit gemaakt.

Oesters kunnen scherpe riffen vormen. — Bas Kers

Platte oesters hebben meer zorg en aandacht van de kweker nodig. De platte oester is gevoeliger voor ziekten en moet daarom nauwkeurig gecontroleerd worden. De exacte herkomst van de Bonamiasis ziekte is nog niet bekend. Er wordt continue onderzoek gedaan door de Europese Unie om te achterhalen welke factoren een rol spelen bij de ontwikkeling van de ziekte.

Klaar voor consumptie

Als de oesters klaar zijn voor consumptie, worden ze opgevist en aan de handelaren verkocht. De handelaar bewaart de oesters vervolgens in betonnen oesterputten of bassins. Hier staan de oesters in kratten in vers zeewater gestapeld. De befaamde oesterbassins in Yerseke staan in verbinding met de Oosterschelde via een waterinlaat. In de verwaterbassins wordt het milieu van de Oosterschelde zoveel mogelijk nagebootst. Het water wordt ververst met behulp van de getijden en pompinstallaties. Dit verwateren wordt gedaan om:

  • de oesters zichzelf te laten zuiveren van zand en slib;
  • de oester tot rust te laten komen. Het opvissen van de oester zorgt voor een aanzienlijke hoeveelheid stress. Stress kan van invloed zijn op de kwaliteit van de oester;
  • de sluitspier van de oester te trainen.
De oesters in de oesterputten. — Natural Holland

In de verwaterbassins wordt af en toe water toegevoerd en afgevoerd, waardoor ze afwisselend droog en onderwater staan. Na deze periode zijn de oesters in staat de schelp langer dicht te houden en kan de houdbaarheid worden verlengd.

Na de verwaterperiode worden de oesters bij de handelsbedrijven gesorteerd en verpakt. De platte oesters worden machinaal gesorteerd op gewicht. Zeeuwse oesters worden handmatig gesorteerd. Elke oester wordt nagelopen om te kijken of hij niet stuk is. Door op de oester te kloppen kun je horen of hij vol water zit. Als hij hol klinkt, is de oester lek en kan hij niet verpakt worden.

Het inpakken van oesters in speciale mandjes. — oesters©Woznitza voor DNA-beeldbank op www.laatzeelandzien.nl

Het verpakken van de oesters gebeurt handmatig. Oesters moeten in de verpakking altijd met de bolle kant naar beneden liggen. Zo blijft het vocht goed in de schelp zitten. De oesters worden verpakt in mandjes van 12, 25, 50 of 100 stuks.

Off-bottom cultuur

Voor Nederland is dit een nieuwe techniek, waarbij oesters in zakken en manden worden gekweekt. Deze zakken en manden liggen op tafels, in kooien of hangen aan longlines. Ten opzichte van de traditionele bodemcultuur is het voordeel dat er geen contact meer is met de bodem. Hierdoor heeft de voornaamste rover, de oesterboorder, vrijwel geen kans meer.

Hier zie je een voorbeeld van off-bottom oesterkweek, waarbij de oesters in zakken op tafels worden gekweekt. — Seafish

Voortplanting

De platte oesters en Japanse oesters verschillen in hun voortplantingsproces en worden daarom apart besproken.

De platte oester
Platte oesters beginnen hun leven als mannetje. In het voortplantingsseizoen, laat in de zomer (juli-augustus) als de temperatuur hoog genoeg is (zo’n 15 graden), laten ze hun sperma los in het water. Daarna veranderen ze in een vrouwtje, om direct in hetzelfde seizoen nog de eitjes te bevruchten. Bij een lagere watertemperatuur, zoals in Scandinavië, gaat deze verandering naar een vrouwtje langzamer. Hierdoor zijn de oesters daar niet meer in staat om in hetzelfde seizoen toe komen aan het produceren van eitjes en moeten ze wachten tot de volgende zomer.

De oesters laten hun sperma los. — Hama Hama

Het vrouwtje produceert tot een miljoen eieren per keer die ze in haar schelp houdt. Het sperma in het water haalt ze naar binnen, waardoor de eitjes kunnen worden bevrucht. Bij uitkomst van de eieren blijven de larven nog even hangen in de schelp van hun moeder. Daar ontwikkelen ze zich nog 8 tot 15 dagen door totdat ze kunnen zwemmen en voedsel verteren. Dan verlaten ze hun moeder en zweven ze rond in het water als plankton. Ze zijn namelijk nog niet sterk genoeg om zelfstandig te zwemmen en drijven dus met de stromingen mee.

Tekening platte oester. — Seafish

Na 8-10 dagen zetten de larven zich voorgoed aan de bodem vast. Als het lukt om zich vast te hechten, dan groeit de larve binnen twee tot vijf jaar uit tot een consumptieoester. Het grootste deel van de larven sterft echter af. Nadat vrouwtjes succesvol larven hebben voortgebracht veranderen ze in enkele dagen weer in mannetjes om het volgende seizoen weer als man te beginnen.

Japanse oester
De voortplanting van de Japanse oester is behoorlijk anders, en je zou kunnen zeggen: een stuk simpeler dan die van de platte oester. Een Japanse oester is namelijk óf een mannetje, óf een vrouwtje. Eicellen en zaadcellen worden vrij in het water losgelaten, waarna de eicellen worden bevrucht. Eitjes en larven missen dus de bescherming van de schelp van hun moeder en bevinden zich direct in het vrije water. De Japanse oesters planten zich voort in de zomer bij een temperatuur hoger dan 19 graden celsius.

Geopende Japanse oester. — Seafish

26.3 Kokkel

Voor 2005 werd er commercieel en grootschalig op kokkels gevist. Deze visserij stond ook wel bekend als de ‘mechanische kokkelvisserij’. Vanaf schepen werd gevist met de kokkelkor, een kooi op sleden met daartussen een mes. Een buis voor het mes spoot het zand tussen de kokkels weg, waarna ze werden opgevangen en via een zuiger werden opgezogen. Door een rooster met spijlen bleven alleen de grotere kokkels over die aan boord werden gezogen. De mechanische kokkelvisserij nam sterk toe en werd efficiënter, waardoor ook de vangst per schip vergrootte. Maar de kokkelpopulatie nam af en daardoor namen ook de populaties van verschillende schelpdieretende wadvogels af.

De mechanische kokkelvisserij (links) werd steeds efficiënter en is tegenwoordig verboden in de Waddenzee. Men vist nu hoofdzakelijk met de kokkelbeugel (rechts) op kokkels. — C. de Boer & Waddenzeeschool

Sinds 2005 is deze manier van kokkelvissen in de Waddenzee verboden. In de Oosterschelde en Voordelta mag in goede kokkeljaren nog met grote schepen op kokkels worden gevist. Tegenwoordig vist men in de Waddenzee alleen nog kokkels met “de hand”. Men harkt de kokkels bij elkaar met een kokkelbeugel, een soort hark met een zakvormig net. Kokkelvissers vangen sinds 2010 ook Japanse oesters mee. Oesters en kokkels aangevoerd door ‘handkokkelaars’ krijgen het keurmerk ‘Waddengoud’. Kokkels uit Nederland worden vooral gegeten in Spanje, Italië en Portugal in Tapas en Paella gerechten. In Nederland worden ze nauwelijks gegeten.

Kokkels zijn een waardevol product. Nederlandse kokkels worden voornamelijk geëxporteerd. — Vishandel Tel

Kenmerken

De kokkel (Cerastoderma edule) is meestal twee á drie cm (maximaal vijf), is geribbeld in de lengte en heeft over het algemeen een vuilwitte kleur. Kijk je vanaf de zijkant op de schelp, dan lijkt het wel een hartje. Vandaar dat de kokkel ook wel hartschelp wordt genoemd.

Ecomare

De kokkel leeft vooral in de getijdenzone en komt voor op dieptes tot 20 meter. De kokkel heeft een sterke voet die hij uit de schelp kan steken om zich in te graven in zand- en slibbodems tot een diepte van twee tot vijf cm. Jonge kokkels zijn het snelst en graven zich het diepste in, namelijk tot zo’n 20 cm.

Ook heeft de kokkel een voet om zich in te graven. — Ecomare
De kokkel heeft een siphon (een soort slurf) waardoor water naar binnen- en buiten stroomt. — Ecomare

De kokkelpopulatie in de Waddenzee wisselt elk jaar. Bij een minder jaar voor de kokkel krijgen schelpdieretende vogels het moeilijk. Er gaan dan veel vogels dood en de populaties van die vogels kunnen dan flink afnemen.

Eten en gegeten worden

Kokkels eten, zoals veel schelpdieren, plankton dat ze uit het water filteren. In de Waddenzee komen veel kokkels voor en worden ze door verschillende wadvogels en vissen gegeten. De vissen happen vaak ook alleen de siphon af, de slurf die boven de bodem uitsteekt en waardoor water naar binnen- of naar buiten stroomt. Een siphon kan uiteindelijk weer aangroeien.

Kokkels zijn ook geliefd bij een hoop wadvogels. — Ian Kirk

Voortplanting

Kokkels zijn of vrouwelijk óf mannelijk. Verder verloopt de voortplanting van de kokkel hetzelfde als die van de mossel. De bevruchting vindt dus in het water plaats. De kokkel heeft zijn paaitijd in juni en juli met vaak een tweede piek in september. De kokkellarve heeft een voorkeur voor modderig zand.

26.4 Strandschelp

Strandschelpen worden door maar een paar ondernemers gevangen met ongeveer dezelfde methode als de mechanische kokkelvisserij. Ze verschillen in de spijlbreedte van de kor en de zuigbuizen, want die kunnen langer zijn. Dit is afhankelijk van de diepte (tot wel 30 m). Die lange buizen zijn nodig omdat strandschelpen in de Noordzee dieper zitten dan kokkels in de Waddenzee.

De halfgeknotte strandschelp (Spisula subtruncata). — Biopix

Kenmerken

De meest soorten die onder deze familie vallen zijn driehoekig van vorm en hebben doorgaans een grootte van circa 3 cm. De stevige strandschelp (Spisula solida) is de grootste met 4,5 cm. Andere spisula soorten zijn de halfgeknotte strandschelp (Spisula subtruncata) en de ovale strandschelp (Spisula elliptica). De schelpen leven in het zand, in water met variabele diepten en in getijdenzones tot wel 100 meter. Hiervan vormt de halfgeknotte strandschelp het grootste aandeel van beviste strandschelpen.

de stevige strandschelp (Spisula sollida). — Ecomare

Voortplanting

De stevige strandschelp (Spisula solida) en de halfgeknotte strandschelp (Spisula subtruncata) zijn of vrouwelijk óf mannelijk. In de Noordzee plant de stevige standschelp zich voort in de maanden februari-mei/juni. Ze kunnen een leeftijd bereiken van 6 tot 10 jaar, alhoewel 10 jaar zeer zeldzaam is. De voortplantingsperiode voor de halfgeknotte strandschelp speelt zich af in het voorjaar en de zomer. In de Nederlandse kustwateren worden de dieren meestal 3, maximaal 5 jaar oud.

26.5 Mesheft

De Amerikaanse zwaardschede (Ensis leei) en de kleine zwaardschede (Ensis ensis), ook wel mesheften genoemd, worden door enkele Nederlandse schepen bevist. Bijna de hele vangst gaat naar Spanje en Italië, alhoewel men sinds kort ook naar China mag exporteren. De visserij op mesheften gebeurt in de Zeeuwse Delta en ten noorden van de Waddenzee.

De schelp van een amerikaanse zwaardschede. — Ecomare

De schelpdieren leven rechtop in het zand op de bodem van de zee. Het vissen op deze schelpdieren heeft nogal wat voeten in aarde, want de schelpen zijn erg broos en raken snel beschadigd. Voor deze visserij gebruikt men dus een speciale vistechniek. Zo worden de mesheften als het ware uit het sediment gezogen door een air-lift-systeem. Door lucht in een kor te brengen ontstaan er luchtbellen die omhoog schieten in een slag. Hierdoor ontstaat een zuigkracht die de messen meeneemt omhoog. Vervolgens worden ze door een soort korf opgeschept en binnenboord gehaald.

Het sorteren van de mesheften aan boord. — Visserijnieuws

Eenmaal aan boord worden de mesheften geselecteerd uit de vangst en nagekeken. Vervolgens worden de mesheften opgeslagen in silo’s. Elke silo kan ongeveer 400 tot 500 kilo bevatten. Tegelijkertijd worden de mesheften in de silo verwaterd, zodat ze gespoeld aan wal arriveren. De schelpen worden na aanvoer gewogen, gebundeld, verpakt en klaargemaakt voor transport. Hierbij kunnen ze levend worden bewaard of bevroren. Ook kunnen ze schoongemaakt verhandeld worden.

De gebundelde mesheften zijn klaar voor transport. — Nederlandse Vissersbond

Ook is er geëxperimenteerd met elektrisch vissen op mesheften. Zo zijn er diverse testen uitgevoerd in kuubkisten waarin mesheften in het zand zaten. De pulsvisserij op mesheften vereist namelijk andere vermogens en frequenties dan de pulsvisserij op platvis. Het effect van de pulsprikkel op de scheermessen zit een beetje tussen tong en garnalen in. De spiervoet van het dier wordt geactiveerd door de pulsprikkel, waardoor het scheermes zichzelf als het ware omhoog duwt uit het zand. Vervolgens komt het scheermes dan vrij op de bodem te liggen en kan dan door de kor opgezogen worden. Tot op heden is het slechts experimenteel toegepast en wordt er nog niet commercieel gevist met deze methode op mesheften.

De testkor die in de sleeptank van Stellendam is gebruikt om de pulseffecten te testen op mesheften. — Visserijnieuws

Kenmerken

De Amerikaanse zwaardschede kan een lengte bereiken tot 19 cm. Hij heeft een zeer langgerekte, gebogen schelp en is ruim zes maal zo lang als breed. De schelp is vaak voor een deel licht gekleurd en voor een deel bruin van kleur, waarbij er roze tot bruinpaarse bandjes over de breedte lopen. Ze spoelen regelmatig in grote aantallen aan op stranden, maar leven in slikgebieden van Zeeland en het Waddengebied. Oorspronkelijk komt deze soort van de Amerikaans-Canadese kust. In West-Europa is het dus een exoot. Waarschijnlijk zijn larven meegekomen in het ballastwater van schepen. Dit ballastwater kwam in het Duitse Elbe-estuarium terecht, waarna de soort zich zowel in noordelijke als zuidelijke richting heeft uitgebreid.

De Amerikaanse zwaardschede (Ensis directus) — Filip Nuyttens

De kleine zwaardschede (Ensis ensis) heeft een gemiddelde lengte van ongeveer 10 cm tot maximaal 12 cm. Onder de glanzend olijfgroene opperhuid staan roze tot bruinpaarse vlekken en bandjes. Ze hebben een vrij dunschalige, duidelijk gebogen, langgerekte schelp die ruim 7 keer zo lang is dan breed. Tegenwoordig worden ze zelden op het strand gevonden.

De kleine zwaardschede (Ensis ensis). — Jan Johan ter Poorten

26.6 Sint jacobsschelp

Wereldwijd bekeken is de sint jacobsschelp (Pecten maximus) één van de belangrijkste schelpdieren voor de visserij met jaarlijks meer dan een miljoen ton dat wordt opgevist. In Frankrijk, België, Engeland en Spanje worden deze schelpdieren gericht bevist. Nederlandse vissers vangen ze alleen als bijvangst, maar landen ze wel aan vanwege de hoge prijs die ze er voor krijgen.

Het is één van de populairste schelpen: de coquille. Maar wat is dat witte ding nou precies? De coquille is de sluitspier van de sint-jakobsschelp, zoals je hier goed kunt zien. — Wikimedia Commons

Sint Jakob

De Sint Jacobsschelp is vernoemd naar de heilige Jacobus de meerdere. Pelgrims namen de schelp mee ten teken dat ze de tocht naar Santiago de Compostella hadden voltooid. Later werd het een teken van de pelgrimstocht, waardoor struikrovers uit een erecode de pelgrims met rust lieten.

De Sint-Jacobsschelp op een bord van de Santiago de Compostela. — Andre Grunden

Kenmerken

De sint jacobsschelp kan wel 20 cm breed worden en is vaak vuilwit tot bruin gekleurd. Deze schelp komt voor van Noorwegen tot Portugal op een diepte tot 110 m. De sint jacobsschelp heeft een bijzondere strategie om roofdieren te ontlopen. Met lichtgevoelige plekjes op de rand van de schelp kan hij licht en donker waarnemen, waardoor hij een naderend roofdier kan opmerken. Wanneer het schelpdier dit opmerkt klapt hij zijn schelp snel open en dicht, waardoor hij zich afzet tegen het water en van de bodem opspringt en zelfs kan zwemmen.

De ogen zijn zichtbaar als glanzend zwarte vlekken op de rand van de mantel van de sint-jacobsschelp. — Wikimedia Commons

Voortplanting

De sint jacobsschelp is hermafrodiet, dit betekent dat ze zowel mannelijke- als vrouwelijke geslachtsdelen- en cellen hebben. Het melkwitte, sappige vlees is het mannelijke deel van het vlees (de klier) en wordt noix genoemd. Het vrouwelijke deel ligt ernaast, dit wordt corail of gewoon kuit genoemd en is wisselend bleekroze tot rood. De voortplantingsperiode ligt tussen mei en oktober. Andere namen voor de sint jacobsschelp zijn mantelschelp of jacobsmantel. In de handel worden ze meestal coquilles genoemd.

De sint jacobsschelp — Biopix

27 Bronnen

  • Bult, T. P., Schelvis-Smit, A. A. M., 2007. Een verkenning van de mogelijkheden van outriggen door vissers, uitgevoerd in het kader van het Advies van de “Task Force Duurzame Noordzeevisserij”.
  • Den Heijer, W. M., Keus, B., 2001. Bestaande vistuigen als mogelijk alternatief voor de boomkor.
  • Duurzame Noordzeevisserij, 2015. De duurzaamheid van het Outriggen.
  • Galbraith, R. D., Rice, A., 2004. An introduction to Commercial Fishing Gear and Methods Used in Scotland.
  • Hoefnagel, A., Van Veen, A., 2011. Project alternatief visplan duurzame platvisvisserij.
  • ILVO, 2008. INFOfiche Outrigger II.
  • Kuhlman, J. W., Van Oostenbrugge, J. A. E., 2014. Bodemberoerende visserij op de Noordzee.
  • Montgomerie, M, 2015. Basic fishing methods: A comprehensive guide to commercial fishing methods.
  • Polet, H., Depestele, J., 2010. Impact assessment of the effects of a selected range of fishing gears in the North Sea.
  • Seafish, 2010. Multi rig trawling – how it has developed.
  • Slijkerman, D. M. E., Bol, R. A., Velzeboer, I., Goudswaard, P. C., Hoefnagel, E., Quirijns, F. J., 2009. Overzicht van relevante informatie voor het MSC pre-assessment van de Nederlandse twinrigvisserij op schol.
  • Steenbergen, J., Van der Hammen, T., Schelvis, R., Van Giels, J., 2011. Vergelijkende studie naar alternatieve vormen van de boomkorvisserij.
  • Stichting voor Duurzame Visserijontwikkeling, 2008. VISSEN met VISIE.
  • Taal, K., 2009. Nieuwe vangstmethode samen vervolmaken.
  • Taal, K., Zaalmink, W., 2012. Vissen met zorg: factsheets kwaliteit en duurzaamheid staandwant-, puls-, twinrig- en flyshootvisserij.
  • Van Marlen, B., Vanden Berghe, Ch., Van Craeynest, K., 2009. Onderzoek naar de verbetering van tongvangsten in de outrigvisserij.

28 Passieve visserijmethoden

In dit lesboek zullen een aantal visserijmethodes worden besproken die vooral op kleine schaal worden beoefend door Nederlandse vissers. Deze visserijmethoden behoren tot de passieve visserijmethoden, ook wel staand want methodes genoemd. Dit betekent dat de vangst afhankelijk is van activiteit/beweging van de doelsoort ten opzichte van het vistuig. De visserij met sleepnetten behoort tot de actieve visserijmethodes (gaand want methodes), want hierbij gaat men actief jagen op een bewuste doelsoort. Onder passieve visserijmethodes vallen onder andere de:

  • Beugvisserij (longline visserij);
  • Jigvisserij;
  • Handlijnmethode;
  • Visserij met staande netten; en de
  • Visserij met potten en korven.

De Nederlandse vissersvloot vist met name met verschillende kormethodes, maar er is nog een groot aantal andere visserijmethodes. Met name toen de boomkorvisserij onder druk kwam te staan door de hoge brandstofprijzen en een groeiende maatschappelijke kritiek, werd er door vissers steeds meer gekeken naar andere visserijmethoden. Zodoende is er gekeken naar visserijmethodes die werden gebruikt in andere Europese landen om Nederland heen. Nederlandse vissers zijn daarmee gaan experimenteren, waaronder met enkele passieve visserijmethodes. Sommige van deze passieve visserijmethodes bleken succesvol en andere methodes bleken minder succesvol in Nederlandse wateren.

De handlijnmethode zal ook in dit lesboek worden behandeld. — Hengelsport

 De belangrijkste voordelen van passieve visserijmethodes zijn over het algemeen:

  • Relatief lage investeringskosten;
  • Een gunstig rendement (kosten ten opzichte van inkomsten);
  • De mogelijkheid tot het toepassen van meerdere vistechnieken, waardoor je als visser flexibeler bent (multi-purpose visserij)
  • Minder bodemberoering ten opzichte van de sleepnettenvisserij;
  • Hoge selectiviteit;
  • Betere kwaliteit vis (en daarmee mogelijk ook een hogere prijs); en een
  • Laag brandstofverbruik en verminderde CO2-uitstoot.

29 Handlijnmethode

Met de handlijnmethode wordt er in Nederland vooral gevist bij wrakken waar zeebaarzen in hoge concentraties aanwezig zijn. Voor het vangen van deze vis wordt uitsluitend een hengel gebruikt. Er wordt voor anker gevist bij een wrak, zandbanken of andere objecten waar de vis zich ophoudt.

Meerdere boten tegelijk aan het vissen met de handlijn. — Essies foto’s

29.1 Beschrijving

Deze visserijmethode wordt over het algemeen beoefend door kleine boten. Hierdoor is deze vorm van visserij sterk afhankelijk van de weersomstandigheden. Het zeebaarsseizoen loopt van mei tot oktober, maar meestal vist men van april tot december. Een handlijnvisser vist gemiddeld 70 dagen per jaar. Er wordt voornamelijk kunstaas gebruikt, zoals shads, pilkers, lepels, jiggen, pluggen en een enkele keer levend aas zoals zagers, mesheften of zachte krab.

Boot met handlijnvissers. — VBHL

De laatste jaren zijn het zeebaars- en kabeljauwbestand achteruitgegaan op de Noordzee. Hier zijn allerlei oorzaken voor te bedenken, zoals bijvoorbeeld klimaatverandering, slechte aanwas jonge zeebaars, maar ook overbevissing op deze bestanden wordt genoemd als één van de mogelijke oorzaken. Dat is niet onopgemerkt gebleven en er zijn daarom ook maatregelen genomen om het zeebaarsbestand te beschermen. Deze maatregelen zijn vastgelegd in het zeebaarsbeheerplan. Zo zijn er onder andere gebieden en tijden ingesteld waarin men niet op zeebaars mag vissen en is het aantal vissen die een (sport)visser mee naar huis mag nemen verlaagt.

Vissers die gevangen vis weer terugzetten (catch & release vissen) mogen het gehele jaar vissen op zeebaars. De verwachte overlevingskans van teruggezette (ondermaatse) zeebaars is waarschijnlijk hoog, mits niet te diep wordt gevist. Hierbij moet wel vermeld worden dat de haakpositie en daarmee de overlevingskans sterkt afhangt van het gebruikte aas, alsmede de ervaring van de visserman. — Wageningen University & Research

Het dalende zeebaars- en kabeljauwbestand heeft met name grote gevolgen voor de beroepsmatige handlijnvissers. Deze vissers kunnen niet overschakelen op het vangen van andere vissoorten, omdat hun hengel daarvoor niet geschikt is. Door hun kleinschaligheid zijn ze kwetsbaar en daarom heeft de Europese Commissie toegezegd om kleinschalige visserij te beschermen en voor te trekken.

29.2 Werkwijze

Zeebaars houdt zich voornamelijk op nabij scheepswrakken, steenstort, pieren en richels van zandbanken waar de getijstroom onderbroken wordt en er wervelingen en draaikolken in het water ontstaan. Door deze onregelmatigheden in de stroming kunnen aasvisjes in de war raken, waardoor ze voor zeebaars een gemakkelijke prooi zijn.

Er zijn veel (sport)vissers die vanaf een pier op zeebaars vissen. — Pixabay

Met behulp van GPS en een kaartplotter vaart het vaartuig naar een geschikte plaats. De elektronische kaartplotter geeft de precieze ligging van bijvoorbeeld een wrak aan. Bovenstrooms van het wrak wordt geankerd. Het schip meert aan één van de ankers aan en met behulp van de ankerlier wordt het schip op de gewenste positie geplaatst ten opzichte van het wrak. Hierbij moet zo min mogelijk geluid worden gemaakt om de zeebaars niet af te schrikken. Daarom wordt er ook niet over het wrak gevaren. Daarna worden de hengels uitgeworpen. Het is de bedoeling dat de vishaken precies boven of naast het wrak terechtkomen. Om dit te bereiken kan de visser met de lengte van de ankerlijn, de vislijn en met het gewicht van het lood variëren.

Handlijnvissen bij een wrak

Er moet rekening gehouden worden met de diepte en de stroomsterkte. De kennis en ervaring van de visser, maar ook de wendbaarheid van het schip spelen hierbij een grote rol. Als de vangsten op de gekozen positie tegenvallen, dan kan de ankerlijn verder worden uitgevierd om dichter bij het wrak te vissen. Er kan ook gekozen worden voor een ander anker, zodat een ander deel van het wrak bevist kan worden. Ook kan er gevarieerd worden met verschillende types kunstaas. Bij het volgende getij draait de stroom en wordt dezelfde procedure herhaalt aan de andere kant van het wrak.

29.3 Doelsoorten en bijvangsten

Zeebaars wordt graag gevangen door vissers, want er wordt in het algemeen goed betaald voor deze vis. Door het warmer worden van het zeewater is de zeebaars steeds noordelijker getrokken, waardoor deze vis tegenwoordig algemener voorkomt in de Noordzee. In de winter trekken ze naar warmere wateren in het zuiden en in de zomer trekken ze weer naar koelere wateren in het noorden. Een zeebaars kan waarschijnlijk 30 jaar oud worden.

Verspreiding van de zeebaars. Rood: komt zeker/vrijwel zeker/frequent voor; geel: komt misschien/soms voor. — FISHBASE

Volwassen zeebaarzen paaien in open zee, maar niet ver uit de kust. Zeebaarzen in de Middellandse Zee, de Zwarte Zee en de Golf van Biskaje paaien in de periode van januari – maart. Zeebaarzen in het Kanaal, de Keltische zee en de Zuidelijke Noordzee paaien in de periode van februari – mei. Na het paaien komen de eieren in de waterkolom terecht waar ze, afhankelijk van de watertemperatuur, na ongeveer 4 – 9 dagen uitkomen.

Een schematische weergave van de levenscyclus van de zeebaars. — Wageningen Marine Research

Nadat de larven uitgekomen zijn, trekken ze van open zee naar ‘kraamkamers’ in een rivierdelta. Hier blijven ze tot ze volwassen zijn. Jonge zeebaarzen zwemmen in scholen, terwijl volwassen zeebaarzen in kleinere groepen zwemmen. Zeebaarzen leven in zout en brak water en heel af en toe zwemmen ze de rivieren op. Ze kunnen een lengte bereiken van ongeveer 1 meter en een gewicht van 10 kg. Garnalen, weekdieren en kleine vis worden als voedsel gegeten door zeebaarzen.

Zeebaars is de voornaamste doelsoort van de handlijnvisserij. — Nederlands Visbureau

Kabeljauw is een belangrijke bijvangstsoort voor deze visserijmethode. Daarom koopt een merendeel van de handlijnvissers kabeljauwquotum, zodat de als bijvangst gevangen kabeljauw meegenomen en gemijnd mag worden.

Kabeljauw op ijs. — Essies foto’s

29.4 Gedrag van de vis ten opzichte van vistuig

In de wintermaanden zien zeebaarzen het kunstaas niet. Zij eten in de winter ’s nachts en in de zomermaanden juist overdag. Binnen het zeebaarsseizoen zijn er drie periodes die de keuze van vismateriaal, vistechniek en aas beïnvloeden.

  1. Bij de start van het seizoen zijn er wisselvallige vangsten van magere zeebaarzen. Na de winter vertonen de vissen een agressief voedselgedrag bij de zeebodem. Er wordt dieper gevist, waardoor er meer bijvangsten zijn. Om de bodem sneller te bereiken, wordt er meer lood gebruikt. Het troebele water bemoeilijkt het vissen. Dat is vooral het geval na stormweer.
  2. Tijdens de zomermaanden worden de zeebaarzen dikker en actiever, waardoor het nodig is het aasaanbod te variëren. De vissen jagen tijdens korte periodes enkele meters boven de zeebodem in heel helder water. Daarom kunnen er beter volledig nylon vislijnen gebruikt worden. Dat is doorzichtiger dan dyneema®. Naast zeebaars worden er dan ook vaak steenbolk en kabeljauw gevangen, want deze houden zich ook dicht op bij de zeebodem.
  3. In het najaar gaat de zeebaars opnieuw veel agressiever dichter bij de bodem jagen. Er wordt opnieuw dieper en zwaarder gevist en de helderheid van het water neemt weer af. Het vissen is nogal ingewikkeld, omdat de vis zich dicht boven de wrakken ophoudt. Dit kan leiden tot materiaalverlies.
Zeebaars aan de haak geslagen. — Essies foto’s

29.5 Verwerking

De vissen die worden gevangen worden direct gedood zodra ze aan boord komen. Daarna worden ze gelabeld en op ijs gedaan. Deze vissen worden vervolgens ook verhandeld via de visafslag.

De aan de haak geslagen zeebaars wordt binnengehaald (links), gelabeld (midden) en op ijs gedaan (rechts). — VBHL

29.6 Duurzaamheid

De handlijnmethode levert nauwelijks ongewenste bijvangst op, heeft geen bodemberoering, een laag brandstofverbruik en het levert vis op van een hoge kwaliteit. Vaak wordt er een hogere prijs gegeven voor handlijngevangen zeebaars in vergelijking met de vis afkomstig uit de nettenvisserij. In 2011 kregen 21 vissers die zijn aangesloten bij de Vereniging van Beroepsmatige Handlijnvissers Nederland (VBHL) het MSC-certificaat voor hun manier van vissen.

Dit MSC-certificaat werd in 2015 echter geschorst, want toen voldeed deze visserij niet meer aan de eisen die door MSC worden gesteld. Dat komt doordat er met deze visserijmethode gericht gevist wordt op zeebaars, terwijl dit visbestand onder druk staat. Als oorzaken hiervan noemt men de toegenomen visserijdruk van de laatste jaren in combinatie met achtereenvolgende jaren van slechte aanwas van jonge zeebaars.

Door de toegenomen gerichte visserij op zeebaars in de Zuidelijke Noordzee en de afname van het aantal jonge zeebaars, zijn er maatregelen genomen om het zeebaarsbestand te beschermen en te herstellen. Dat zal consequenties hebben voor vissers uit landen als Frankrijk, Groot Brittannië en Nederland, die graag op zeebaars vissen zoals hierboven aan de totale hoeveelheid aangelande kilo’s per jaar te zien is. — Kenniskring Visserij

Ook ontbraken er Europese maatregelen die ervoor zouden zorgen dat het zeebaarsbestand zich zou kunnen herstellen. In 2016 zijn er maatregelen genomen door de Europese Commissie. Deze maatregelen voor de recreatieve vissers en beroepsvissers staan beschreven in een zeebaarsbeheerplan.

Sportvissers mogen tot 1 juli 2016 geen zeebaars meenemen. — zeehengelsport.nl

30 Visserij met staande netten

In Nederland bestaat de kleinschalige visserij vooral uit staande netten visserij. Staande netten zijn geschikt om onder de kust te vissen, maar ook op verre visgronden en in de binnenwateren kan hier mee gevist worden. Een staand net is een vistuig bestaande uit een van drijvers voorziene bovenpees en een verzwaarde onderpees met daartussen een één- of meerwandig netwerk. Het staande net wordt aan beide zijden op de zeebodem verankerd. Een staand net staat loodrecht op de bodem en wordt niet door stroming of enigerlei trekkracht voortbewogen. In Nederland is het recreatief vissen met staande netten in het zeegebied en in kustwateren in principe verboden, maar er kan een vrijstelling worden aangevraagd bij sommige kustgemeenten. In een aantal kustgemeenten is het vissen met deze netten dus onder bepaalde voorwaarden wél toegestaan.

Een staand net. — Topvisser.nl

De staande netten methode vindt meestal plaats binnen de 12-mijlszone. Hier vissen niet alleen vissers met staande netten, maar ook (vissers)vaartuigen. Hierdoor kan het erg druk zijn op het visbestek. Daarom onderhouden de meeste staande nettenvissers contact met andere schepen en naburige vissers om de posities en de vrije visbestekken op elkaar af te stemmen.

Maar door de toegenomen drukte is het haast onvermijdelijk dat er conflicten kunnen ontstaan tussen de verschillende gebruikers van de zee. Zulke conflicten kunnen bijvoorbeeld ontstaan op het moment dat het tuig van kottervissers en staande nettenvissers met elkaar in botsing komt. Dit is nadelig voor beide vissers en benadrukt nogmaals het belang van communicatie om dit soort conflicten te vermijden. Het is belangrijk dat posities goed op elkaar worden afgestemd.

Bij de staande nettenvisserij moet er onderscheid gemaakt worden tussen de volgende vangstprincipes:

  • Kieuwnetten: deze netten zijn gebaseerd op het principe dat een vis wel zijn kop door een maas van een net kan steken, maar er niet meer uit terug kan omdat hij dan achter de kieuwdeksels blijft hangen. De visserij met kieuwnetten of starre netten maakt gebruik van dit vangstprincipe.
Hier zie je hoe een kieuwnet werkt. De vis zwemt met zijn kop door een maas van het staande net en blijft haken met zijn kieuwen. — Seafish
  • Warnetten: deze netten zijn gebaseerd op hetzelfde principe als kieuwnetten, maar deze netten hangen minder strak in het water. De bovenpees van een warnet heeft minder drijfvermogen en staat vaak minder hoog in de waterkolom dan een kieuwnet. Een warnet is effectiever voor het vangen van demersale soorten, zoals platvissen en schaaldieren, doordat deze vissen door hun lichaamsvorm niet gemakkelijk gevangen kunnen worden door een kieuwnet. Maar in een warnet kunnen deze soorten wel verstrikt raken en gevangen worden.
  • Spiegel- of schakelnetten: deze netten zijn gebaseerd op hetzelfde principe als kieuwnetten, maar bestaan uit meerdere lagen. Eén of meer fijnmazige netten hangen voor een grootmazig net. De vis trekt het fijnmazige net door de grote mazen heen en raakt zo gevangen in een zelf veroorzaakt zakje van netwerk. De visserij met spiegel- of schakelnetten maakt gebruik van dit vangstprincipe.
Hier zie je hoe een spiegel-of schakelnet werkt. De vis zwemt door de grote mazen aan de buitenkant, maar raakt met zijn kieuwen verstrikt in het middelste net. In een poging om te ontsnappen zwemt hij het fijnmazige net door het grootmazig net en raakt hij verder verstrikt. — Seafish
  • Drijfnetten: deze netten hangen net als staande netten rechtop in het water, met boeien aan de bovenkant en gewichten aan de onderkant van het net. Alleen staan deze netten niet vast, maar drijven deze netten met de zeestroming mee. Deze netten kunnen kilometers lang zijn, enorme afstanden afleggen en zorgen ervoor dat er allerlei zeedieren in verstrikt kunnen raken. Drijfnetten staan bekend om hun bijvangst van dolfijnen, schildpadden, vogels en walvissen en dragen voor een belangrijk deel bij aan het probleem van spooknetten. Mede daarom zijn drijfnetten verboden binnen Europa.
Hier zie je hoe een drijfnet werkt. Het net is niet verankerd aan de bodem en drijft vrij in de waterkolom. — Seafish

30.1 Beschrijving

Staande netten zijn verticaal in het water staande of hangende netten met een overwegend rechthoekige vorm. De onderkant is verzwaard en de bovenkant wordt door middel van drijvers of een drijflijn omhoog gehouden, waardoor een vrijwel verticale wand van netwerk ontstaat.

Hier zie je een schematische weergave van het kieuwnet. — Seafish

Staande netten worden zowel verankerd, als ook met de stroom meedrijvend toegepast. Ze worden meestal in de richting van de vloedstroom geplaatst, want de stroom is van belang voor deze visserijmethode. Bij een sterke stroming liggen de netten plat tegen de zeebodem en neemt het vangvermogen van het net af. Bij weinig stroming of bij het kenteren van het tij staan de netten recht en vangen ze het beste. Rond springtij wordt meestal minder gevist, omdat de kans op het instromen van grondvuil groter is.

Drijflijn van een staand want net.

Waar men met de meeste visserijmethodes actief opzoek gaat naar de vis en men inspanningen moet verrichten om de vis te vangen, daar doet men dat met de staande nettenmethode niet. De vis zwemt meestal zonder enige stimulering in de netten en daarom behoren staande netten tot de passieve vistuigen. Het vangvermogen van passieve vistuigen wordt dus onder andere bepaald door de activiteit van de vis.

Verder heeft de maaswijdte ook een grote invloed op het vangvermogen van het net. Door het kiezen van de goede maaswijdte kan de grootte van de te vangen vis worden bepaald. Ondermaatse vis ontsnapt gemakkelijk door de mazen van het net, terwijl grotere vissen onvoldoende door de mazen kunnen worden vastgehouden. De vangst van ondermaatse vis kan met behulp van de juiste maaswijdte worden voorkomen.

De grootte en vorm van de maas heeft een grote invloed op de lengte van de vissen die je vangt. Zo zie je hierboven dat je de vissen met een lengte ter hoogte van de rode lijn het meest vangt. Veel kleinere of grotere vissen worden niet gevangen in het net met deze mazen, want kleine vissen zwemmen door de mazen heen en grotere vissen passen er niet doorheen. — ProSea

De effectiviteit en ook de selectiviteit van kieuwnetten wordt echter niet alleen bepaald door de maaswijdte. Ook de vorm waarin de mazen in het water hangen is erg belangrijk. Als de mazen maar een beetje openstaan, dan geeft het netwerk aan naderende vissen de indruk van een ondoordringbare wand en is de kans groot dat ze dit obstakel proberen te ontwijken.

De vorm van de mazen wordt bepaald door de verdelingsverhouding die internationaal door het symbool E wordt aangeduid. De verdelingsverhouding is het quotiënt van de lengte van de pees waaraan de mazen bevestigd zijn en de gestrekte lengte van de mazen die aan deze pees bevestigd zijn. Bij kieuwnetten worden meestal de beste resultaten bereikt als E = 0.5 – 0.6.

De positie van de staande netten in de waterkolom wordt bepaald door de diepte waarop de te vangen vis voor komt. Op- of bij de bodem verankerde staande netten worden vooral voor de vangst van demersale vissoorten gebruikt. Zodra de netten op de zeebodem worden uitgezet, heb je ankers nodig en een lijn die tot het wateroppervlak komt. Soms worden er ook palen gebruikt. De ankerlijn is aan het anker bevestigd. De bovenpees wordt met een voorslag van een paar vadem gevlochten lijn op het anker bevestigd. De onderpees is met een los eindje aan de bovenpees vastgemaakt.

Om de onderkant van deze netten goed in contact met de bodem te brengen en om te zorgen dat de te vangen vis goed in het net blijft zitten, zijn ze zo samengesteld dat de onderpees 15% tot 40% langer is dan de bovenpees. De overmaat aan lengte van de onderpees wordt sleep genoemd. Veel sleep is visnamiger en de pezen en netten draaien dan minder snel in elkaar. Minder sleep zorgt voor minder ongewenst vuil. De toegepaste sleep is afhankelijk van het visbestek en het inzicht van de visser. Dit type vistuig kan ook in diep water worden toegepast, zoals in IJsland waar met bodemnetten op een diepte van 200 meter op kabeljauw wordt gevist.

De positie van het net in de waterkolom heeft invloed op de vangst. Zo kun je doelgericht vissen op pelagische soorten door de staand want aan het wateroppervlak te plaatsen (links), net boven de grond (midden) of op demersale soorten door het op de bodem te plaatsen (rechts).

Je kunt ook op pelagische vissoorten vissen met staande netten. De positie van het staande net ligt dan hoger in de waterkolom, zoals te zien is in onderstaande afbeeldingen. Het net blijft dan wel vast staan in de waterkolom door de ankers die bevestigd zijn aan de onderpees. Bij de visserij met staande netten worden jonen (boeien) gebruikt met daaraan een vlag, want deze zorgen ervoor dat de visser zijn netten terugvindt. Verder maakt men met staande netten vaak gebruik van een overhaalmachine. Deze machine scheidt de bovenpees van de onderpees, waardoor er geen wikkelingen in de netten achterblijven.

Materialen voor staande netten

Vroeger werden de netten gemaakt van natuurlijke materialen, zoals katoen. Later volgden netten van gedraaid nylon en tegenwoordig gebruikt men voornamelijk netten gemaakt van transparant monofilament of multifilament garen. Monofilament is goedkoper en heeft een groter vangvermogen dan multifilament.

Een nadeel van monofilament is dat het springerig is en daardoor, ondanks het dunnere garen, toch veel plaats inneemt. Ook treedt bij netten van monofilament een grotere beschadiging van de vissen op en sterft de vis eerder in het net. Multifilament heeft als voordeel dat het langer meegaat, minder vuil vangt en het de vis minder beschadigt.

Een monofilament net (links) en een multifilament net (rechts). — Filmar & Xinhai

Het is belangrijk dat het garen dun, zacht en soepel is, zodat er zo min mogelijk verstoring van de stroming is in het water. Dit bevordert namelijk het vangvermogen van het net. Vissen die zich door het water verplaatsen wekken in de verplaatsingsrichting een drukgolf op. Deze golf wordt verstoord als de vis een vast voorwerp nadert. Met behulp van z’n zijlijnstelsel kan een vis deze verstoring van het drukveld waarnemen en het obstakel ontwijken. Dun garen verkleint dus ook de kans dat de vis het net kan zien/voelen. Het garen moet echter wel zo sterk zijn dat het de krachten van de vechtende vis kan weerstaan.

Het zijlijnstelsel van een vis. — ProSea

Ook moet het garen elastisch/rekbaar zijn, zodat de gevangen vis vastgehouden wordt zolang het net in zee staat, maar ook tijdens het halen van het net. Dit vasthoudende vermogen van het net mag echter ook weer niet zo sterk zijn dat de vis niet uit het net geschud of geplukt kan worden.

Omdat de afmetingen van de gevangen vis door de maaswijdte bepaald worden, moeten de knopen van het netwerk goed gefixeerd zijn. Dit terwijl het garen niet mag krimpen in het zeewater. De maaswijdte moet weer terugkeren naar z’n oorspronkelijke grootte na verwijdering van de vangst. In de praktijk blijkt dat er veel verschil is in de kwaliteit van het garen.

30.2 Werkwijze

Er kan met staande netten op verschillende soorten gevist worden op verschillende plekken. Dat maakt het lastig om een algemene werkwijze voor de staande nettenmethode te beschrijven. Daarom zal er allereerst een aantal algemene zaken besproken worden die van belang zijn voor de werkwijze van staande netten. Daarna zal er kort worden ingegaan op de werkwijze van warnetten, het wrakken op kabeljauw, de warnetvisserij op tong en de werkwijze van spiegel/schakelnetten.

De netten worden klaargemaakt voor de visserij. — Seafish

Algemeen

Bij het uitvaren zijn er verschillende factoren waar rekening mee moet worden gehouden. Het weer is erg belangrijk. Bij slecht weer worden de netten niet geschoten in verband met de veiligheid, maar ook is het risico op verlies van het net groot.

Ook bij springtij is het moeilijk vissen. Dit komt doordat de netten plat tegen de bodem gedrukt worden, waardoor hun visnamigheid sterk terugloopt. Daarnaast heeft ook de helderheid van het water invloed op de visnamigheid, omdat de vis de netten waar kan nemen. Hoge concentraties algen en plankton kunnen een nadelig effect hebben op de visnamigheid. Zo kunnen ze zich aan het net hechten, waardoor de zichtbaarheid van het net toeneemt.

Als er teveel algen in het net blijven hangen, dan kan de visnamigheid afnemen. — Ecomare

Op grond van kennis over stromingen, visconcentraties en visactiviteit worden de netten vaak dwars op de trekrichting van de vis geplaatst. Wanneer de vis niet trekt wordt er gerekend op zijn activiteit, zoals het zoeken naar voedsel. Op die manier kunnen de vissen met het net in aanraking komen en gevangen worden.

Het is voor een visser dus belangrijk om rekening te houden met de verschillende factoren. Een visser kan hier op inspelen door te spelen met het tijdstip van uitzetten en binnenhalen. Ook het drijfvermogen van de bovenpees is verschillend op te zetten. Werkend van 500 gram per 100 m tot aan 2500 gram per 100 m. Het is begrijpelijk dat de onder(lood)pees ook aangepast moet worden wanneer er veel drift gebruikt wordt.

Werkwijze warnetten

Bij deze methode worden de vissen gevangen doordat ze in het net verward raken. Dit kan worden bevorderd door:

  • de verdelingsverhouding te verkleinen, waardoor het netwerk losser en slapper komt te hangen (E = 0.4 – 0.45);
  • de onderpees een veel grotere lengte dan de bovenpees te geven;
  • de onderpees slechts weinig te verzwaren; en/of 
  • door dun, soepel en transparant garen voor het netwerk te gebruiken.

Er worden vooral vissen gevangen waarvan de grootste dwarsdoorsnede groter is dan de omtrek van de mazen. Meestal worden de vissen gevangen door een combinatie van omklemming, bijvoorbeeld van de snuit van een maas van het netwerk. Vervolgens verwarren de vissen zich in het netwerk bij pogingen zich te bevrijden.

Er worden zowel grote als kleine vissen gevangen zonder dat ze met hun kop in contact komen met het netwerk. Dit is vooral het geval bij vissen die veel harde vinnen en stekels hebben. Met warnetten worden zowel zoetwater- en zeevissen gevangen, als ook schaaldieren zoals kreeften, krabben en grote garnalen. In de Noordzee wordt er voornamelijk met warnetten gevist op kabeljauw, tong en tarbot.

Werkwijze wrakken op kabeljauw

Nederlandse vissers pasten tot voor enkele jaren de staande nettenvisserij met name toe in de buurt van wrakken. Door de schaarste van kabeljauw in de zuidelijke Noordzee wordt deze visserij (bijna) niet meer toegepast. Bij wrakken staan de netten enkele uren in zee en op open visgronden tot 24 uur. Het is bekend dat veel vissoorten voor komen bij voorwerpen op de zeebodem of drijvend aan het oppervlak. De Noordzeebodem bestaat voor een belangrijk deel uit zand en slib. Op wrakken komen planten en dieren voor die niet op zachte bodems kunnen groeien, zoals zeeanemonen, poliepen, zakpijpen, sponzen, krabben en kreeften.

Er zijn veel verschillende soorten te ontdekken op en rondom wrakken in de Noordzee. — Stichting de Noordzee

Ook kabeljauw komt veel voor bij deze wrakken. Daar zijn de volgende verklaringen voor:

  • het bieden van bescherming tegen bijvoorbeeld roofvissen;
  • de aanwezigheid van voedsel, doordat er veel zeedieren en planten leven rond wrakken; en/of
  • dat een wrak dient als oriëntatiepunt.

Een groot aantal wrakken heeft een kabeljauwpopulatie. De vissers sporen de wrakken op met een GPS, een dieptemeter en soms een sonar. Omdat niet alle wrakken een kabeljauwpopulatie hebben, wordt vervolgens eventueel op verschillende koersen over het wrak gevaren om met het echolood zowel de ligging en omvang van het wrak, als ook de aanwezigheid van voldoende kabeljauw, waar te nemen. De positie van het wrak wordt aangegeven door opzij van het wrak een anker met joon overboord te zetten. Vaak is een joon voorzien van een radarreflector en/of een joonlicht.

Uitzetten van meerdere staand want netten bij een wrak (van a naar g).

Uitzetten netten wrak
Aan deze joon is met een korte strop een blaas bevestigd. De positie van de blaas ten opzichte van de joon geeft de richting van het tij aan. Vervolgens worden voor de stroom enige netten over het wrak geschoten. Bij het schieten van de netten wordt meestal een reeks van drie aan elkaar bevestigde netten in zee gezet. Kleine wrakken worden wel met een reeks van twee netten bevist. Bij zeer grote wrakken worden wel vier of soms zelfs vijf netten in een reeks toegepast. De netten zijn meestal ongeveer twee meter hoog en hebben een maaswijdte van minimaal 14 cm.

Bij de wrakken worden de netten geplaatst op het moment dat de stroom van hoog naar laag tij verandert of omgekeerd. De netten worden onder een bepaalde hoek bij het wrak geplaatst, zodat ze onder invloed van het getij parallel met het wrak komen te staan. Tijdens het schieten worden achtereenvolgens een beginanker met daaraan, door een lange lijn verbonden, beginjoon, de vleet (zeer lang drijvend visnet) en een eindanker met eindjoon in zee gezet. De ankers wegen ongeveer 18 kg. Als er veel stroom is (zoals voor onze kust), moeten er aan het begin en aan het eind van de reeks netten twee achter elkaar bevestigde ankers gebruikt worden.

Al het benodigde materiaal voor het uitzetten van het net. — Seafish

De jonen zijn bevestigd aan het eerste en laatste anker dat overboord gaat. Het beginanker wordt al op ongeveer 100 tot 150 meter van het wrak overboord gezet. Dit doet men zodat een deel van de vleet al geschoten is, zodra de kotter zich boven het wrak bevindt. De reden hiervoor is dat de netten door de stroom in en over het wrak gezet worden. Door voor tij te schieten komen de netten strakgespannen en evenwijdig aan de stroom in en over het wrak te staan. Hierdoor wordt de kans op het blijven haken van het netwerk zo klein mogelijk.

Zodra de eerste reeks netten geschoten is, wordt de joon die het wrak markeert opgepikt. Het schip vaart weer over het wrak om met behulp van het echolood vast te stellen of de geschoten netten goed over het midden van het wrak staan. Vervolgens wordt aan weerszijden van het wrak nog een reeks netten over het wrak geschoten. Er wordt geprobeerd deze tweede reeks zoveel mogelijk evenwijdig aan de eerste reeks te schieten, waarbij de begin- en eindjoon de richting aangeeft waarin geschoten moet worden. De netten kunnen worden geschoten zodra de ankers met jonen aan het begin en einde van de reeks netten vastgemaakt zijn.

Binnenhalen netten
Vaak proberen staand want vissers om meerdere netten bij meerdere wrakken te schieten voordat het tij van richting verandert. Zodra het tij van richting is veranderd, wordt naar het eerste wrak teruggevaren en worden de netten gehaald. Bij het inhalen wordt de joon het eerst aan boord gepakt. Vervolgens wordt de nethaler of het powerblok gestart. Deze bevindt zich aan stuurboordzijde vlak achter de bak. Deze nethaler is van het trommel- of van het transportbandtype.

Het trommeltype bestaat uit een roterende, horizontale trommel met een rubber beklede haalrol. Boven de trommel bevinden zich 1 of 2 rollen waar het netwerk onderdoor loopt en die het netwerk op de trommel drukken. Er kan gevarieerd worden met de kracht waarmee deze rollen het netwerk op de haalrol drukken.

Het binnenhalen van de joon (links) en de vangst (rechts).

Het transportbandtype bestaat uit een korte transportband, waarboven zich 1 of 2 holle, plastic cilinders bevinden. Deze cilinders kunnen geheel of gedeeltelijk met water gevuld worden en zijn scharnierend opgehangen, zodat het netwerk op de onderste transportband gedrukt wordt.

Tijdens het halen van de netten staat één van de opvarenden bij de nethaler. Is deze van het trommeltype, dan moet hij meehelpen om het net aan boord te halen door aan het net te trekken. De schipper manoeuvreert met het schip, terwijl de andere opvarenden de vangst uit het net verwijderen. Bij een grote vangst passeert het hele net de nethaler. Als er zich maar weinig vissen in het net bevinden, dan wordt alleen de bovensim op de nethaler gebracht.

Werkwijze warnetten tong

De tongennetten zijn verschillend van kleur. Ze staan vooral in het donker en staan gemiddeld 12 uur in zee. Vaak vissen schepen met monofilament en multifilament netten. De monofilament netten worden dan het eerst geschoten en het eerst weer gehaald. De bovenpees van een tongennet is ongeveer 50 meter lang. Het netwerk dat aan deze pees bevestigd wordt is 2000 mazen lang en heeft een maaswijdte van 90-110 mm. De netten zijn 9.5 – 14.5 mazen diep en de aan de onderkant bevestigde loodsim heeft een lengte die 15%-40% langer is dan de bovensim.

De monofilament netten zijn 10.5 – 14.5 mazen diep en ongeveer een meter hoog. De visserij met deze staande netten op tong wordt met grote aantallen netten beoefend, waarbij voor de Nederlandse vloot een maximum geldt van 500 netten van 50 meter lengte per stuk. Deense vissers zetten soms wel 800 netten in zee. De meeste Nederlandse vissers vissen met ongeveer 50 tot 400 netten.

De ankerdreggen.
De bak waarin het net kan worden opgeslagen.

De netten worden vaak in series van 10 tot 14 netten geschoten. Bij het begin van het uitzetten wordt een anker van het dregtype met een gewicht van ongeveer 12 kg overboord gezet. Aan dit anker zijn zowel de eerste markeringsjoon als ook het begin van de eerste serie netten bevestigd. Tussen 2, 3 of 4 series van netten worden tussenankers bevestigd. Dit is afhankelijk van de stroom en van het gevaar op beschadiging door andere vissers.

Als de netten scheuren of als de verbinding tussen de netten verbroken worden, dan kan bij de ankers waarvan de positie in de plotter is opgeslagen worden gedregd. Op die manier kan het halen worden voortgezet. Het einde van het vistuig wordt weer met een anker op zijn plaats gehouden en door een joon met 1 of 2 vlaggen aangegeven.

Werkwijze spiegel/schakelnetten

Bij dit type staande net gebuikt men in plaats van een enkelvoudig net een driedubbel net, waarbij het middelste net een maaswijdte heeft dat kleiner is dan de twee gelijke buitenkanten. De vis zwemt door de grote maas, vervolgens door de middelste kleine maas en zwemt zich klem op de andere buitenmaas. De vis raakt hierdoor verstrikt.

Een spiegel/schakelnet. — Seafish

Zoals alle staande netten, zijn spiegels gebaseerd op het kieuwnetprincipe. Dat wil zeggen dat de vis vast komt te zitten achter de kieuwen. Hierdoor is deze visserij selectief. De kleine vis zwemt erdoorheen, maar ook de te grote vis die door een te kleine maaswijdte zich niet vast kan zwemmen rolt uit het net vandaan. Dit laatste heft men op door gebruik te maken van spiegelnetten. Hierdoor behoudt men ook de grote vis, doordat die zich door de 3 mazen vast zwemt.

De vissen zwemmen met het fijnmazige net door de grote mazen van het buitenste net en raken als het ware verstrikt in een soort zak van netten. Hierdoor kunnen er ook grotere vissen gevangen worden die normaalgesproken niet gevangen zouden worden met een kieuw/warnet. — Marksir
Een spiegel- of schakelnet. — ILVO

Het vissen op grote platvissoorten, zoals tarbot en griet, gebruikt grofmazige spiegelnetten met mazen vanaf 130 mm tot 270 mm volle maas die over de open zeebodem worden geschoten. Schakels hebben een groter vangvermogen dan kieuwnetten, maar de selectiviteit is veel kleiner. Schakels zijn veel duurder dan kieuwnetten en warnetten en vragen veel meer tijd en arbeid bij zowel het uitzetten, het halen en het uit de netten verwijderen van de vissen. Ook hecht zich meer vuil in een spiegel/schakelnet, zoals pijlinktviseieren, waardoor de visnamigheid afneemt. Deze methode is niet geschikt voor de wrakkenvisserij. De sta-tijd van de netten in deze visserij varieert tussen de 12 en 36 uur.

30.3 Doelsoorten en bijvangsten

Voornaamste doelsoorten van de Nederlandse staande nettenvisserij zijn tong en kabeljauw. Maar er zijn meerdere doelsoorten waarop gevist kan worden met de staand want methode, zoals tarbot, griet, zeebaars en harder. Schar en bot zijn belangrijke bijvangstsoorten van de staande nettenvisserij en deze worden het gehele jaar bijgevangen met de staande nettenmethode. Ook worden er soms strandkrabben en zwemkrabben ongewenst bijgevangen met deze visserijmethode.

Het bijvangen van bruinvissen is een groot kritiekpunt bij deze visserijmethode, maar uit onderzoek is gebleken dat de bijvangst van bruinvissen door de Nederlandse commerciële staandwant visserij zeer gering is. Door pingers te gebruiken (zie onderstaande afbeelding) kan de bijvangst van bruinvissen eventueel worden voorkomen. Pingers maken een geluid wat bruinvissen op afstand moet houden van het staande net.

Resultaten met pingers zijn echter tot op heden nog wisselend. Daarnaast weegt de overlast die pingers veroorzaken door hinderlijk geluid onder water niet op tegen het beperken van de bijvangst van bruinvissen, want dit komt nauwelijks voor.

Bruinvissen kunnen verstrikt raken in staand want netten (links), maar met behulp van pingers (rechts) hoopt men het bijvangen van bruinvissen te voorkomen. — Total Fishing

Tong

De tongvisserij speelt zich af van de maanden maart tot oktober, waarbij de staande nettenvisserij op tong voor de kust loopt van juni tot oktober. Hoge prijzen voor het huren en kopen van tongquotum hebben een negatief effect gehad op de rentabiliteit van de staande nettenvisserij.

Kabeljauw

De kabeljauwvisserij speelt zich af in de winter en wordt uitgeoefend van november tot maart. Rond die tijd zijn ze op de kust aanwezig door de trek naar het koudere kustwater met een vangstpiek in december tot en met februari. Deze visserij heeft vaak een aantrekkelijke bijvangst van tarbot, griet en schar. Door het verdwijnen van de kabeljauw voor de Nederlandse kust, het kabeljauw herstelplan en het gebrek aan kabeljauwquotum bij staande nettenvissers is deze visserij de laatste jaren wel beperkt/verdwenen.

Tarbot

Op tarbot wordt in het seizoen van de paaitrek gevist. Tarbot wordt vaak op dezelfde manier bevist als tong. Vissers richten zich vooral op grote moederdieren tijdens de paaiperiode. De netten blijven wel vijf dagen in zee staan voordat ze worden ingehaald. Met schakelnetten worden meer kleine tarbotten gevangen. De laatste visserij in de winter en het voorjaar levert minder op en vaak vangt men dan nog slechts de kleinere tarbot. Het is dus een seizoensgebonden visserij die loopt van december tot mei, met twee pieken in december en april.

Griet

De vangperiode voor griet loopt van februari tot half juni met een piek in de maanden april/mei.

Soorten die gevangen worden met de staand wantmethode zijn onder andere tarbot (links), griet (midden) en harder (rechts). — Nederlands Visbureau & FishXL

Zeebaars en harder

Tussen de zomer en de herfst wordt deze methode het meest beoefend (mei tot en met september). Zeebaars komt redelijk vaak voor met noord- of noordwesten wind en wordt ook bij wrakken gevangen. Er kan op deze soorten gevist worden met kleinere mazen van 8-10 cm, maar ook met grotere mazen van 11/12 cm gestrekte maas. Vaak worden de netten geschoten met eb of vloed. Als het tij kentert worden de netten weer gehaald.

Bij grote vangsten worden na het klaren de netten direct weer geschoten. De netten staan vaak slechts een paar uur in het water. Ook wordt op harder en zeebaars gevist op de oostelijke en westelijke Waddenzee. Een tiental vissers, meestal eenmansbedrijfjes, vissen daar met staande netten op deze vissoorten.

30.4 Gedrag van de vis ten opzichte van vistuig

De vis zwemt meestal zonder enige stimulering in de netten en daarom behoren staande netten tot de passieve vistuigen. Het vangvermogen van passieve vistuigen wordt onder andere bepaald door de activiteit van de vis. Vissen die (tijdelijk) een passief gedrag hebben, worden dan niet gevangen. Staande netten zijn daarom vooral effectief als vissen zich verplaatsen en ze worden daarom veel toegepast tijdens de paaitrek of als vissen zich erg actief voeden.

De vis dringt tijdens de migratie met zijn kop in het netwerk. De omtrek van de mazen is kleiner dan de grootste dwarsdoorsnede van de vis. Een vis die op deze manier in aanraking komt met garen van de maas zal vaak als schrikreactie een paar harde klappen met de staart geven. Hierdoor dringt de vis nog verder met zijn kop in de maas, waardoor er druk op de keel uitgeoefend wordt. De kieuwdeksels zetten hierdoor uit, waardoor ook ontsnapping in achterwaartse richting niet meer mogelijk is.

De netten kunnen soms door behoorlijk verward raken door de ontsnappingspogingen van de vis. — Seafish

Hoewel het vangprincipe van kieuwnetten vooral gebaseerd is op het achter de kieuwen vastzitten in een maas van het netwerk, is dit niet de enige manier waarop een vis met een kieuwnet gevangen kan worden. Zo kan vooral bij kieuwnetten van dun en soepel garen een vis met een hard uitsteeksel, kaakboog of zelfs tand in het net vastraken en vervolgens door pogingen om zich te bevrijden in het netwerk verward raken. Het kieuwnet werkt dan als warnet.

Ook kan het voorkomen dat een grote vis alleen met het voorste deel van de snuit in een maas dringt. De maas kan daarbij zo strak om de snuit komen te zitten dat de vis zich niet meer kan bevrijden. De vis zit dan gewigd in het netwerk. We kunnen de vissen die met een kieuwnet gevangen worden onderscheiden in:

  • gekieuwd: De vis is tot voorbij de kieuwdeksels in een maas gezwommen en kan niet terug omdat de kieuwdeksels dit verhinderen.
  • gewigd: De vis wordt door een maas die strak om het lichaam zit vastgehouden.
  • verward: De vis zit met een uitsteeksel of geheel verward in het net.
Een vis is gekieuwd als de vis in het net zit zoals getoond in A. Als het net om de vis zit zoals getoond bij B, dan is de vis gewigd. — FAO

De relatie tussen de lengte van de vissen die gevangen worden en de maaswijdte (de selectiviteit) is alleen voor gekieuwde of gewigde vissen aanwezig. Deze selectiviteit wordt ook bepaald door de vorm van de vis. Zo zal een vis met een hoge rug vrijwel nooit gewigd in het net voorkomen. Door de hoge rug zal het garen van een maas weer makkelijk langs het lichaam glijden, tenzij dit garen achter de kieuwdeksels blijft hangen en de vis gekieuwd is. Door de hoge vorm van de rug komt gewigd vangen bijna niet voor.

Kleine vissen met veel uitsteeksels en grotere vissen met veel/grotere stekels hebben de meeste kans om in het netwerk verward te raken. Het in netwerk verward raken wordt verder bevorderd door de soepelheid van het gebruikte garen en de spanning waarmee het netwerk in het water hangt.

De maaswijdte van kieuwnetten wordt bepaald door de omtrek van de grootste dwarsdoorsnede van volwassen exemplaren van de vissoort waarop gevist wordt. Als richtlijn voor een aantal soorten gelden onderstaande waarden:

  • Sardien: 3 – 5 cm
  • Haring: 5½ – 6½ cm
  • Makreel: 4,8 – 5,4 cm
  • Zalm: 12 – 16 cm
  • Kabeljauw: 14 – 20 cm

De ervaring heeft geleerd dat kabeljauw vooral gevangen wordt bij het kenteren van het tij als ze bij het wrak van positie veranderen. Komen er in korte tijd veel kabeljauwen in een net, dan zitten die veelal gekieuwd in de mazen. Is het aantal kabeljauwen minder, dan zitten de meeste verward in het netwerk.

30.5 Verwerking

Net als bij de verwerking bij alle andere visserijmethodes is het belangrijk dat de vis zo snel mogelijk wordt teruggekoeld voor een zo hoog mogelijke kwaliteit. Het enige probleem waar men met deze visserijmethode weleens tegenaan kan lopen wat betreft de verwerking is het verstrikt/verward raken van de netten. Met name bij het gebruik van spiegel/schakelnetten draaien de netten nogal eens in elkaar. Dan gaat de vangst achteruit en het kost ook veel tijd om de netten te klaren. Deze netten (‘Trammel nets’ in het Engels) worden in Denemarken niet voor niets ‘trouble nets’ genoemd.

Het klaren van de netten kan soms veel tijd kosten bij deze visserijmethode. — ILVO
De vangst wordt gekoeld naar de afslag gebracht. — De Goede Vissers

30.6 Duurzaamheid

De staande nettenvisserij wordt over het algemeen gezien als een selectieve visserijmethode met weinig bijvangst van ondermaatse vis en geen bodemberoering. Daarnaast zijn de onkosten relatief beperkt in vergelijking met andere visserijmethoden. Ook hebben een aantal staande nettenvissers in Nederland een MSC-certificaat gehad, maar in 2013 hebben de vissers hier afstand van moeten doen vanwege de te hoge kosten voor het certificaat.

Helaas is de toepassing van deze visserijmethode beperkt, want het is een seizoensgebonden visserij en kan dus niet het gehele jaar beoefend worden. Een andere beperkende factor kan het arbeidsintensieve karakter van deze visserijmethode zijn. Het uit de netten ontwarren van de vissen en het weer klaarmaken van de netten is veel werk. Daarnaast is voor het beoefenen van deze manier van vissen veel ervaring nodig.

Een probleem bij staande netten is de bijvangst van zeezoogdieren. Dit is sterk afhankelijk van het type staande net dat toegepast wordt, het seizoen en het gebied waarin gevist wordt. Zo is er bij de visserij met staande netten op kabeljauw en tarbot in de wintermaanden een grotere kans op de ongewenste bijvangst van bruinvissen. Om dit te voorkomen moeten schepen groter dan 12 meter pingers aanbrengen. Pingers zijn akoestische afschrikmiddelen. Deze apparaatjes zenden voor bruinvissen onaangename tonen uit. Ook mijdt men zoveel mogelijk gebieden met grote populaties zeehonden, want deze kunnen zowel de zeehond, het net als ook de vangst beschadigen.

Een ander probleem is dat staande netten verloren kunnen gaan door verschillende redenen. De mogelijke effecten hiervan zijn:

  • het blijven doorvissen van het net in zee (spooknetten);
  • verstrengeling van zeevogels en zeezoogdieren in de verloren netten; en/of
  • afval van het verloren vistuig in zee, waarbij met name plastic bestanddelen voor negatieve effecten kunnen zorgen.
Tong gevangen met een staand want net. — W. Overduin

31 Visserij met potten en korven

Een andere vorm van passieve visserij is de visserij met potten en korven. In het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk wordt door een klein aantal vissers op zeekatten en wulken gevist met potten en korven. Het merendeel van de potten- en korvenvissers in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk vist op Noordzeekrabben (‘brown crab’) en kreeft. Nederlandse en Belgische vissers hebben ook geëxperimenteerd met deze visserijmethoden, maar deze visserij is tot op heden nog vrij beperkt in Nederland. Enige uitzondering hierop is de visserij op kreeft in de Oosterschelde.

Stapel korven. — Seafish

31.1 Beschrijving

Met de potten- en korvenvisserij probeer je de doelsoort in het vistuig lokken, waarna ze vast komen te zitten in de pot of korf. Toch zijn er een aantal kleine verschillen tussen potten en korven. Deze verschillen worden hieronder beschreven.

Potten

Potten zijn er in veel verschillende soorten, maten en van verschillend materiaal. Ze hebben minimaal 1 opening die ervoor moet zorgen dat de doelsoort de val binnengelokt wordt. Een fuikachtig netwerk moet ervoor zorgen dat ze wel in de pot kunnen zwemmen, maar er niet meer uit kunnen.

Potten worden vooral gebruikt in de Kanaallanden Frankrijk en Groot Brittannië. De visserij is daar geen overbrugging van het ene seizoen naar het andere, het is een seizoensvisserij waar in deze landen daadwerkelijk een goede boterham mee verdiend kan worden. Er is een grote variatie aan namen, optuigingen en werkwijze van potten. Meestal maakt men gebruik van aas om een doelsoort te lokken. Er is ook een grote variatie in het type aas wat gebruikt kan worden. Het type aas dat gebruikt wordt hangt namelijk sterk af van de beoogde doelsoort.

Potten voor het vangen van zeekat. — ILVO

Potten worden meestal individueel of in series uitgezet. Als de potten in series worden uitgezet, dan zijn ze vaak bevestigd aan een lang touw. Dit touw is dan vaak gemarkeerd met boeien voor het aangeven van de locatie van het touw. Beide uiteinden van het touw zijn voorzien van ankers om het vistuig vast te zetten aan de zeebodem. In dit hoofdstuk zal enkel de visserij met potten op zeekat worden besproken.

Korven

Er bestaan meerdere typen korven waarmee verschillende doelsoorten kunnen worden gevangen. Zo zijn er korven voor het vangen van kreeft, krab, rivierkreeft, Noorse kreeft, wulken en spinkrab. In Nederland vissen een klein aantal vissers beroepsmatig met korven op de Noordzeekrab (Cancer pagurus) en de Europese kreeft (Homarus gammarus). Het principe van de korven is heel eenvoudig, de doelsoort kan er wel in kruipen maar niet eruit. Er wordt ook met fuiken en kubben op Noordzeekrab en kreeft gevist, maar korven zijn steviger en minder schadegevoelig.

De visserij met korven. — SeaFish

Korvenvisserij wordt hoofdzakelijk gedaan in Engeland, Ierland en Frankrijk. Deze vissers vissen voornamelijk met kleine vaartuigen. Deze vaartuigen worden ook wel ”potters” genoemd. De potters zijn uitgerust met een lijnhaler en schietluik(en). Vaak worden deze potters voorzien van een lang uitstekend rek vanaf de achterreling voor het opstapelen van korven, want op die manier creëert men extra ruimte aan boord. Voordat er met vissen begonnen kan worden, worden deze schepen (tot ca. 17 m lengte) volgestapeld met krabben of kreeftenkorven. Zodra deze krabben/kreeftenkorven gevuld zijn met aas, kunnen ze worden uitgezet bij stenen, wrakken of ongelijke gronden.

Een stapel korven op de kade. — Pixabay

De korven die gebruikt worden bij deze visserijmethode zijn beschikbaar in diverse groottes en in ronde- en rechthoekige vorm. Daarbij bestaat de bodem uit geplastificeerde spijlen, welke aan de korf gemonteerd worden met touw en die vervolgens omwikkeld worden met rubberen banden/stroken. Veel korven zijn gebaseerd op zogenaamde ‘medley’ korven. Dit zijn korven met één of twee brede plastic ringen van verschillende afmetingen met daarin een boveningang, een aas/vang ruimte en een opslagruimte.

Ook met deze visserijmethode zijn er problemen met spookvissen. Zodra korven verloren gaan in zee, dan kunnen ze nog lange tijd doorvissen. Om hier iets tegen te doen gebruikt men tegenwoordig ook korven die gemaakt zijn van biologisch afbreekbaar materiaal. Hierdoor zal een verloren korf naar verloop van tijd vanzelf opengaan en geen zeedieren meer bijvangen.

31.2 Werkwijze

De potten- en korvenvisserij wordt op vele verschillende manieren toegepast in de praktijk. Daardoor is het moeilijk om te spreken van een vaste werkwijze voor deze visserijmethodes. Zo zijn er grote verschillen in het type potten/korven, de aantallen korven/potten die men uitzet en de visgebieden. Daarom zal hieronder een algemene beschrijving van de werkwijze volgen.

Visserij met potten op zeekat

De zeekatvisserij is voor Franse en Engelse vissers rond het Kanaal één van de belangrijkste visserijen. Hierbij zijn de vangsten in het voorjaar goed. Helder water en rustig weer is een pré voor deze visserijmethode. Vooral in de periode wanneer de algensprong in het water zit (mei) is dit een goed alternatief. Tijdens deze periode is de visserij met staande netten niet rendabel, doordat de opwaartse drift van de netten door de algen verminderd wordt en de netten zodoende plat op de bodem blijven liggen.

Onderwaterbeelden van een zeekat in de pot. — Seafish

De aanwezigheid van de zeekat wordt opgemerkt door de toenemende vangst in spiegel/schakelnetten. Engelse vissers beweren dat wanneer er 10 zeekatten gevangen worden in een net, dit er wel 100 kunnen zijn in de potten. Zeekatten zetten vaak hun eieren af aan het netwerk.

Bij de visserij op zeekat worden de potten per set van 30 tot 50 stuks met een tussenafstand van 20 à 30 meter op de bodem geplaatst. Daarbij worden deze sets verankerd en met boeien afgebakend. De potten zelf kunnen handmatig overboord gezet worden, maar dit kan eventueel ook gebeuren aan de hand van een “glijsysteem”.

Uitzetten van de potten. — ILVO

Voor het binnenhalen van de potten wordt een lier geïnstalleerd aan boord. Het is handig om deze lier naast het “powerblock” op de reling vast te zetten, want op die manier kan er gebruiksvriendelijk en praktisch worden gewerkt. Deze lier is ook geschikt voor andere vallen, fuiken of potten.

Bij deze visserijmethode wordt er gevist met 500 tot 1000 potten, waarbij 250 tot 300 potten om de twee dagen worden opgehaald. Er zijn vangsten haalbaar van 36 kg per pot, maar dit zijn uitzonderingen. Een gemiddelde vangst van 7 tot 10 kg per pot is aan de Engelse kust gebruikelijk. Er wordt hoofdzakelijk gevist binnen 2 mijl uit de kust, daar de zeekat dicht onder de kust migreert om de eitjes af te zetten.

Een tekening van een pot die gebruikt kan worden om zeekat te vangen. — Seafish

Ook vanuit België vist men met potten. Vangsten hier zijn in het seizoen 3 tot 6 kg per pot. Het probleem wat zich voordoet langs de Belgische kust is het afvissen of kapot vissen van materiaal door kotters. Door de lengte van het vistuig is de kans op afvissen en daarmee schade/vangstverlies erg groot.

Zoals al eerder beschreven bestaat de pot uit een skelet van cilindervormig materiaal bekleed met netwerk of gaas. Twee openingen zorgen ervoor dat de zeekat naar binnen kan zwemmen. De fuik in de opening zorgt ervoor dat zij er niet meer uit kunnen. Ze hebben een doorsnee van ongeveer 80 cm en zijn 45 cm hoog. Ook zijn er vierkante varianten, veelal zelfgemaakt. De openingsfuiken worden van netwerk of gaas gemaakt.

In Engeland gebruiken ze steeds meer de “Ashworth” openingen, een variant op de fuik door gebruik van kunststof punten (zie onderstaande afbeelding). Volgens de Engelse vissers zijn witte potten in combinatie met de Ashworth openingen de beste manier om zeekat te vangen.

Een vrouwtjes zeekat lokt de mannelijke zeekatten in de pot. — Findafishingboat.com

Voor de visserij op zeekatten zijn er een aantal extra materialen benodigd. Allereerst moet er een zogenaamde lijnhaler gemonteerd worden, zodat de potten gehaald kunnen worden. Met een uithouder en een schijfblok kan de boeienlijn binnengehaald worden. Verder heb je één hoofdlijn, meerdere sets potten, ankers, boeien en een boeienlijn nodig voor het beoefenen van deze visserijmethode.

Het verdient aanbeveling om de potten 1-2 maanden na het seizoen langer open te laten staan om eieren uit te laten komen. Dit scheelt schoonmaakwerk van potten en het is duurzaam omdat de eieren wel uit kunnen komen in zee en niet op de kant worden gespoten. Open laten staan is dus gunstig voor de populatie. Zeekat komt ieder jaar terug op de geboortegrond (eigen populatie creëren).

Visserij met korven op krabben en kreeft

Voordat er met de korven gevist kan worden, moet er aas in de korven geplaatst worden. Voor het aas kan men gebruik maken van horsmakreel, kabeljauw, schol, wijting, schar en visresten (puf). In de praktijk gaat de voorkeur uit naar stevigere vissoorten als aas, zoals horsmakreel en rog, want dit aas blijft langer doorvissen en dit aas trekt minder zeesterren aan.

Een voorbeeld van een kreeftenkorf. — Seafish

Voor het overboord zetten van de korven kan gebruik gemaakt worden van een schietgoot of een schietluik, waarbij de korven tijdens het vooruit varen één voor één worden uitgezet. Men kan er ook voor kiezen om iedere korf handmatig overboord te zetten, maar dit is wel heel arbeidsintensief.

Met de afstand tussen de korven kan gevarieerd worden, zo varieerde de afstand in een aantal onderzoeken tussen de 1,6 meter tot 40 meter afstand van elkaar. Zodra de afstand tussen het uitzetten van de korven toeneemt, zal ook de hoeveelheid touw aan dek toenemen. Deze hoeveelheid touw aan dek kan tot gevaarlijke situaties lijden tijdens het uitzetten. Meestal worden de korven voor tij uitgezet.

Uitzetten van de korven voor het vangen van kreeft. — B. Schot

Meestal wordt er met korven op Noordzeekrab gevist bij wrakken en stenen. De korven worden gemarkeerd met boeien en iedere 24 tot 48 uur geleegd. Daarbij worden de korven meestal met een lang touw verankerd aan de zeebodem.

De korven worden binnengehaald. — Seafish

31.3 Doelsoorten en bijvangsten

In dit hoofdstuk zullen de pottenvisserij op zeekat en de korvenvisserij op Noordzeekrab en Europese kreeft worden behandelt.

Pottenvisserij op zeekat

De doelsoort van deze visserijmethode is sepia/zeekat (Sepia officinalis). Dit is een niet-gequoteerde soort die zich vooral laat vangen tijdens de paaiperiode die loopt van maart tot mei. Deze soort wordt vooral commercieel gevangen in Normandië en de Seine-baai en migreert verder langs de kust om te paaien en eieren af te zetten. Dit doen ze bij voorkeur in warm en helder water dicht onder de kust. Na het paaien sterft de zeekat.

De mannetjes worden niet ouder dan 2 tot 3 jaar, het vrouwtje leeft zelf maar één jaar. Zeekat paart zodra de temperatuur van het water meer dan 10 graden is en de eieren worden afgezet op stenen, zeewier, netten en fuiken. Er kunnen wel 300 eitjes gelegd worden in trosjes van 20 à 30 stuks.

Zeekatten zetten regelmatig hun eieren af op de potten. — ILVO

Een van de bijvangstsoorten van deze visserijmethode is kabeljauw. Kabeljauw blijkt voornamelijk af te komen op de vrouwelijke zeekat in de pot. Bijvangstpercentages zijn echter laag en onderstrepen daarmee het selectieve karakter van deze visserijmethode.

Korvenvisserij op Noordzeekrab en kreeft

In Nederland richt de korvenvisserij zich met name op de Noordzeekrab. Inmiddels zijn een aantal vissers hiermee actief en wordt er gewerkt aan het ontwikkelen van een afzetmarkt. De verwachting is dat in windparken het aantal krabben en kreeften zal toenemen vanwege de daar voorkomende harde substraten. Ook omdat gesleepte vistuigen waarschijnlijk geen toegang tot de windparken zullen krijgen, biedt dit interessante toekomstmogelijkheden. Voordeel van deze visserijmethode is dat er nauwelijks tot geen bijvangst is.

Vangst bestaande uit kreeft en krab. — Fishing News

Noordzeekrab
De Noordzeekrab wordt gevonden tot een diepte van 300m, maar in het algemeen worden ze aangetroffen op een maximale diepte van 60 tot 90 m. Volwassen dieren geven de voorkeur aan zandbodems, met of zonder stenen. Jonge dieren komen met name in het voor- en najaar vooral voor onder de stenen van dijken, golfbrekers en havenhoofden. Noordzeekrabben zijn trage dieren en vooral ’s nachts actief. Schuilplaatsen worden bij voorkeur in stenige bodems gemaakt. De dieren komen bijna op elke type bodem voor, mits deze niet te kaal is.

De noordzeekrab. — Wikimedia commons

Jonge dieren die nog niet geslachtsrijp zijn graven zich zeer waarschijnlijk in het zand in. De Noordzeekrab is een vleeseter (carnivoor). Zijn voedsel bestaat voornamelijk uit schelpdieren en stekelhuidigen. Met de stevige scharen worden deze gekraakt. Omdat de dieren langzaam zijn kunnen ze geen snelle prooien overmeesteren.

Europese kreeft
De Europese kreeft leeft in de Noordzee en in de Zeeuwse delta. Meestal komen ze voor in steenachtige gebieden, want ze verstoppen zich graag tussen de stenen en rotsen. Ze worden ook weleens op zanderige gronden aangetroffen waar ze zich kunnen verstoppen in holen die ze zelf graven. Meestal beschikt zo’n hol over een voor- en achteruitgang, zodat ze altijd uit een hol kunnen kruipen. Ook de Europese kreeft is voornamelijk ’s nachts actief.

Genetisch onderzoek heeft aangetoond dat de Europese kreeft uit de Oosterschelde afwijkt van de kreeftenpopulaties die gevonden worden in de Noordzee en het Kanaal. Waarschijnlijk heeft deze kleine populatie in de Oosterschelde zich specifiek aangepast aan de lokale omstandigheden in dat gebied.

De Europese kreeft (links) heeft ook nog een kleine afwijkende populatie in de Oosterschelde (rechts). — Wikimedia Commons & J. van Alphen

31.4 Gedrag van de vis ten opzichte van vistuig

Zeekat

De visserij met potten op zeekat is een lokvisserij, waarbij de vangst van de zeekat is gebaseerd op het paaigedrag. Mannelijke zeekatten worden in de pot gelokt door een reeds eerder gevangen vrouwelijk exemplaar. Het vrouwtje wordt gevangen met staande netten en vervolgens in een pot geplaatst tijdens het uitzetten van de potten. In plaats van vrouwelijke zeekatten worden er ook wel witte PVC-melkflessen gebruikt om zeekatten in de pot te lokken.

In deze pot zit een witte melkfles om de zeekat te lokken. — aupaysdesvolcans.chez-alice.fr

Noordzeekrab
Doordat korven passieve vistuigen zijn, is de vangst van Noordzeekrab en Europese kreeft sterk afhankelijk van het gedrag. Vanuit Engeland is bekend dat de krabbenvisserij gedurende het hele jaar beoefend kan worden, maar dit is wel afhankelijk van het weer. Zo zal er in de wintermaanden met ruw weer minder efficiënt ingehaald kunnen worden. In Engeland ligt het piekseizoen in de maanden mei en juni. In Noorwegen wordt voornamelijk tussen april en november op krabben gevist.

Gevangen Noordzeekrab. — Seafish

De Noordzeekrabben trekken in de herfst naar diepere wateren, omdat ze gevoelig zijn voor lage temperaturen. In het voorjaar/zomer (zo rond mei) trekken de dieren weer terug naar de kustwateren. Uit onderzoeken is gebleken dat Noordzeekrabben tijdens deze migratie grote afstanden kunnen afleggen, namelijk zo’n 50 tot 100 km. Ook is gebleken dat vrouwtjes langere afstanden afleggen dan mannetjes.

Europese kreeft
Voor de Europese kreeft zijn er verschillende vangstseizoenen. Zo loopt het eerste vangstseizoen van april tot eind juni/medio juli. Vervolgens vindt de paringsperiode plaats voor de Europese kreeft. Deze paringsperiode loopt van juli tot eind september. In deze maanden mag er niet op de kreeften gevist worden. Vervolgens start het tweede seizoen waarop men op Europese kreeft mag vissen. Deze periode loopt van oktober tot midden februari. Ondermaatse kreeften en kreeften met eieren moeten worden teruggezet.

Europese kreeft met scharen omhoog. — Seafish

31.5 Verwerking

Zeekat
Zodra de potten zijn binnengehaald worden ze geleegd. Hierbij worden de zeekatten in viskisten gedaan en gekoeld opgeslagen.

De gevangen zeekat wordt gekoeld in viskisten aangevoerd. — ILVO

Krabben en kreeften
De kooien worden aan boord gehaald en de vangst wordt levend in een bak verzameld. Zowel Noordzeekrabben als ook de Europese kreeft zijn kannibalistisch, dat wil zeggen dat ze hun eigen soortgenoten doden. Om te voorkomen dat de krabben elkaar te lijf gaan worden vaak de pezen van de scharen doorgesneden.

Vanuit dierenwelzijnsoogpunt groeit er echter kritiek op het doorsnijden van de pezen. Daarom zijn er ook alternatieve methodes om kannibalisme te voorkomen, bijvoorbeeld door de scharen vast te binden met elastiek. Door het plaatsen van tanks aan boord kan krab en kreeft levend worden aangevoerd, iets wat de kwaliteit ten goede komt.

De scharen van krabben en kreeften worden meestal vastgebonden met elastiek. — Wikimedia Commons

31.6 Duurzaamheid

Zeekat
In Nederland zijn er in 2011 praktijkproeven uitgevoerd met deze visserijmethode, maar daar werden geen rendabele vangsten mee bereikt. Deze visserijmethode kan alleen rendabel zijn als er voldoende zeekat aanwezig is. Er moeten dus voldoende dieren naar het noorden trekken en ook moet het zeewater niet te troebel zijn voor succesvolle vangsten met deze visserijmethode. Verder is wel gebleken dat deze visserijmethode erg selectief is, geen bodemberoering heeft en weinig brandstof vergt.

Maar er zijn ook een aantal nadelen aan deze visserijmethode. Allereerst is door de grote lijnlengte (bij 500 tot 1000 potten) die gebruikt moet worden voor deze visserij de kans op afvissen bijzonder hoog. Het is moeilijk deze visserij uit te oefenen wanneer er sleepnetvissers actief zijn in dit gebied. Een mogelijkheid voor deze visserij zou een afgesloten gebied zijn, zoals bij windmolenparken of beschermde natuurgebieden.

De kans op afvissen wordt ook nog eens vergroot wanneer men de potten 1 à 2 maanden na het seizoen open laat staan op de bodem van de zee. Dit zou men moeten toepassen om ervoor te zorgen dat de eitjes in de korven uitkomen en zo een nieuwe populatie wordt gekweekt. Men zegt dat de zeekatten terugkomen op hun geboortegrond. Wanneer men dit niet zou doen, gaat dit ten koste van de populatie, omdat men de eitjes op de kant moet uitspuiten. Als bijkomstigheid is het schoonmaken van een pot geen prettig iets.

Eieren zeekat. — Programma naar een Rijke Waddenzee

Het potseizoen duurt tussen de 4 en 6 weken. Inclusief het openzetten voor de eitjes komt dat neer op ongeveer 12 weken per jaar dat de potten te water zijn. Voor de overige 40 weken per jaar moet er dus opslag gerealiseerd worden. Deze opslag moet betaald worden.

Krabben en kreeften
De vissers noemen de krabbenvisserij zelf duurzaam, want er is geen bijvangst, de zeebodem wordt met rust gelaten en het brandstofverbruik is laag. Voor een duurzame visserij van kreeft en krab is het wel van belang om rekening te houden met het relatief trage voortplantingsproces van deze dieren (Europese kreeft is geslachtsrijp na 5 jaar, Noordzeekrab na 3 a 4 jaar).

Vrouwelijke Noordzeekrab met eieren. — Hans Hillewaert

Ook is er nog vrij weinig bekend over de grootte van de Noordzeekrab- en Europese kreeft bestanden. Doordat er nog relatief weinig bekend over de grootte van de bestanden, terwijl de visserijdruk in sommige gebieden wel is toegenomen, is het van belang om beheersmaatregelen te ontwikkelen. Daarom zijn er voor deze soorten een aantal beheersmaatregelen ingesteld, bijvoorbeeld:

Europese kreeft:

  • het beperken van het aantal vergunningen voor het vangen van kreeft;
  • het vastleggen van een maximaal aantal korven per visser;
  • het instellen van een minimum aanlandingsmaat;
  • het verbieden van de vangst van eidragende vrouwtjes (bepaalde landen);
  • het aanbrengen van een inkeping in de staart van vrouwtjeskreeften bij vrijlating, zodat deze niet meer kunnen worden verhandeld voordat ze enkele keren verschaald zijn.

Noordzeekrab:

  • de minimale grootte van het pantser (gemeten in de breedte, tussen de twee buitenranden) is vastgelegd op 14 cm ten noorden van de 48ste breedtegraad en op 13 cm ten zuiden van deze breedtegraad;
  • de aanvoer van afzonderlijke krabbenscharen is beperkt tot een maximum van 5 % van het totaalgewicht van de gevangen levende krabben;
  • in bepaalde graafschappen van het Verenigd Koninkrijk is het aanvoeren van scharen verboden.
Het opmeten van het pantser van een Noordzeekrab. — Seafish

Verder kunnen de korven weleens op de een of andere manier verloren gaan, waardoor ze onbedoeld dieren blijven bijvangen (spookvissen) of uiteindelijk als zwerfvuil aanspoelen op het land. 

Soms kunnen korven verloren raken, waardoor ze schade kunnen aanrichten in zee door dieren te blijven vangen (ook wel spookvissen genoemd). — Walter Baxter

32 Bronnen

  • Cramer, R., 2011. Verslag: reis naar Cornwall, 26 t/m 28 november 2011.
  • Den Heijer, W. M., Keus, B., 2001. Bestaande vistuigen als mogelijk alternatief voor de boomkor.
  • Galbraith, R. D., Rice, A., 2004. An introduction to Commercial Fishing Gear and Methods Used in Scotland.
  • Geertsema, B., Geertsema, J., geen datum. Introductie in de hardervisserij op de Waddenzee.
  • Gmelig Meyling, A. W., 2008. Europese zeekreeft.
  • Jak, R. G., 2016. Verkenning doorvaren passieve vistuigen.
  • Kenniskring Staandwantvisserij op tong, 2013. Staandwantvisserij op platvis en kabeljauw.
  • Lenoir, H., 2014. Overview of fishing gears.
  • Montgomerie, M, 2015. Basic fishing methods: A comprehensive guide to commercial fishing methods.
  • Polet, H., Depestele, J., 2010. IMPACT ASSESSMENT OF THE EFFECTS OF A SELECTED RANGE OF FISHING GEARS IN THE NORTH SEA.
  • Quirijns, F., Van der Hammen, T., Van Overzee, H., 2013. Kennisdocument Zeebaars: de vis, de visserij en haar beheer.
  • Slijkerman, D. M. E., 2008. Krabbenvisserij op de Noordzee; ecologische achtergronden voor een duurzame afweging.
  • Sportvisserij Nederland, 2013. Nieuwe kijk op zeebaars.
  • Steenbergen, J., Rasenberg, M., Van der Hammen, T., Biermans, S., 2012. Gerichte visserij op Noordzeekrab.
  • Stichting de Noordzee, 2015. Noodmaatregelen voor zeebaars.
  • Van Marlen, B., Vandenberghe, C., Van Craeynest, N., Korving, A., Cramer, R., Reker, E., 2011. VIP project Passieve Visserij Ontwikkeling.
  • Van Winsen, F., Verleye, T., Vanderperren, E., Torreele, E., Derudder, N., Verlé, K., Polet, H., Lescrauwaet, A., 2016. LIVIS Een transitie naar commerciële kleinschalige visserij in België.
  • Verhaeghe, D., Van Craeynest, K., Polet, H., 2008. Eindrapport Project Schakels en Potten; STUDIE NAAR DE HAALBAARHEID VAN GESELECTEERDE PASSIEVE VISSERIJMETHODES.
  • Verhaeghe, D., Polet, H., 2012. EINDRAPPORT “STUDIE EN DEMONSTRATIE VAN GESELECTEERDE PASSIEVE VISSERIJMETHODES IN DE NOORDZEE EN DE KELTISCHE ZEE”.
  • Visserijnieuws, 2008. Unieke squidjigger/flyshooter/twinrigger opgeleverd bij Padmos; SL-9 gooit net over andere boeg.
  • Visserijnieuws, 2012. ZK-4 bestrijdt overlast van krabben op mosselpercelen; Krabben vissen zonder bijvangst.
  • Visserijnieuws, 2015. VBHL getroffen; MSC-certificaat Nederlandse zeebaarsvissers geschorst.
  • Viswijzer, 2016. Europese kreeft.
  • Zeevruchten gids, 2015. Noordzeekrab.
  • Zeevruchten gids, 2015. Kreeft.

33 Mosselvisserij

In Nederland worden bijna alle mosselen op de bodem van de zee(-armen) gekweekt. De Nederlandse mosselvisserij maakt dus voornamelijk gebruik van bodemcultuur (bottom culture). Dit is een van de goedkoopste manieren om mosselen te kweken. De natuurlijke omstandigheden in Nederland, zoals het ondiepe water, zijn gunstig voor de bodemcultuur en in Nederland hebben we al eeuwjarenlange ervaring opgebouwd met deze kweektechniek.

Een mosselkotter. — Het Nederlands Mosselbureau

34 Bodemcultuur

Zodra het mosselzaad eenmaal is gevangen wordt het overgrote deel uitgestrooid op de kweekpercelen. De mosselkwekers pachten de percelen van de overheid. Deze kweekpercelen liggen voor het grootste gedeelte in de Waddenzee en in mindere mate in de Oosterschelde. Het ondiepe, voedselrijke water van de Waddenzee is uitstekend voor een snelle groei van de mosselen. Zodra de mosselen ongeveer 10 tot 15 maanden oud zijn en een lengte hebben bereikt van 4 á 5 cm (‘halfwasmosselen’), worden ze verplaatst naar de meer beschutte percelen. Daar kunnen ze uitgroeien tot ‘consumptiemosselen’ van 5 cm en groter met een gewicht van ongeveer 20 gram. Meestal bereiken ze deze grootte na ongeveer 2 jaar.

Jonge mosselen die zijn opgevist om ergens anders uit te groeien tot volwassen mosselen.

Deze beschutte percelen bevinden zich over het algemeen in de Oosterschelde. De percelen daar zijn dieper en hebben een zwakkere stroming. Daardoor bevat het water minder zand- en slibdeeltjes. Hierdoor krijgt de mossel de kans om zichzelf van zand- en slibdeeltjes te ontdoen. Deze laatste stap verhoogt de kwaliteit van het product. Het zand zou anders tussen de tanden van de consument terecht komen.

Bij een bodemcultuur worden mosselen uitgezet op bodempercelen om uit te groeien tot consumptiemosselen. — Seafish

Om tot een optimale productie te komen is een mosselkweker afhankelijk van de ligging van de percelen. De groei en overleving worden onder andere bepaald door:

  • de beschikbaarheid van voedsel;
  • vraat door roofdieren zoals krabben en zeesterren; en
  • stormen die ervoor zorgen dat de mosselen van de percelen verdwijnen.

De mosselkweker doet zijn uiterste best om de percelen in een prima conditie te houden. Regelmatig maakt een mosselkweker de percelen schoon. Daarbij gaat het vooral om het verwijderen van zeesterren; aartsvijand nummer één van de mossel. De zeester is namelijk in staat om de mosselschelp open te trekken en de mossel op te eten (zie onderstaande afbeelding). Zeesterren kunnen in grote aantallen enorme schade aanrichten.

Een zeester verorbert een mossel. — Mosselwad

Het verwijderen van zeesterren van een perceel kan op verschillende manieren. Zo kun je bijvoorbeeld de mosselen opvissen. Tussen de mosselen zitten ook de zeesterren. Eenmaal aan boord worden de mosselen in een bak zoetwater gelegd. De mosselen kunnen prima tegen het zoete water, maar de zeesterren niet. Vervolgens worden de mosselen weer uitgezaaid op een schoon perceel.

Tegenwoordig gebruiken de meeste mosselkwekers echter een zeesterrendweil. Hierbij worden de zeesterren gevangen door met strengen gerafeld touw de percelen te ‘dweilen’. De zeesterren blijven door hun ruwe oppervlak in het touw van de ‘dweil’ hangen. Door de dweil aan boord in warm water te dompelen kunnen de zeesterren worden verwijderd. Bij onderdompeling in warm water worden de zeesterren namelijk slap en glad, waardoor ze makkelijk van de dweil af vallen. Er zijn ook andere behandelingen getest (zuur, base en zout), maar geen van deze behandelingen was succesvoller dan warm water.

De kwaliteit van een perceel wordt verder ook bepaald door de ligging en de diepte. Bij strenge winters hebben ondiepe percelen meer te lijden dan diepe percelen. IJsgang kan bij ondiepe percelen de mosselvoorraad aantasten. Datzelfde geldt voor stormen. Percelen die in dieper water en op minder stormgevoelige plaatsen liggen zijn minder kwetsbaar.

Strenge winters kunnen grote gevolgen hebben voor de mosselkweek. Zo kunnen deze ijsschotsen op de Oosterschelde percelen aantasten. — ©Kosten voor DNA-beeldbank op www.laatzeelandzien.nl

Verder kan de mosselkweker de groeisnelheid ook beïnvloeden door te variëren met de dichtheid waarmee het mosselzaad op het perceel verspreid wordt. Zo worden de mosselen via de zaaikokers op het perceel gesproeid. Hierdoor ligt er op sommige plekken heel veel zaad, terwijl er op andere plekken nauwelijks mosselzaad ligt. Op de plekken met hoge concentraties mosselzaad beconcurreren de mosselen elkaar om voedsel en zal de groei minder sterk zijn. Er worden momenteel andere zaaimethodes onderzocht.

Zodra de mosselen de gewenste grootte hebben bereikt kunnen ze worden opgevist voor consumptie. — Het Nederlands Mosselbureau

Zodra de mosselen de gewenste grootte hebben bereikt kunnen ze worden opgevist met de mosselkor en verder worden verwerkt. De aanvoer van consumptiemosselen varieert door de jaren heen en lag in de afgelopen 15 jaar tussen de 30 en 70 miljoen kilo.

Met behulp van de mosselkorren worden de consumptiemosselen opgevist en opgeslagen in witte zakken aan boord. — Seafish

35 Visserijonderzoek

Onderzoekers onderzoeken de ontwikkeling van vis- en schelpdierbestanden in zee om de overheid te adviseren bij het beheer van de visserij. Bij het visserijonderzoek doet men onderzoek naar verschillende vis- en schelpdierbestanden. In deze lesmodule bespreken we hoe onderzoekers vis- en schelpdierbestanden in kaart proberen te brengen. Ook zal worden ingegaan op de uitdagingen waar onderzoekers mee te maken hebben bij het doen van onderzoek.

Meten is weten. — Wageningen Marine Research

36 Hangcultuur

Een kleiner deel van het mosselzaad wordt in lange, kousvormige netten gestopt die aan drijvende constructies hangen. In die netten wordt het mosselzaad tot consumptiemossel opgekweekt. Het voordeel van een hangcultuur is dat ze niet in aanraking komen met de zeebodem. Daardoor komen er minder zand- en slibdeeltjes in het vlees. Hierdoor hoeven ze ook niet meer verplaatst te worden om zichzelf schoon te spoelen van het zand.

Mosselen die zijn opgekweekt met de hangcultuur. — Nederlands Mosselbureau

Verder zijn de hangende mosselen onbereikbaar voor bodemroofdieren, zoals krabben en zeesterren. De mosselen groeien ook iets sneller, waardoor ze eerder op de markt komen. Het kweken van hangcultuurmosselen is wel arbeidsintensiever dan de bodemcultuur en daardoor ook duurder. Zo worden ze gedurende de groei enkele malen uitgedund en opnieuw opgesokt. Daarnaast worden de hangcultuurmosselen op een andere wijze machinaal onttrost, omdat ze door de snellere groei een minder sterke schelp bezitten.

Mosselen die worden opgekweekt tot consumptiemosselen in een hangcultuur. — Schmidt Zeevis

37 Samenwerking tussen onderzoek en beheerder

De EU beheert visbestanden niet in haar eentje, dit vergt samenwerking. Voor het invullen van het visserijbeheer vragen beheerders vaak hulp aan onderzoekers. Onderzoekers leveren bijvoorbeeld gegevens over de hoogte van de visstand en kunnen advies geven over het effect van verschillende beheermaatregelen. Daarnaast krijgen vissers een steeds duidelijkere stem bij het invullen van beleid en beheer. Oftewel, samenwerking tussen verschillende partijen is belangrijk voor een goed visserijbeheer.

Visserij onderzoek is er onder andere op gericht om lengte- en gewichtsgegevens van vissen te verzamelen. — Kelle Moreau, ILVO.

Visserijonderzoekers maken geen beslissingen over doelen of maatregelen: zij voeren alleen maar berekeningen uit en leveren advies op verzoek van de EU. Het zijn de Europese ministers van visserij die uiteindelijk beslissen hoe hoog het vangstquotum zal zijn, welke gebieden worden gesloten, waar met welk tuig mag worden gevist, enzovoorts.

Wanneer de Europese ministers bijvoorbeeld de vangstquota vast gaan stellen, winnen zij eerst advies in van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES – the International Council for the Exploration of the Sea). De visserijonderzoekers van ICES schatten dan hoe groot de visstand is, hoe hoog de visserijdruk is en hoe vangstquota van verschillende hoogten effect zullen hebben op de visstand.

Het proces van onderzoek naar TAC is vrij ingewikkeld en kent meerdere partijen. — Wageningen Marine Research

Beheerders letten bij het vaststellen van quota en andere maatregelen ook op de gevolgen van de maatregelen voor bijvoorbeeld de economische positie van de vissers en de werkgelegenheid in de visserijsector. Daarvoor wint Europa advies in van haar eigen sociaaleconomische commissie, het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (STECF – Scientific, Technical and Economic Committee for Fisheries) en de adviesraden. Deze adviesraden bestaan uit vertegenwoordigers uit de visserijsector en andere belangengroepen, zoals milieuorganisaties.

Kortom, beheerders maken de keuzes over de doelen en de beheermaatregelen, zoals de hoogte van de vangstquota. Onderzoekers voeren op verzoek van de beheerders berekeningen uit en informeren de beheerders zo goed mogelijk over alle verschillende manieren waarop je visbestanden kunt beheren.

Vangstquota voor demersale soorten — WUR

38 Maximaal duurzame oogst (MSY)

Vissen doe je niet in je eentje. Als jij de enige zou zijn op de Noordzee, heb je het rijk voor jou alleen en heb je een geweldig vangstsucces. Als enige visser oefen je immers nauwelijks druk uit op het visbestand. Dat bestand is dus groot in omvang en je vangt vis van allerlei maten (marktcategorieën). Topvangsten en topbesommingen dus. Helaas is dit niet de realiteit, je moet de zee en de vis met andere vissers delen. Alle vissers samen kunnen we een (te) grote druk uitoefenen op het visbestand in zee. Vandaar dat je de visserij-inspanning (de hoeveelheid boten, visdagen etc.) moet beheren om overbevissing te voorkomen. De visserij-inspanning beïnvloed niet alleen het individuele vangstsucces van een visser, maar ook de totale vangst in kilo’s van alle vissers op de Noordzee. Met het nieuwe gemeenschappelijke visserijbeleid wil de beheerder die vangst op een duurzame manier jaar na jaar zo groot mogelijk krijgen, dit noemt men de Maximaal Duurzame Oogst (MSY).

Hoe bereik je MSY? Welke vlootomvang levert die maximale oogst op? Niet een te kleine vloot, want dan haal je misschien niet de maximale oogst aan vis uit zee en dan ben je aan het onderbevissen. Daarentegen wil je ook niet met een te grote vloot vissen, want dan kun je meer vis uit zee halen dan dat er jaarlijks bij komt. Op termijn zorgt een hoge visserij-inspanning namelijk voor een lage visstand en een laag vangstsucces per schip. In dat geval ben je aan het overbevissen en haal je niet het maximale aantal kilo’s vis uit zee op de lange termijn.

Tussen die twee uitersten – heel lage visserij-inspanning en heel hoge visserij- inspanning – ligt ergens een middelmatige inspanning die de maximaal duurzame oogst oplevert. Om dit te illustreren kun je onderstaand voorbeeld bekijken. In iedere zee start je met 20 vissen en een verschillende visserij-inspanning.

Bij dit voorbeeld ga je er vanuit dat de hoeveelheid vis die je in zee achterlaat zich ieder jaar verdubbeld, want deze krijgt de kans zich voort te planten. In de bovenste rij van het voorbeeld heb je een visserij-inspanning van 15 vissen per jaar, in de middelste rij een visserij-inspanning van 10 vissen per jaar en in de onderste rij een visserij-inspanning van 5 vissen per jaar. Na drie jaar zie je dat de bovenste rij resulteert in overbevissing, de onderste rij in onderbevissing en de middelste rij in een maximaal duurzame oogst. Dit wil zeggen, je haalt er ieder jaar een maximale hoeveelheid vis uit zonder het visbestand aan te tasten. — ProSea

Natuurlijk is dit een simplistisch voorbeeld en gaat het er in zee veel moeilijker aan toe. Hoe dan ook maakt dit voorbeeld wel duidelijk dat je door slim te vissen, je op de lange termijn meer vis kunt vangen zonder het visbestand in zee in gevaar te brengen. Je vist dan als het ware de rente van het kapitaal op.

38.1 De oogstcurve

In onderstaande afbeelding zie je het verband tussen visserij-inspanning, de totale oogst en de visstand. De groene parabool heet de oogstcurve, dit staat voor de hoeveelheid maatse vis die je uit zee haalt. De rode lijn staat voor de hoeveelheid maatse vis in zee, dit is vis die zich kan voortplanten. De visserij-inspanning op de onderste as (x-as) staat voor hoe hard je vist. Dit kun je zien als het aantal schepen, zeedagen, pk’s.

Verband tussen visserij-inspanning (x-as) en de totale oogst (groene lijn) en de visstand (rode lijn). In de oogstcurve is het niveau van MSY, oftewel de maximaal duurzame oogst, ingetekend. De zwarte driehoek op de x-as is de visserij-inspanning die hoort bij de hoogste oogst van vis. Met die visserij-inspanning bereik je dus MSY. — ProSea

Het moge duidelijk zijn dat je bij een lage visserij-inspanning ook niet veel zult aanvoeren. Als je gaat vissen met meer inspanning (meer schepen/zeedagen/pk’s), dan zal de aanvoer van vis toenemen. Hier zit daarentegen wel een optimum aan, want op een bepaald moment neemt je aanvoer van vis af bij een te hoge inspanning. Je begint dan minder te vangen ondanks dat je met meer schepen, meer pk’s of meer zeedagen vist. Dit komt dan doordat je meer vissen vangt dan dat er jaarlijks bijkomen.

Het liefst wil je een visserij-inspanning zoals aangegeven met de zwarte driehoek op de x-as, want die zorgt voor de hoogste opbrengst aan vis. Met die visserij-inspanning wordt de opbrengst aan vis gemaximaliseerd op de lange termijn (MSY). Deze curve noemt men de oogstcurve en deze vormt de basis van het huidige visserijbeheer. In principe kan zo’n oogstcurve voor iedere visserij worden berekend aan de hand van gegevens uit de visserij.

De oogstcurve geeft evenwichtssituaties weer. Dat betekent dat deze grafiek de totale oogst en de visstand laat zien die je op lange termijn bij een bepaalde visserij-inspanning kunt verwachten. Dat heeft dus gevolgen voor hoe je deze grafiek kunt lezen. Als voorbeeld kijken we naar de oogstcurve in onderstaande afbeelding. Stel nou dat de visserij-inspanning vandaag bij de gele driehoek ligt, met de gele cirkel als bijbehorende totale oogst. Stel dat de beheerder morgen besluit om de visserij-inspanning te halveren om bij MSY uit te komen, dan zal het quotum en het aantal zeedagen worden gehalveerd. De visserij-inspanning ligt dan gelijk bij de zwarte driehoek, maar dan zul je niet direct ook de maximale oogst vangen.

In deze situatie wordt de visserij-inspanning teruggebracht van het niveau van het gele driehoekje naar het niveau van het zwarte driehoekje, welke staat voor een visserij-inspanning op MSY-niveau. Hierdoor zal de oogst op de korte termijn afnemen, maar op de langere termijn juist weer toenemen. — ProSea

Eerst zal de totale oogst halveren (zwarte pijl), want de visserij-inspanning is met de helft verminderd. Hierdoor kan de vloot op de korte termijn in totaal nog minder aanvoeren. De gestippelde pijl laat zien wat op termijn, dus na de vertragingstijd, met de oogst zal gebeuren. Deze zal langzaam omhoog kruipen naar MSY, want het visbestand heeft tijd nodig om weer aan te groeien en zich aan te passen aan de nieuwe omstandigheden met lagere visserij-inspanning. Omdat de visstand op termijn stijgt bij een lagere visserij-inspanning, ervan uitgaande dat de natuur meezit en de aanwas van jonge vis niet tegenvalt, kunnen er op termijn door deze verkleinde vloot in totaal meer kilo’s vis geoogst worden.

38.2 Onder- en overbevissing

Overbevissing is een zorg van veel beheerders, maar wat bedoelen ze nou precies met overbevissing? Net als bij de term ‘duurzaamheid’ kan je ‘overbevissing’ op verschillende manieren uitleggen. De definitie van overbevissing is afhankelijk van wat de beheerder van de visserij verlangt. Het huidige beheer streeft naar het bereiken van het MSY-niveau in 2020 voor alle Europese visbestanden. Volgens dit principe wordt een bestand ‘overbevist’ genoemd wanneer de visserijdruk hoger is dan de visserijdruk die de maximaal duurzame oogst zou opleveren. Als gevolg hiervan is de totale oogst in het geval van overbevissing dus lager dan wat het zou kunnen zijn wanneer de vloot wat minder hard zou vissen. Aan de andere kant kun je het dan ook hebben over ‘onderbevissing’. Wanneer de vloot-inspanning namelijk te klein is, benut je niet de meest volledig haalbare oogst, wat ook te zien is in onderstaande afbeelding.

De oogstcurve met daarin aangegeven wanneer er sprake is van onder- en overbevissing. — ProSea

De visstand veranderd continu, zowel onder invloed van de mens als van de natuur. Door de mens te sturen probeert de beheerder in het visserijbeheer de visserijdruk zo af te stellen dat de doelen bereikt worden. Dat doel kan dus zijn: ofwel garanderen dat er minstens een minimale hoeveelheid ouderdieren rondzwemt, ofwel een zo groot mogelijke vangst op de lange termijn.

39 Bestandschatting

Een onderzoeker zei ooit dat het tellen van vissen hetzelfde is als het tellen van bomen, met het verschil dat vissen bewegen en onzichtbaar zijn (want ze zitten onder water). Het is dus geen gemakkelijke klus om te bekijken hoeveel vis er in zee zwemt. In tropisch, helder water kun je vissen onderwater wel zien en kun je ze letterlijk tellen. Als je dit op voldoende plaatsen doet, kun je ongeveer schatten hoeveel vis er in zee zit. Maar in de Noordzee, die erg troebel is, werkt deze methode niet. Daar moet je de omvang van het bestand op een andere manier schatten. Deze bestandschatting, of toestandbeoordeling, wordt voor de Noordzee uitgevoerd door de International Council for the Exploration of the Sea (ICES), oftewel de Internationale Raad voor Zeeonderzoek. Zij schatten niet alleen de grootte van de visstand, maar ook hoe hard er op een visbestand gevist wordt door de mens (de visserijdruk of visserijsterfte (F)). Bij ICES werken onderzoekers uit 20 verschillende landen. Vanuit Nederland worden onderzoekers van Wageningen Marine Research naar ICES gestuurd.

ICES gebruikt data van vangsten, het milieu en surveygegevens om advies voor quota te geven aan de EU. — ICES

39.1 Waarom een bestandsschatting

Voor soorten die beheerd worden door middel van een TAC (totale toegestane vangst) of quotum, is het nodig om te weten hoeveel vis er in zee zwemt en hoe hoog de visserijdruk is. Immers, je hebt als beheerder informatie nodig over de hoeveelheid vis die in zee zwemt, voordat je kunt bepalen hoeveel er veilig gevangen kan worden zonder het visbestand in gevaar te brengen.

Vangstadvies

Er is dus informatie nodig over hoe groot de visbestanden zijn. Daarom schatten onderzoekers van ICES de visstand op verzoek van de beheerder, de Europese Unie (EU). Onderzoekers geven zogenaamde vangstadviezen af. Deze vangstadviezen geven dus aan hoeveel vis er volgens de onderzoekers verantwoord gevangen kan worden. Het is uiteindelijk aan de beheerder om te besluiten of ze deze vangstadviezen volgen of niet.

Bestandsschatting

Om een vangstadvies te kunnen geven, moet een onderzoeker eerst onderzoek doen naar de grootte van de visstand. Hiervoor voeren onderzoekers bestandsschattingen uit. Voor de meeste soorten doen ze dat elk jaar opnieuw, omdat de EU voor die soorten jaarlijks een nieuw vangstadvies wil om een TAC te kunnen bepalen.

Sommige soorten zijn daarin een uitzondering. Een voorbeeld is horsmakreel waarvan de TAC eens in de drie jaar wordt vastgesteld. Voor deze soort voert men dus slechts eens in de drie jaar een bestandschatting uit.

Eieren van de driejaarlijkse makreeleisurvey op de Noordzee. Deze survey is een onderdeel van de internationale Noordoost Atlantische makreel- en horsmakreeleisurvey. Het doel van de survey is een bestandsbepaling van makreel en horsmakreel via de eiproductie van deze soorten.

Daarnaast is een bestandschatting ook nodig om te zien of het beheer door de tijd heen effectief is geweest. Als je schattingen van ontwikkelingen in de visstand afzet tegen de verschillende beheersinstrumenten en verschillende natuurlijke omstandigheden in diezelfde tijdsperiode, kun je beter zien welke invloed het beheer heeft gehad op de visbestanden.

Voor onderzoek naar bepaalde visbestanden spelen eieren en larven een belangrijke rol.

Tot voor kort heeft het visserijbeheer in de Noordzee zich steeds gericht op het behouden van een minimale hoeveelheid ouderdieren in zee. Daarbij ging de aandacht vooral uit naar schattingen over de bestandsgrootte. Maar omdat het visserijbeheer zich tegenwoordig meer richt op het bereiken van de visserijdruk die de Maximaal Duurzame Oogst (MSY) oplevert, zal het schatten van de hoogte van de visserijsterfte waarschijnlijk meer aandacht gaan krijgen.

39.2 Voor welke soorten is er een bestandsschatting

In de Noordzee wordt de bestandsgrootte geschat voor een aantal demersale soorten (bijvoorbeeld tong, schol en kabeljauw) en een aantal pelagische soorten (zoals haring, makreel en sprot).

Garnalenbestanden zijn lastig in kaart te brengen, vandaar dat daar geen bestandsschattingen voor zijn. — Lamiot

Ongequoteerde soorten

Voor garnalen bestaat geen bestandschatting. Een reden daarvoor is dat het doen van een bestandschatting voor garnalen moeilijk is, omdat gangbare methodes zoals gebruikt voor bijvoorbeeld platvis niet werken. Garnalen worden niet met TAC’s, maar met andere instrumenten beheerd. Voor bijvoorbeeld harder, mul en poon wordt nog geen quotum vastgesteld, dus ook geen bestandschatting uitgevoerd. Dit zijn zogenaamde ongequoteerde soorten.

Data-gelimiteerde bestanden

Tarbot en griet zijn bijzondere soorten omdat ze gequoteerd zijn, terwijl er geen bestandschatting wordt uitgevoerd. Ze maken onderdeel uit van data-gelimiteerde bestanden. Dit zijn bestanden waarvoor in beperkte mate gegevens beschikbaar zijn. Bij het maken van bestandsschattingen en vangstadviezen voor deze soorten bestaat grotere onzekerheid dan wanneer er veel gegevens voor handen zijn. Dit leidt ertoe dat vangstadviezen voor data-gelimiteerde bestanden voorzichtiger zijn dan vangstadviezen voor bestanden waarvan meer gegevens bekend zijn. 

Aan boord van de UK-64 werd de bedrijfssurvey naar tarbot en griet uitgevoerd.

Er zijn meer wetenschappelijke gegevens nodig  over tarbot en griet om daar een passend vangstadvies bij te geven. Daarom voeren de Nederlandse visserijsector, de wetenschap en maatschappelijke organisaties onder de noemer ‘Onderzoekssamenwerking 2.0’ een bedrijfssurvey uit naar deze bestanden. Het doel van de bedrijfssurvey is het verzamelen van gegevens van de aantallen, de lengte, het gewicht, de leeftijd en het geslacht van tarbot en griet in de Noordzee. Met deze extra gegevens kan een betere inschattingen worden gemaakt over de grootte van het bestand. Dit kan dan weer resulteren in vangstadviezen die beter passen bij de situatie op zee.

39.3 Vangstsucces als maat voor de visstand

Het vangstsucces kan voor sommige vissoorten ook een belangrijke bron van informatie zijn om te bepalen hoe een visbestand zich ontwikkeld. Je kunt het vangstsucces zien als de vangst per trek. Dit zegt niets over hoeveel tonnen vis er bij zijn gekomen of afgegaan, maar het laat wel zien hoeveel meer of minder vis er in zee zit in vergelijking met voorgaande jaren. Zo zie je aan het vangstsucces bijvoorbeeld dat je per trek twee keer zoveel vangst ten opzichte van vorig jaar. Het vangstsucces is dus de verhouding tussen de vangst (in kilo’s) en inspanning (pk’s, zeedagen).

Informatie over het vangstsucces in de visserij komt bijvoorbeeld uit de EU-logboeken. Hierin noteren de vissers het motorvermogen, het tuig, de marktwaardige vangst per vissoort en het ICES-kwadrant waarin ze vissen. Al deze informatie komt terecht in een database. Deze database bevat gegevens over de totale aanvoer (kilo’s) en inspanning (zeedagen × motorvermogen) voor alle landen die vissen op bijvoorbeeld Noordzeetong. De totale aanvoer wordt gedeeld door de totale inspanning en dat geeft het vangstsucces voor de internationale tongvisserij (in kilo’s per kilowatt-dag). Die berekening wordt elk jaar gedaan, waardoor een tijdserie met het gemiddelde vangstsucces per jaar ontstaat.

Hier zie je de verschillende ICES-kwadranten voor de Noordzee. — ICES

Er is uit onderzoek gebleken dat het vangstsucces van demersale vissen, zoals schol en tong, een afspiegeling kan zijn van ontwikkelingen in de visstand. Het vangstsucces kun je dan zien als relatieve maat voor de visstand. Het vertelt je of de visstand toe- of afneemt. Je kunt de visstand daarom beheren door alléén naar het vangstsucces van vissers te kijken. Dat doen ze bijvoorbeeld in veel tropische gebieden. Maar in de Noordzee wordt TAC-beheer uitgevoerd. En dat is alleen mogelijk wanneer bekend is hoeveel vis er in zee zit (de ‘absolute grootte’ van het bestand).

We kunnen de absolute hoeveelheid vis in zee niet meten, zoals je wel het vangstsucces kunt meten. Je kunt de visstand wel berekenen of schatten met behulp van een model. Daarom is nooit tot op de kilo nauwkeurig bekend hoeveel vis er in zee zit. Er zullen altijd onzekerheden zijn. Verderop in dit onderdeel lees je hoe groot die onzekerheden zijn en op welke manier daar in het TAC-beheer rekening mee wordt gehouden.

39.4 Bestandsschatting demersale bestanden (tong en schol)

Voor tong en schol wordt de grootte van de visstand geschat met behulp van een model. Daarbij gaat het de beheerders niet om de biomassa (aantallen × gewicht) van de hele visstand, maar om de biomassa van de paairijpe schol of tong – de paaistand. Bijna alle maatse schol en tong is ook paairijp.

Om de omvang van de paaistand te kunnen berekenen gebruiken onderzoekers twee informatiebronnen:

  1. De vangst van tong en schol door de visserij; zowel van jaren geleden als die van de meest recente jaren. Hiervan worden de aantallen en gewichten van tong en schol per leeftijd berekend, dus totale kilo’s schol van één jaar oud, van twee jaar oud, etc.;
  2. Het vangstsucces van de visserij en/of van onderzoeksschepen.

Hieruit blijkt wel hoe belangrijk informatie vanuit de visserij voor de bestandschatting is.

De vangsten van vissers leveren veel informatie. Een deel van de vangst wordt verder onderzocht in het laboratorium van Wageningen Marine Research. — ProSea

Hoe groot is de visstand

Het principe voor het bepalen van de hoeveelheid vis in zee in tonnen is eenvoudig: Elke vis die in zee zwemt gaat een keer dood. Als je bijhoudt hoeveel vissen er ieder jaar dood gaan door de visserij en door natuurlijke oorzaken, kun je reconstrueren hoeveel vis oorspronkelijk in zee zat. Zonder discards, zoals bij tong, kunnen we zeggen: Vissterfte = totale aanvoer + totale natuurlijke sterfte.

De aanvoer wordt op de afslag geregistreerd en komt via EU-logboeken in de administratie terecht. Dat deel van de vissterfte weten we dus precies. Maar vissen die door natuurlijke oorzaken sterven, bijvoorbeeld door predatie, verhongering, ziekte en ouderdom, zien we nooit op de afslag. Om die vissen toch mee te tellen in de berekening van de visstand, schatten de onderzoekers de natuurlijke sterfte.

De aangevoerde vis wordt gesorteerd in verschillende marktcategorieën. — ProSea

Om de visstand te kunnen reconstrueren, moet de leeftijd van de vissen in de aanvoer bekend zijn. De aanvoer wordt op de afslag gesorteerd in verschillende marktcategorieën (lengteklassen). Om te bepalen hoe oud de vissen in de marktcategorieën zijn, bezoeken visserijbiologen uit meerdere landen alle havens rond de Noordzee (marktbemonstering). Per marktcategorie noteren zij van een groot aantal vissen de lengte, het gewicht, het geslacht en of de vis al geslachtsrijp is of niet.

Een otoliet van een schol van 5 jaar oud. — Wageningen Marine Research

Tenslotte halen ze een gehoorsteentje uit de kop van de vis waaraan ze kunnen zien hoe oud de vis is. De gehoorsteentjes zijn opgebouwd uit ringen en iedere ring staat voor 1 jaar. Door gedurende het hele jaar in alle havens rond de Noordzee te monsteren, kan achterhaald worden wat de leeftijdsopbouw van de totale aanvoer uit de gehele Noordzee is. Door dat elk jaar te doen, krijg je een compleet overzicht van de aangevoerde vangst in aantallen per leeftijdsgroep.

Zelf reconstrueren.

Om de bestandsschatting verder uit te kunnen leggen, ga je nu eerst zelf een reconstructie maken. We nemen bij dit voorbeeld aan dat er geen vis door natuurlijke oorzaken is doodgegaan en dat alle vis na vijf jaar volledig is opgevist. Dan is met de aanvoer terug te rekenen (te reconstrueren) hoeveel vis van bijvoorbeeld de jaarklasse 2000 er gedurende de opeenvolgende jaren in zee hebben gezeten. De vissen van die jaarklasse zijn in het jaar 2000 geboren (0-jarig), werden 1-jarig in 2001 en werden 2-jarig in 2002 etcetera.

Op 1 januari 2006 is in dit voorbeeld alle vis van de jaarklasse 2000 opgevist en kunnen we terug gaan rekenen. In onderstaande tabel kun je de aanvoer van vissen van jaarklasse 2000 terugvinden (blauw gearceerde getallen).

Aanvoer van vis in aantallen per kalenderjaar en per leeftijdsgroep (verzonnen getallen). 0-jarige vissen zijn nog te klein om gevangen te worden en in dit voorbeeld is alle vis na vijf jaar volledig opgevist. Blauw gearceerd zijn de vissen uit de jaarklasse 2000 (geboren in het jaar 2000).

Je kunt nu gaan berekenen hoe groot de jaarklasse 2000 is geweest. Dit doe je simpelweg door de vangsten op te tellen van de jaarklasse 2000, te beginnen met de 100 vissen uit 2005, daarna de 100 uit 2004 etc.. Als daar een grafiek van zou maken, dan zou die eruitzien zoals onderstaande grafiek (lees van rechts naar links).

Reconstructie van het verloop in aantallen vis van jaarklasse 2000 op basis van de aanvoer in een situatie zonder natuurlijke sterfte (verzonnen getallen). De aanvoer is zwart, de totale hoogte van de staven is de grootte van de jaarklasse 2000 aan het begin van dat jaar. Opmerking: Lees deze grafiek van rechts naar links. — ProSea

Belangrijk om je te beseffen is dat slechts een deel van het visbestand dood gaat door de visserij. Dat deel ligt op de afslagen en kun je precies meten, mits de vis niet gediscard wordt en alle vis netjes via de afslag in de boekhouding terechtkomt. De vissen die niet gevangen worden en door natuurlijke oorzaken sterven zien we nooit op de afslag, maar dragen wel bij aan de omvang van de visstand. Vissen die gestorven zijn door natuurlijke oorzaken moet je dus wel meenemen in je berekeningen als je de omvang van een jaarklasse goed wilt bepalen. 

Door alle dode vis bij elkaar op te tellen, valt de grootte van de jaarklasse 2000 te achterhalen, of te ‘reconstrueren’. — ProSea

Onderzoekers weten niet zeker hoeveel vissen er een natuurlijke dood sterven, want die vissen zie je nooit aan boord van een schip of op de afslag. Om die vissen toch mee te tellen in de berekening van de visstand schatten de ICES-onderzoekers de natuurlijke sterfte. Deze schatting stamt uit de tijd van rond de tweede wereldoorlog. Toen was er geen visserij, dus geen visserijsterfte. Door voor en na de oorlog de leeftijdsopbouw van de vispopulatie in zee te bepalen, kon de natuurlijke sterfte berekend worden. Onderzoekers nemen aan dat de natuurlijke sterfte sindsdien niet veranderd is.

Van jaarklasse naar visbestand

Wanneer de leeftijden van de vissen in de aanvoer bekend zijn, kan het verloop van elke jaarklasse door de tijd heen gereconstrueerd worden. Wanneer je die reconstructie voor elke jaarklasse doet, kun je uiteindelijk voor elk jaar de omvang van de verschillende jaarklassen in zee bij elkaar optellen.

Hieronder zie je hoe je per jaar een optelsom zou kunnen maken van alle jaarklassen die op dat moment rondzwemmen. Die optelsom geeft ons een schatting van de totale hoeveelheid vis in een bepaald jaar in het verleden. Immers, op elk moment in de tijd bestaat de visstand in zee uit vissen van verschillende lengtes, gewichten en leeftijden.

Door verschillende jaarklassen bij elkaar op te tellen kun je een schatting maken van het aantal vissen in zee in een bepaald jaar. — ProSea

Tot nu toe gaat het steeds over aantallen vissen. Maar de paaistand wordt berekend in gewicht, in kilo’s. Want onderzoekers rekenen de aantallen vissen om naar gewichten. Ze kunnen dat doen door in de marktbemonstering van zoveel mogelijk vissen van verschillende leeftijden het gewicht te bepalen. Wanneer ze dit vaak genoeg gedaan hebben, dan kun je voor vissen van een bepaalde leeftijd schatten hoe zwaar die geweest moeten zijn.

39.5 Hoe hoog is de visstand op dit moment

Voor het reconstrueren van de bestandsgrootte in het verleden worden alle vissen van een bepaalde jaarklasse die in de loop der jaren zijn gevangen bij elkaar opgeteld, met daar bovenop een aangenomen percentage natuurlijke sterfte. Maar het is moeilijker om te schatten hoe groot de omvang van het bestand op dit moment is. Want alle vissen die nu in zee zitten zullen pas in de komende jaren zichtbaar worden in de vangst.

Vissen die bijvoorbeeld in 2018 geboren worden (jaarklasse 2018) zijn één-jarig in 2019 en tweejarig in 2020. Omdat van de jongere jaarklassen zoals die van 2018 nog niet alle vis is gevangen, blijven de bestandschattingen voor de meest recente jaren onzeker. Net zo lang tot al die jaarklassen door de visserij zijn gevangen of door een natuurlijke oorzaak dood zijn gegaan. Dan pas kunnen onderzoekers de totale omvang van een jaarklasse in het verleden reconstrueren met behulp van de vangsten. En voor schol en tong is dat na ongeveer 10 jaar, want dat is hun maximale leeftijd. Daar kunnen we in de praktijk niet op wachten, want er moet nu beheerd worden, er moeten nu quota vastgesteld worden.

IJken met vangstsucces

Toch kunnen onderzoekers schatten hoe de visstand zich de afgelopen 10 jaar heeft ontwikkeld en hoe hoog de visstand nu ongeveer is. Dat doen ze door de reconstructies te ijken met het vangstsucces. Hiervoor gebruiken ze zowel het vangstsucces van de visserij zelf, alsook het vangstsucces van onderzoeksschepen. Dit is de derde en laatste stap in de bestandschatting.

Met het vangstsucces worden de onzekere modeluitkomsten voor de meest recente jaren ‘geijkt’. Dat wil zeggen, de ontwikkelingen in de paaistand op grond van het model worden naast de ontwikkelingen in het vangstsucces van de onderzoeksschepen en de visserij gelegd. Op die manier krijg je de meest waarschijnlijke schatting van de visstand. Onderzoekers kunnen zo zien dat wanneer het vangstsucces bijvoorbeeld stijgt, het waarschijnlijk is dat de visstand ook stijgt. In onderstaande afbeelding zie je hoe dat ongeveer gaat.

Het vangstsucces wordt gebruikt om de paaistand in het verleden te ijken. De zwarte doorgetrokken lijn is het verloop van de gereconstrueerde paaistand tot 10 jaar geleden. Deze reconstrueerde paaistand kon worden teruggerekend door het optellen van de vangsten plus de geschatte natuurlijke sterfte. De zwarte gestippelde lijnen zijn 3 modeluitkomsten over hoe de paaistand zich mogelijk heeft ontwikkeld. De rode lijn (met bijbehorende de tweede, rode y-as) is het vangstsucces van onderzoeksschepen of van de visserij. Zoals uitgelegd in stap 1 geeft het vangstsucces een relatieve maat voor de visstand (bijvoorbeeld 2x zoveel vis als vorig jaar). Als vervolgens de rode lijn vergelijkt met de 3 zwarte lijnen (ijken), dan lijkt lijn 2 het meest overeen te komen met de ontwikkeling in het vangstsucces. Modeluitkomst 2 toont daarmee het meest waarschijnlijke verloop in de paaistand voor de afgelopen 10 jaar.

39.6 Welk vangstsucces wordt gebruikt

Het vangstsucces wordt in de bestandschatting gebruikt als relatieve maat voor de visstand. Echter, we hebben gezien dat het vangstsucces veranderingen in de visstand kan weerspiegelen, mits de vloot niet steeds efficiënter gaat vissen. Daarom worden in elk geval de vangstsucces-series van de onderzoeksschepen zoals de Isis en de Tridens gebruikt in de bestandschatting. Want die schepen vissen elk jaar op dezelfde manier: op dezelfde plekken door de hele Noordzee heen, in hetzelfde jaargetijde, met dezelfde vissnelheid, met dezelfde netten, enzovoorts. De onderzoeksschepen vissen dus ‘gestandaardiseerd’. Hun vangst efficiëntie verandert daarom niet. Daarom kun je zeggen dat wanneer de Tridens in een bepaald jaar twee keer zoveel vis vangt voor dezelfde hoeveelheid inspanning (dus een dubbel zo hoog vangstsucces heeft) als in het jaar daarvoor, er waarschijnlijk ook twee keer zo veel vis in zee zit als het jaar daarvoor.

Een voorbeeld van de verspreiding visgebieden van Isis (links) en de Tridens (rechts) tijdens de boomkorsurvey. De Isis vist dichtbij de kust en doet minimaal twee trekken per gebied (cijfers in linker plaatje = aantal trekken), de Tridens vist verder weg van de kust en doet één trek per gebied.

De onderzoeksschepen Isis en Tridens doen jaarlijks onderzoek naar veranderingen in de Noordzee, zowel van de visstand als van bodemdieren. Deze reizen worden vaak ‘surveys’ genoemd. Een ander woord waarmee ze worden aangeduid is ‘bestandsopname’. Dit is een verwarrend woord, want ‘bestandsopname’ doet vermoeden dat je van de visstand een soort foto kunt maken en dat je zo de omvang van de visstand in kan schatten. Maar zo werkt het niet, want de surveys zijn slechts een onderdeel in de gehele bestandschatting.

Veel platvis-vissers hebben kritiek op de vangstmethode en uitrusting van onderzoeksschepen. Volgens vissers is het tuig van de Isis en de Tridens te klein, te licht en verouderd, waardoor het aantal kilo’s vis dat per half uur gevangen wordt, veel minder is dan voor een bedrijfsschip. Dit geeft volgens veel vissers geen betrouwbaar beeld van de visstand.

Het is inderdaad zo dat de Tridens en de Isis in absolute hoeveelheden veel minder vangen dan een commercieel schip. Dat zal geen onderzoeker ontkennen. Maar dat wilt niet zeggen dat onderzoeksschepen daarom geen betrouwbare maat voor de visstand zijn. Want wanneer deze tijdsreeksen van het vangstsucces in de bestandschatting worden gebruikt, gaat het niet om de absolute hoeveelheden. Het gaat om de relatieve verandering: de verschillen tussen de jaren. En als het goed is, laten onderzoeksschepen en bedrijfsschepen dezelfde relatieve veranderingen zien. Zo zie je in de grafieken hieronder dat zowel het vangstsucces van onderzoeksschepen als dat van bedrijfsschepen laat doorschemeren dat de scholstand afnam na 1990 en weer toenam na 2005.

In 2010 bleek dat de onderzoeksschepen en een bedrijfsschip een vangst hadden die vergelijkbaar was met de samenstelling van de grootte, maar dat het bedrijfsschip wel veel meer kilo’s vis per trek ving. Wanneer de resultaten van zo’n bedrijfssurvey gebruikt zouden worden om de paaistand te ijken, betekent dit dus niet dat de schatting van de paaistand hoger zal worden omdat een bedrijfsschip meer kilo’s vis per trek vangt. Het kan wel zo zijn dat de schatting van de paaistand zekerder wordt, omdat met een bedrijfsschip meer vis bemonsterd en geteld wordt en relatieve veranderingen van jaar tot jaar mogelijk beter gevolgd kunnen worden. Meer zekerheid in de hoogte van de paaistand in recente jaren zou ook kunnen leiden tot minder grote bijstellingen in de hoogte van de paaistand achteraf.

Samengevat, de paaistand van tong en schol wordt berekend in een model door het optellen van vangsten in het verleden (reconstructie) + door te vergelijken met het vangstsucces van visserij en/of onderzoeksschepen (surveys) in de meest recente jaren (ijken).

39.7 Onzekerheden en bijstellingen

In de huidige methode van de bestandschatting zijn onzekerheden over de grootte van de visstand tot ongeveer 10 jaar terug in het verleden onvermijdelijk. Het is daarom mogelijk dat de geschatte omvang van de paaistand in recente jaren wordt bijgesteld wanneer onderzoekers van ICES weer een nieuwe bestandschatting uitvoeren.

De afbeelding hieronder laat bijvoorbeeld zien hoe de scholstand tussen 1992 en 2003 destijds is overschat, terwijl de scholstand tussen 2003 en 2008 onderschat werd, althans in vergelijking met de schatting uit 2010 (zwarte lijn). Bij deze vergelijking moeten we wel rekening houden dat in deze schatting de omvang van de paaistand voor begin 2010 het meest onzekere punt is. De onzekerheden kunnen zo groot zijn dat het mogelijk is dat dit punt in de schatting in een nieuwere bestandschatting 40% hoger of lager blijkt te liggen.

Bijstellingen in de bestandschatting van schol. De zwarte lijn toont de meest recente schatting van de ontwikkelingen in de paaistand (ICES 2010). De rode cirkels tonen de schatting gemaakt door ICES in dat betreffende jaar. Je ziet dus duidelijk dat de schattingen (rode stippen) redelijk overeenkomen met de reconstructie (zwarte lijn). — ICES

Over de onzekerheden in de meest recente schattingen wordt gecommuniceerd door onderzoekers en beleidsmakers. Beleidsmakers houden ook rekening met de onzekerheden in het vaststellen van de TAC door het voorzorgprincipe toe te passen. Toch roepen de onzekerheden en jaarlijkse bijstellingen in de bestandschatting bij veel vissers frustraties en wantrouwen op.

39.8 Vissers kritisch over de bestandschatting

Veel vissers volgen de bestandschatting met een kritische blik. Sommigen vertrouwen de geschatte paaistand helemaal niet. Zij geloven niet dat de geschatte paaistand overeenkomt met de werkelijke visstand. Dit heeft drie oorzaken.

Ten eerste wordt de paaistand geschat voor de hele Noordzee. Maar een visser is vaak maar in een bepaald deel van de Noordzee actief. Daarom kan de verandering in de visstand op basis van schattingen voor de totale Noordzee er anders uitzien dan de verandering die een individuele visser afleest aan zijn vangstsucces.

Ten tweede wekken de jaarlijkse bijstellingen in de geschatte paaistand wantrouwen op. Wanneer de schatting voor een bepaald jaar, het volgende kalenderjaar weer wordt bijgesteld, wordt vanuit de visserij vaak gezegd: ‘de biologen hadden het weer mis!’. Dat maakt de geschatte paaistand als maat voor de visstand in de ogen van vissers minder geloofwaardig.

Het spandoek reageert op het feit dat de ICES- onderzoekers in 2009 de recente ontwikkelingen in paaistand positiever inschatten dan dat ze in 2008 deden. — Visserijnieuws

Ten derde zeggen veel vissers dat de paaistand onderschat wordt omdat de aanvoer laag is door een knellend quotum. Maar het is niet zo dat de aanvoer in een bepaald jaar zo hoog mogelijk moet zijn om te kunnen zien dat er veel vis in zee zit. Dit blijkt wel uit de ontwikkelingen in het vangstsucces van de onderzoeksschepen. Want dit vangstsucces draagt bij aan de schatting van de recente ontwikkelingen in de paaistand. En omdat het vangstsucces van de surveys niet wordt belemmerd door een knellende TAC, kunnen veranderingen in de visstand toch gevolgd worden.

40 Verwerking mosselen

Zodra de mosselen de gewenste grootte hebben bereikt, worden ze opgevist van de mosselpercelen. Op dat moment start het verwerkingsproces.

De Nederlandse Mosselveiling in Yerseke. — ProSea

40.1 Mosselveiling

Nadat de mosselen zijn opgevist, doorlopen ze aan boord van het schip een eerste spoeling. Vervolgens worden ze naar de mosselveiling in Yerseke gebracht. Dit kan per schip of vrachtwagen.

De mosselen worden aan boord van het schip als eerste gespoeld. — Het Nederlands Mosselbureau

Eenmaal bij de veiling aangekomen wordt de lading mosselen van ieder laadruim uitgemeten en omgerekend naar Mosselton (Mt) waarbij 1 Mosselton overeenkomt met een gewicht van 100 kilogram. Er worden ook monsters genomen door veilingmedewerkers. Deze monsters worden verzegeld en naar het bemonsteringskantoor gebracht.

Medewerkers van de mosselveiling starten met de inspectie. — Het Nederlands Mosselbureau

Onder toeziend oog van de mosselkwekers en handelaren worden de monsters geïnspecteerd. Alle levende ongeschonden mosselen met een lengte van meer dan 45 mm worden uitgezocht, gespoeld en zeepokken en slippers (muiltjes) op de schelpen worden verwijderd. Het scheiden van het bruikbare deel van het onbruikbare deel (de tarra) in een monster wordt ook wel het ‘tarreren’ genoemd.

De mosselkwekers kijken mee tijdens de inspectie. — Het Nederlands Mosselbureau

Na het tarreren worden de overgebleven mosselen overgebracht naar de Mosselmeter. De Mossel Lengte en Breedte Analyzer (zie hieronder) telt, meet en verdeelt alle mosselen in drie verschillende hoofdklassen: de lengteklasse, de breedte en stuks per kg-klasse. Ieder klasse kent 6 verschillende indelingen, van groot naar klein.

De Mossel Lengte en Breedte Analyzer. — Het Nederlands Mosselbureau

Na weging van de bakjes van de breedteklasse worden de mosselen verzameld en in een ruime pan met water gekookt. Zodra de mosselen voldoende gekookt zijn, worden ze uitgestort in een zeef, met koud water overspoeld en dan op een aanrecht uitgespreid. Met een speciaal mesje wordt het mosselvlees uit iedere mosselschelp verwijderd, verzameld, gewogen, in kunststof bakjes onder water gezet en tentoongesteld.

Het mosselvlees wordt met een mesje uit de schelp verwijderd. — Het Nederlands Mosselbureau

Aan de hand van de inspectie kan worden bepaald hoeveel mosselen de kweker aanbiedt, hoe groot de mosselen zijn (schelpgrootte en vleesgewicht) en hoe groot het percentage restmateriaal (losse schelpen, pokken, zeesterren e.d.) in de lading is. Voorafgaand aan de veiling worden de resultaten van de bemonstering bekendgemaakt. Hierdoor hebben de handelaren voorafgaand aan de veiling voldoende informatie over de aangeboden mosselen om te kunnen bieden op de partij(en) van hun voorkeur.

Kunststof bakjes met mosselen worden tentoongesteld. — Het Nederlands Mosselbureau

De handelaren kunnen vervolgens in de veilingzaal met behulp van een notebook bieden op de aangeboden mosselen. Door loting bepaalt de veilingmeester welke partijen als eerste te koop worden aangeboden. Iedere partij wordt daarbij in z’n geheel te koop aangeboden, er worden geen delen van partijen, kisten of aantal kilogrammen van een ruim aangeboden of verkocht.

Na opening van de inschrijving kunnen de inkopers van de groothandel een prijs per netto Mosselton ingeven die men bereid is voor de lading te betalen. Iedere lading wordt verkocht aan de hoogste inschrijver, die daarmee de nieuwe eigenaar van de lading wordt. De veilingmeester opent de inschrijving op de volgende lading tot alle aangeboden ladingen zijn verkocht. Er is er wel een stijging van het percentage mosselen dat buiten de veilklok om verkocht wordt. Deze mosselen worden geleverd op contractbasis.

40.2 Verwaterpercelen

Nadat de mosselen zijn verkocht, worden ze uitgezaaid op speciale verwaterpercelen in de Oosterschelde. Deze verwaterpercelen liggen op de liggen op de Yerseke Bank voor de kust van Yerseke. Sommige verwerkingsbedrijven voeren het verwateringsproces uit op de kade in bassins (zie onderstaande afbeelding). Op deze verwaterpercelen, ook wel natte pakhuizen genoemd, blijven de mosselen liggen om zichzelf schoon te spoelen van zand. Zo kan er bijvoorbeeld zand in de mosselen terecht zijn gekomen tijdens het vissen. Het verwateren kan enkele uren in beslag nemen.

De mosselen worden zandvrij gemaakt door ze te laten verwateren in bassins. — Het Nederlands Mosselbureau

De laatste jaren zien we dat de Mosselhandel minder neiging heeft om grote voorraden aan te leggen, maar om meer ‘op afroep’ direct van de percelen geleverd te krijgen. Daarbij dient dus mogelijk meer zuivering op de kant plaats te vinden.

40.3 Verwerkingsbedrijven

De meeste mosselen zijn bestemd voor de versmarkt en worden verpakt in plastic zakken of bakken van verschillende gewichten. Verder worden mosselen ook verwerkt tot conserven en diepvriesproducten.

Mosselverwerkingsbedrijf. — ©Biondina voor DNA-beeldbank op www.laatzeelandzien.nl

Voordat de mosselen in potjes en/of blikjes geconserveerd worden, doorlopen ze eerst een verwerkingsproces waarbij ze worden schoongemaakt, gesorteerd, gekoeld en uiteindelijk verpakt. Het begint met het schoningsproces waarbij eventuele aangroei op de schelpen wordt verwijderd. Daarbij gaan ze door een spoelbak waarin ze aan de buitenkant worden schoongespoeld met water. Vervolgens worden de mosselen onttrost (het losmaken van de individuele mosselen) in een zogenaamde ontbaardmachine.

Mosselen zitten vaak nog aan elkaar vast door hun bysusdraden. Daarnaast zit er vaak aangroei van zeepokken op de schelp. — Het Nederlands Mosselbureau

Na het ontbaarden worden de mosselen handmatig gecontroleerd. Over het algemeen noemt men dit sorteren of lezen. Hierbij komen de mosselen op een loopband, waarna mensen aan de loopband handmatig kapotte schelpen, zeesterren, krabbetjes, stenen en overige ongewenste zaken verwijderen.

Ongewenste zaken, zoals kapotte schelpen, zeesterren en krabben worden uit de mosselen verwijderd. — ©Biondina voor DNA-beeldbank op www.laatzeelandzien.nl

Na het wassen en de handmatige controle volgt het machinaal sorteren op grootte. Hierbij worden de mosselen in verschillende klassen ingedeeld afhankelijk van het aantal mosselen die in een kilo gaan. Het seizoen 2017/2018 werkt met de volgende sortering als richtlijn:

  • Goudmerk, < 45 stuks per kg
  • Jumbo, 45-55 stuks per kg
  • Imperial, 55-65 stuks per kg
  • Super, 65-75 stuks per kg
  • Extra, >75 stuks per kg

40.4 Verpakken

Vrijwel alle mosselhandelaren leveren verse mosselen in lekvrije plasticzakken/bakken en in jute zakken (10-15 kilo). Voordat de mosselen worden verpakt gaan ze door een koelbak. Ze gaan dus koud de verpakking in. Het voordeel hiervan is dat door de lage temperatuur de mossel in een soort “winterslaap” komt en hij dus weinig zuurstof nodig heeft.

Mosselen die verpakt zijn in jutte zakken. — Het Nederlands Mosselbureau

Mosselen die verpakt worden in lekvrije bakken ondergaan nog een behandeling alvorens de verpakking gesloten wordt. Om ervoor te zorgen dat de mosselen lang vers blijven wordt er een gasmengsel aan de zak of bak toegevoegd. Dat gasmengsel bestaat voor een groot deel uit zuurstof, waardoor de mosselen lang houdbaar blijven. Tot slot gaat er een etiket op de verpakking. Het etiket geeft informatie over waar het product vandaan komt, wat en hoeveel er in de bak/zak zit, wanneer het is ingepakt en hoelang het houdbaar is.

Het verwerken van de mosselen aan de wal. Daarbij worden de mosselen gewassen (links), verpakt (midden) en eindigen ze verpakt bij de consument (rechts). — Cortech & Qualimer

Uiteraard worden de mosselen in gekoelde w